d

Opera & Operette

Vijftig jaar DNO (10)

 

© Paul Korenhof en Franz Straatman, juni 2017

 

Het slot van een reeks artikelen naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van De Nederlandse/Nationale Opera(stichting). De gehele reeks, van de hand van Paul Korenhof en Franz Straatman en onder coördinatie van Peter Franken, verscheen eerder in het Bulletin van de Vrienden van DNO en schetst in chronologische opzet de geschiedenis van DNO met aanvullende achtergrondinformatie in de vorm van korte interviews met enkele direct betrokkenen. In deze aflevering Winfried Maczewski en het koor van DNO.

*****

Maczewski unieke metgezel in samenspel met Audi en Haenchen
door Franz Straatman

 
 
Winfried Maczewski

 'Koor schittert in Russisch drama ' kopte Dagblad Trouw op maandag 29 februari boven de recensie, verwijzend naar de première op 27 februari van Chovansjtsjina bij De Nationale Opera. Op de dag daartussen stierf Winfried Maczewski, van 1988 tot aan zijn pensionering in 2006 dirigent van het Koor van de Nationale Opera. Niet zomaar een koordirigent, maar de man die een technisch en artistiek fundament legde onder het zangersensemble en het per productie kneedde naar een niveau van wereldklasse. De lof die in alle recensies aan het koor werd toegezwaaid, kon enkele dagen later - toen het overlijden bekend werd - worden ervaren als posthume lof voor Maczewski, bij zijn aantreden in 1988 de zesde koorleider sinds het ensemble werd opgericht in 1965, gelijk met de vorming van het nieuwe instituut, De Nederlandse Operastichting. Merkwaardig genoeg werd het operakoor daar niet in opgenomen, maar werd het organisatorisch samen met het gerenommeerde Nederlands Kamerkoor ondergebracht in een nieuwe Nederlandse Koorstichting. De Operastichting huurde het koor in en pas in 1984, met het Muziektheater in zicht, kwamen de zangers volledig onder haar vleugels. Het verlies van hun 'zelfstandigheid ' viel niet meteen in goede aarde, mede vanwege veranderende arbeidsvoorwaarden, en er waren onderhandelingen nodig om de plooien glad te strijken.

Scène uit 'Chovansjtsjina' met Dmitry Ivashchenko (Vorst Ivan Chovanski), Koor van De Nationale Opera (Foto Monika Rittershaus)

 
  Cor Olthuis bekijkt samen met zijn vrouw een keramisch werkstuk dat hem als dirigent uitbeeldt.(Foto R. de Hilster)

De kleine Olthuis
Bij de vorming in 1965 kreeg Cor Olthuis de leiding. Hij was een oudgediende in het Amsterdamse operabedrijf waar hij in 1946 debuteerde als dirigent en naderhand ook een van de koorleiders werd. "Een bijzondere man, klein van gestalte, maar wat een uitstraling. Hij zette het koor onmiddellijk naar zijn hand," aldus een oud-koorlid. Olthuis bouwde in tien jaar tijd een betrouwbaar, stevig zingend ensemble van tegen de veertig zangers op en voor grote producties zoals de fameuze Aïda in Theater Carré (juni 1973) kon hij het ensemble versterken met extra krachten. Het wegvallen van de straffe hand van Olthuis werd met wisselend succes opgevuld door diverse dirigenten. Desondanks leverde het koor memorabele bijdragen zoals de gevangenenscène in Fidelio in de legendarische regie van Harry Kupfer toen Siebe Riedstra de leiding over het koor had. Begin 1983 werd de Deense dirigent Johannes Mikkelsen aangesteld; hij moest het Operakoor rijp maken voor de overgang naar het nieuwe Muziektheater en vanwege de veel grotere omvang van toneel en zaal werd het koor toen uitgebreid tot circa zestig leden. Na de productie van Nixon in China (juni 1988) vertrok Mikkelsen bij DNO naar de Brusselse Muntopera.

