d

Opera & Operette

Vijftig jaar DNO (8)

 

© Paul Korenhof en Franz Straatman, januari 2017

 

Deel 8 van een reeks artikelen naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van De Nederlandse/Nationale Opera(stichting). De gehele reeks, van de hand van Paul Korenhof en Franz Straatman en onder coördinatie van Peter Franken, verscheen eerder in het Bulletin van de Vrienden van DNO en schetst in chronologische opzet de geschiedenis van DNO met aanvullende achtergrondinformatie in de vorm van korte interviews met enkele direct betrokkenen. In deze aflevering aandacht voor het hoogtepunt in de niet altijd harmonische samenwerking tussen Pierre Audi en dirigent Hartmut Haenchen: de eerste productie door een Nederlands operagezelschap van Wagner's Nibelungen-tetralogie.

*****

Hoe Audi en Haenchen elkaar de Ring aan de vinger schoven
door Franz Straatman

'Als een diabolische jojo beweegt het huidige seizoen van De Nederlandse Opera op en neer tussen verbijsterende, interessante en opzienbarende hoogtepunten en alsmaar grotere ellende,' schreef het NRC-Handelsblad kernachtig in januari 1991 naar aanleiding van de rampzalige productie van Berlioz' Benvenuto Cellini. De Volkskrant kopte zelfs: 'Malvenuto Cellini'. De negatieve pers betrof vooral de scenische uitwerking van regisseur Tim Albery, maar ook het orkestrale aandeel onder leiding van Peter Hirsch lokte misprijzing uit.
Hoogst ongebruikelijk was het dat de aanvoerders van de verschillende instrumentengroepen uit het Nederlands Philharmonisch Orkest in een brief aan de leiding van DNO onomwonden stelden niet meer met deze dirigent te willen werken. DNO gaf er gehoor aan. In de kort daarna verschenen seizoensbrochure 1991-92 stond de naam van de betreffende dirigent voor de nieuwe productie van Fidelio niet ingevuld. Die productie was namelijk toebedeeld aan Hirsch.
Dat diabolisch op en neer gaande seizoen 1990-91 werd afgesloten met de onderhand legendarische mislukking van Mozart's Idomeneo. Het had een glansproductie moeten worden met het Orkest van de Achttiende Eeuw in de orkestbak en Frans Brüggen debuterend als operadirigent. Een interessante keuze, nog gemaakt door Jan van Vlijmen, maar vanwege de kosten - het Orkest moest worden betaald - had Truze Lodder dit ensemble meteen na haar aantreden geschrapt en vervangen door het gratis beschikbare Nederlands Philharmonisch Orkest. Brüggen was echter gehandhaafd als muzikaal leider in deze productie, maar ook deze samenwerking liep uit op een muzikale ramp.

 
  Scènefoto 'Wozzeck' in de regie van Willy Decker (1994) onder de directie van Haenchen. Boven: Michael Devlin (Doktor), John Bröcheler (Wozzeck)
(foto Hans van den Boogaard)

Eén man zag dit alles met groeiende onvrede aan: muziekdirecteur Hartmut Haenchen. Ook al droeg hij die mooie titel, hij beschikte niet over de macht om in te grijpen als gevolg van een stevige fout die was gemaakt met de herschikking van verantwoordelijkheden na het vertrek van Van Vlijmen. In de nieuwe opzet was het intendantschap ingevuld als een tweehoofdige figuur: Truze Lodder zakelijk directeur met eindverantwoording naar het bestuur, en Pierre Audi artistiek directeur.
De titel muziekdirecteur was onaangetast gebleven en op grond daarvan meende Haenchen zeggenschap te hebben over de keuze van gastdirigenten en van zangers. Hij wilde als gelijkwaardige gesprekspartner fungeren in het trio van de operaleiding, maar het bestuur van DNO wees dat af. Bij de presentatie van het seizoen 1992-93 zei Audi klip en klaar: "Ík ben verantwoordelijk voor het theatrale, maar ook voor het muzikale gedeelte, en voor de keuze van de zangers." Een kernprobleem was echter dat Haenchen hem niet erkende als muzikale autoriteit, zoals al was gebleken bij de benoeming van Audi, toen Haenchen het bestuur adviseerde Audi aan te trekken als chef-regisseur.