Koppige Maczewski
De vacature werd vrij spoedig ingevuld door de Duitse dirigent Winfried Maczewski. Hij wilde graag in Amsterdam aan de slag omdat hij de stad als student had leren kennen in de tijd van provo 's en hippies als een open en vrije maatschappij. "Het was dus geweldig dat ik juist hier kon komen werken," vertelde hij in een interview dat ik bij zijn afscheid maakte.
Eigenlijk een wonder dat juist hij die stotterde en een stem had als een gebarsten pot, koorleider werd en toch zijn zangers zo wist te beïnvloeden dat er een topklank uit voort kwam. Hij kreeg het voor elkaar op een wijze die hem kenmerkte: hartstochtelijk, naar eigen zeggen 'koppig' in het bereiken van een ideaal waarin iedere zanger(es) zich verantwoordelijk voelt voor de klank van het geheel. Het koor als minimaatschappij die gebaseerd is op de kwaliteiten en kracht van de stembanden. "Het fascinerende aan stembanden is dat geen paar gelijk is aan een ander. Dat stelt iedere koorzanger steeds voor de vraag in hoeverre je de eigen individuele kleur een geprofileerde rol geeft of met de andere stemmen mee gaat. Je moet de balans zoeken tussen je individualiteit en de verantwoordelijkheid voor het geheel," legde hij uit. Voor het kneden van de koorklank trok hij altijd veel tijd uit, soms te veel tijd naar de zin van de koorleden, zo gaf hij ruiterlijk toe. "Ik kan tot vervelens toe aan tien maten werken in de zoektocht naar wat de essentie is in een compositie. Het is niet mijn stijl om te zeggen: zo en zo wil ik het hebben. Het klankprofiel van het DNO-koor is niet ontstaan omdat ik het zo wilde, maar komt voort uit gezamenlijke verantwoordelijkheid van de koorzangers. Ze moeten zelf leren aanvoelen: dit is goed en dit is fout," aldus Maczewski.

Zwart tapijt
Op het moment dat een ideale expressie tijdens repetities was bereikt, moest hij zijn werk overdragen aan dirigenten die de uitvoering leidden en aan regisseurs die een koor soms behandelden als levende decorstukken in een optisch aantrekkelijk, maar soms akoestisch onmogelijk toneelbeeld. Dagelijks werd Maczewski eraan herinnerd als hij zijn werkkamer binnenstapte en zijn voet zette op zwart tapijt, restant van een toneelbrede vloerbedekking uit Mozart's Idomeneo uit juni 1991. Hoezeer hij destijds waarschuwde tegen het klankdempende effect, het tapijt werd uitgerold. De gevolgen bleken bij de eerste toneelrepetities rampzalig, waarop het tapijt alsnog werd verwijderd en Maczewski zijn kamer mocht laten beleggen met de vermaledijde, kwalitatief overigens uitstekende vloerbedekking!
Maczewski bereikte met zijn Operakoor in dezelfde korte tijd wat Hartmut Haenchen tot stand bracht bij het Nederlands Philharmonisch Orkest. Ook die werkte met koppigheid aan techniek en klank van het operaorkest in wording. Met zijn koordirigent kon Haenchen het niet alleen op artistiek vlak goed vinden in circa veertig DNO-producties, maar ook in hun opvattingen over de rol van de kunsten in de maatschappij. De roerende afscheidstekst die Haenchen rondstuurde, eindigde hij met: "Ik heb een metgezel van vele, vele jaren verloren. Rest mij slechts te zeggen: Dank je, Winfried."
De samenwerking met Pierre Audi was niet minder stevig. Maczewski vertelde over hun eerste kennismaking in 1988: "Ik herinner mij nog goed het eerste gesprek bij hem thuis. Wij hebben iets principieels uitgesproken over de weg die we moesten gaan met DNO en ook over de weg van het koor, namelijk om de moed te hebben af en toe afscheid te nemen van de routine die precies zegt hoe je het moet doen om iets op een snelle en efficiënte wijze te realiseren. De moed om je zelf te confronteren met de vraag: waarom?"

Scène uit The Bassarids met Kristine Ciesinski (Agave), Kenneth Cox (Cadmus), Margarita De Arellano (Autonoe), Koor van De Nederlandse Opera ( Foto Ruth Walz)

Succes in Salzburg
Vooran bij de successen die het Operakoor spoedig behaalde, staat Moses und Aron van Arnold Schönberg onder leiding van Pierre Boulez in oktober 1995, herhaald tijdens de Salzburger Festspiele 1996. Met het tot 115 stemmen uitgebreide koor werd maanden gerepeteerd op de omvangrijkste en moeilijkste kooropera, nadat in de periode ervóór bewust Wagner's Meistersinger was geprogrammeerd. Zo ontstond een koorklank die de twaalftoons compositie tot een wonder van expressie maakte. Dirigent Boulez was diep onder de indruk. In eigen huis, maar nog meer op het internationale podium van Salzburg werd het DNO koor bejubeld en geprezen. Edo de Waart verklaarde 'apetrots' te zijn geweest toen hij in Salzburg die productie hoorde en zag.
Niet alleen met de stemmen weet het operakoor sindsdien te imponeren. De souplesse wordt ook getoond in het bewegen en acteren. "Zingen met je hele lichaam," verwoordde een koorlid het in een interview. De koristen werden in die technisch-motorische vaardigheden vaak gekneed door geweldige regisseurs als Götz Friedrich, Harry Kupfer, Peter Sellars, Robert Carsen en Pierre Audi. Onvergetelijk zoals het koor in de laatste akte van Falstaff (2014) door Carsen in een golfbeweging werd geregisseerd. De koordirigenten die Maczewski opvolgden, Martin Wright en sinds 2014 Ching-Lien Wu (de eerste vrouw als koorleider) konden voortbouwen met de verzamelde

Metzmacher zonder angst
Het is een merkwaardig toeval dat Chovansjtsjina werd gedirigeerd door Ingo Metzmacher, de vroegere chefdirigent van DNO. Hij kwam bij het Amsterdamse opera-instituut in dienst in de periode dat Winfried Maczewski er afscheid nam. Spoedig na het bekend worden van De Waart's terugtreden kon DNO in maart 2003 de 46-jarige Generalmusikdirektor van de Hamburgse Staatsopera als diens opvolger aankondigen. Metzmacher had zich daar geprofileerd als een voorvechter van muziek uit de twintigste eeuw en eigentijdse muziek. Hij schreef ook een boek over zijn eigen zoektocht daarnaartoe, Keine Angst vor neuen Töne, bij zijn komst in het Nederlands vertaald als Wie is er bang voor nieuwe klanken? Zijn belangstelling voor eigentijdse theatervormen en zijn wens om als team in een lange repetitieperiode te werken, maakten hem tot ideale partner in het beleid van Pierre Audi.

In april 2005 beleefde Metzmacher zijn debuut bij DNO als gastdirigent in Die tote Stadt van Erich Korngold, waarin hij samenwerkte met het Koninklijk Concertgebouworkest, regisseur Willy Decker, koordirigent Maczewski en een prachtige zangersbezetting in het duistere, spannend in beeld gebrachte liefdesdrama. Het succes smaakte naar meer. In het aansluitende seizoen betrad hij het Muziektheater als chef-dirigent met weer een modern werk, The Bassarids van Hans Werner Henze, in een regie van Peter Stein. Een eigenzinnige compositie, 'muziek als een ongetemd paard,' zoals Stein verklaarde. Metzmacher omschreef het werk dat hij met het Nederlands Philharmonisch Orkest tot een triomf maakte, als "een opera uit één stuk gegoten, boordevol energie, alsof Henze een enorm aantal blikken verf tot zijn beschikking had en daar naar hartenlust mee gekliederd heeft."

Scène uit 'The Bassarids' met Kristine Ciesinski (Agave), Tom Randle (Dionysus), Detlef Roth (Pentheus), Koor van De Nederlandse Opera (Foto Ruth Walz)

Super Lady
Niet alleen daarom werd het seizoen 2005 - 2006 opmerkelijk in de keten van producties die vanaf de eeuwwisseling steeds groter internationale glans gaven aan het DNO van Pierre Audi en Truze Lodder. Laatstgenoemde slaagde er ondanks opgelegde bezuinigingen in om een solide financieel fundament te leggen onder de dromen van haar artistieke partner, zoals de droom van Wagner's Ring die een glorieuze reprise haalde met Haenchen en Audi als stuwend team en topsolisten. Metzmacher kon in zijn eerste jaar zijn veelzijdigheid demonstreren in Janaceks Het sluwe vosje met Richard Jones als regisseur, in Elektra van Strauss, gebracht in de verbluffende regie van Willy Decker uit 1996, en in Verdi 's Simon Boccanegra. Maar welk een uitroepteken achter het seizoen 05-06 plaatsten Mariss Jansons, zijn Concertgebouworkest, regisseur Martin Kusej en titelrolzangeres Eva-Maria Westbroek met een Super Lady, Macbeth van Mtsensk van Dmitri Sjostakovitsj. Plus het operakoor, voor het laatst ingestudeerd door Winfried Maczewski.