Diplomaat en tolk
Bij dit alles speelde eveneens mee dat Haenchen zijn werk bij DNO combineerde met zijn functie als chef-dirigent bij het Nederlands Philharmonisch Orkest. De technische en artistieke opbouw van dat jonge ensemble had hij met grote zorg ter hand genomen en gastdirigenten die het orkest in de operabak leidden, dienden daarom in de lijn van die opbouw te passen. Het stoorde Haenchen bovendien dat Audi met de planning van de operaproducties aan de late kant was waardoor de vaststelling van de concertdata in de knel kwam. In deze standpunten werd Haenchen gesteund door orkestdirecteur Jan Willem Loot, die het probleem van de niet gelijkwaardige inspraak diplomatiek oploste door zijn chef-dirigent mee te nemen naar de besprekingen die hij voerde met het duo Lodder-Audi. Loot: "Dan zaten we toch met zijn vieren aan tafel. Hij is door mij in de centrale rol gehouden die hij bij de Opera niet kreeg, maar ik kon hem alleen helpen bij producties die wij speelden. Gelukkig heb ik de relaties tussen ons en de Opera steeds op gang weten te houden, want met Truze Lodder heb ik het altijd goed kunnen vinden." Lodder: "In de gesprekken deed ik mee als een soort tolk tussen mijn artistiek directeur en de orkestdirectie."

Haenchen had er uiteindelijk vrede mee. "Het was een slimme zet van Jan Willem dat ik mij een beetje terug zou trekken om de psychologische barrière met Pierre Audi af te breken en het aan hem over te laten om de dirigentenkeus als wens van het orkest te presenteren." Bij de vernieuwing van Haenchens contract in 1993 werd zijn titel echter gewijzigd in die van chef-dirigent. Lodder: "We hadden al twee kapiteins op één schip en dat was al moeilijk, maar drie man is helemaal een probleem. Wij beschouwden Hartmut als onze muzikale partner." In feite was de nieuwe titel was echter een lege huls, want DNO beschikte niet over een eigen orkest nadat bij de vorming van het Nederlands Philharmonisch Orkest in 1985 bestuur en directie zich met succes hadden verzet tegen een organisatorische binding met DNO. De naam Nederlands Philharmonisch & Operaorkest was taboe.

Rivalen werken samen
Wat is de zin om deze onverkwikkelijke feiten op te rakelen? Omdat zich desondanks tussen de twee rivalen een interessante vruchtbare samenwerking op artistiek vlak ontplooide. Aan een wand van haar werkkamer in Het Muziektheater had Truze Lodder drie foto's hangen waarop Pierre en Hartmut in geanimeerd gesprek zijn tijdens het werk aan hun gezamenlijke productie van La bohème, in het najaar van 1992. Niets te merken van spanningen. "Daar straalt van af hoe goed ze elkaar aanvoelden. Pierre is een echte artiest en Hartmut is dat ook. Daar vonden ze elkaar " aldus Truze Lodder.
Hun eerste gezamenlijke project gold Mitridate, rè di Ponto, getoonzet door de veertienjarige Mozart op een Italiaanse libretto dat een bewerking is van een toneelstuk van Jean Racine. Hoewel een geplande coproductie met het Londense Covent Garden niet doorging, zette Audi de uitvoering door DNO toch door, omdat het hem de kans bood de regie-stijl die hij ontwikkelde voor Monteverdi's Ulisse door te trekken in dit eveneens gestileerde classicistisch drama in de trant van Racine, een favoriete toneelschrijver van Audi. Overigens maakte Londen ook een eigen Mitridate - mèt Haenchen. Hij leverde er een uitvoerige studie bij over de originele uitvoering in 1770. In beide producties schitterde Bruce Ford in de titelrol.

Scènefoto 'Mitridate, rè di Ponto' (foto Jaap Pieper)

Met hun coproductie La bohème begaven Haenchen en Audi zich beiden op onbekend terrein, namelijk het Italiaanse verisme. De enscenering en vooral de koele toneelbeelden kregen een geserreerde onderbouwing vanuit de orkestbak, maar of dit nou een goede Puccini was, daar werd in de recensies stevig aan getwijfeld. Beiden hielden zich daarna verre van het Italiaans repertoire, maar de productie werd wel één keer herhaald met een andere, veel betere zangersbezetting (april 1996).
Audi en Haenchen vonden elkaar in nog een Mozart: Die Zauberflöte, een productie uit het seizoen 1995-96 die vooral de geschiedenis inging vanwege de decors van Karel Appel. Die waren zo dominant dat er zelfs gesproken werd van een Appelflöte. Muzikaal (de partituur was door Haenchen grondig gecorrigeerd) en scenisch werd het een topproductie die reprises kreeg in 1999 en 2003. De water- en vuurproef die de hoofdrolspelers in deze opera met succes doorstaan, kan overdrachtelijk worden toegeschreven aan de artistiek directeur en zijn chefdirigent.

 
 
'Ich berührte Alberichs Ring'
(foto Franz Straatman)

Hoogtepunt èn einde
De samenwerking zou echter uitgroeien tot een nog grotere en internationaal hogelijk geprezen prestatie in de Ring des Nibelungen, een project dat Audi al in zijn Tienjarenplan had aangekondigd, al had hij toen niet zichzelf, maar Klaus Michael Grüber als regisseur op zijn wensenlijstje. Ook dat had een mooie combi kunnen opleveren met Haenchen die in 1990 (reprise in 1993) met Grüber een schitterende Parsifal afleverde, maar de plannen liepen spaak. "Ik heb vier jaar lang vergeefs geprobeerd Grüber als regisseur aan te trekken," aldus Audi, "en toen zei Hartmut Haenchen: Waarom probeer je het niet zelf?" In september 1997 ontplooiden zij hun visie op het voorspel Das Rheingold. Vanuit twee geheel verschillende werkmanieren schoven zij elkaar per opera de Ring aan de vinger. Audi: "Ik werk altijd puur op mijn instinct. In dat opzicht ben ik heel anders dan Hartmut. Die bouwt het werk zorgvuldig van de grond af op. Als we goed op elkaar zijn afgestemd, is die combinatie juist heel vruchtbaar." Haenchen memoreerde: "We benaderen de Ring vanuit extreem verschillende posities . Dat begint al bij de taal. Als Duitser is de tekst mij zeer bekend, maar Pierre werkte met een tekstboek in het Engels. Dat leverde nogal eens discussies op over wat iets betekende. We hebben ook wel eens ruzie gehad, maar het gaat uiteindelijk om het resultaat. De sfeer was buitengewoon constructief."

Voor Haenchen was het Ring-project een levenszaak. Al jaren tevoren was hij aan de slag gegaan om de partituren af te stemmen op de uitvoeringen zoals Wagner die dirigeerde in Bayreuth. Haenchen corrigeerde naar eigen zeggen duizenden fouten. De Amsterdamse Ring trok daarom alleen al de aandacht van de internationale Wagner-watchers.

Pijnlijke omarming
Nog meer kwam het project in de spotlights te staan door de spectaculaire enscenering die Pierre Audi en zijn decorontwerper George Tsypin bedachten, geheel afgestemd op de ronde vorm van de Muziektheater-zaal. Echt revolutionair was daarbij de idee van Haenchen om het orkest bij elk van de vier opera's een aparte plek te geven. Het enorme ensemble draaide vanuit de bak (Das Rheingold) tegen de klok in over het toneel en weer terug. De zangersbezettingen met onder anderen John Bröcheler als een humane Wotan en Henk Smit als een ironische, duivelse Alberich zorgden voor golven van publieke bijval en laaiende recensies. In juni 1999 werd het avontuur bezegeld met de première van Götterdämmerung. Bij het slotapplaus vielen de twee samenwerkers/rivalen elkaar in de armen. Een gebaar dat een pijnlijk afscheid verhulde, want aan Haenchens chefschap bij DNO kwam hiermee een einde. In de coulissen stond als nieuwe chef Edo de Waart klaar, binnengehaald door Audi. De Waart wilde de Ring ook graag hebben, maar uiteindelijk kreeg hij hem niet.

'Wagner's 'Ring': Het enorme ensemble draaide vanuit de bak tegen de klok in over het toneel en weer terug (foto Jaap Pieper)

Klik hier voor John Bröcheler: huisbariton bij DNO - door Paul Korenhof


Klik hier voor deel 1
Klik hier voor deel 2
Klik hier voor deel 3
Klik hier voor deel 4
Klik hier voor deel 5
Klik hier voor deel 6
Klik hier voor deel 7
Klik hier voor deel 9
Klik hier voor deel 10


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links