Mozart-trilogie
De stralende toekomst voor Metzmacher verduisterde in het volgende seizoen. Het was een fantastisch plan van hem om de drie Mozart-opera's op libretti van Lorenzo da Ponte als trilogie te produceren met één muzikaal- en regieteam als bijdrage aan het Mozart-jaar en voor het scenische deel werd het spraakmakende duo Jossi Wieler-Sergio Morabito aangetrokken. Het optische deel werd in pers en publiek echter nogal negatief gekarakteriseerd als 'hippiekolonie ' ( Così ), 'beddenpaleis ' (Don Giovanni) en 'autosalon ' (Le nozze). Daarnaast kreeg het orkestrale aandeel veel te verduren. Weliswaar heette het ensemble in de bak Nederlands Kamerorkest, maar het was een kaartenbak-orkest zonder cultuur in het samenspel, aangevoerd door een concertmeester van buiten het NKO, wiens eigen ideeën over Mozart botsten met die van dirigent Metzmacher. Die moest het boe-geroep opvangen na de première van Don Giovanni en in de pers lezen dat hij gezakt was voor het Mozart-examen. Hij was zo geschokt dat hij besloot op te stappen en naar Berlijn te verkassen waar hij al eerder een contract had getekend bij het Deutsches Symphonieorchester Berlin.
Desondanks leverde hij, weer met het Concertgebouworkest, een prachtige Die Gezeichneten (Franz Schreker) af. In het volgende seizoen voltooide hij zijn chefschap met Daphne van Richard Strauss, Tristan und Isolde en als schitterend afscheid Saint François d 'Assise van Olivier Messiaen. In juni 2011 was hij als gast terug met de nieuwe opera Dionysos van Wolfgang Rihm.

Scène uit 'Saint François d 'Assise' met Rod Gilfry (Saint François) en kinderen
(Foto Ruth Walz)

Scène uit 'Dionysos'. Linksonder: Georg Nigl (Foto Ruth Walz)

Band hersteld
De leiding van DNO koesterde de gedachte het wel even zonder chefdirigent te kunnen doen, maar aan het begin van het seizoen 2008-2009 stond voor Die Frau ohne Schatten een gastdirigent geprogrammeerd, die op de musici van het NedPhO, op pers en publiek èn op de operaleiding een verpletterende indruk maakte met zijn Strauss-vertolking. Dat was Marc Albrecht. Toen kort daarna Yakov Kreizberg aankondigde in 2011 op te stappen als chef-dirigent van het NedPhO, zaten beide instituten met de vraag: wie volgt op? Het is een gelukkige 'brainwave' geweest bij DNO en NedPhO om Albrecht als gezamenlijke chef te contracteren en zo de artistieke band tussen het NedPhO/NKO en DNO te herstellen.
Albrecht liep zich warm voor de duo-baan in december 2010 met een reprise van Fidelio, waarna hij met ingang van het seizoen 2011-2012 als chef een artistiek zeer vruchtbare relatie opbouwde met beide instituten. Een van zijn hoogtepunten tot nu werd de ook scenisch schitterende Kitesj van Rimski-Korsakov, maar helaas voor hem kon hij niet de Ring des Nibelungen aan zijn vinger schuiven toen de DNO-directie besloot om het Wagner-jaar 2013 te vieren met een tweede reprise van de overweldigende cyclus. Het was voor de derde keer dat Hartmut Haenchen, dank zij een speciaal contract, zijn levenswerk bij DNO kon afronden.

Terugblikkend op de afgelopen jaren kan worden vastgesteld dat Pierre Audi als langst functionerende artistiek directeur de operacultuur uitbouwde op volstrekt autonome wijze, niet langs beproefde conventionele inzichten, maar proefondervindelijk met alle risico 's er bij als een couturier van een top modehuis.

Klik hier voor Afstand nemen van de traditie - interview met Lotte de Beer
door Paul Korenhof

 

Klik hier voor deel 1
Klik hier voor deel 2
Klik hier voor deel 3
Klik hier voor deel 4
Klik hier voor deel 5
Klik hier voor deel 6
Klik hier voor deel 7
Klik hier voor deel 8
Klik hier voor deel 9


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links