d

Opera & Operette

Vijftig jaar DNO (9)

 

© Paul Korenhof en Franz Straatman, mei 2017

 

Deel 9 van een reeks artikelen naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van De Nederlandse/Nationale Opera(stichting). De gehele reeks, van de hand van Paul Korenhof en Franz Straatman en onder coördinatie van Peter Franken, verscheen eerder in het Bulletin van de Vrienden van DNO en schetst in chronologische opzet de geschiedenis van DNO met aanvullende achtergrondinformatie in de vorm van korte interviews met enkele direct betrokkenen. In deze aflevering de periode Edo de Waart en het Radio Filharmonisch Orkest.

*****

 
 
Edo de Waart

Het dilemma van Edo de Waart: kindervreugde of operaroem
door Franz Straatman

Met een stevige omhelzing bezegelden Jan van Vlijmen en Edo de Waart op 6 juni 1986 de proefvoorstellingen in het nog niet officieel geopende Muziektheater. Op het toneel de decorstukken van de indrukwekkende Fidelio in regie van Harry Kupfer. Tijdens de voorafgaande weken had die productie, gedirigeerd door Edo de Waart, de bespelingen in de Amsterdamse Stadsschouwburg afgesloten. De overstap naar het nieuwe operahuis ging gemaakt worden, maar het theater moest eerst nog worden uitgetest met een echte voorstelling, Fidelio . Het is een vergeten moment in de vijftigjarige geschiedenis van DNO dat Edo de Waart, ook al had hij te elfder ure zich teruggetrokken als intendant, c.q. chef-dirigent, wèl de eerste voorstellingen in het Muziektheater leidde. De after party voelde pijnlijk aan. Want Edo de Waart had zo graag opera willen blijven dirigeren aan de Amstel.
Enige vertroosting bood het Holland Festival. De teruggetreden DNO-intendant, en inmiddels Holland-Festivaldirecteur Jan van Vlijmen creëerde voor De Waart een speciaal orkest, het Holland Festival Orkest, dat hij dirigeerde in de spectaculaire productie van Nixon in China, juni 1988 in het Muziektheater. Het bleef een eenmalige onderneming, want zo'n orkest is kostbaar. Grootser kansen kon de Vara-matinee hem bieden omdat De Waart in 1989 was benoemd tot chef-dirigent van het Radio Filharmonisch Orkest. Er ontstond een alternatieve Nederlandse Opera in het Amsterdams Concertgebouw met een reeks opera's rond Strauss en Wagner met als hoogtepunt een complete Ring.

 
  Scènefoto 'Fidelio' in de regie van Harry Kupfer (Foto Jaap Pieper)

De Waarts rentree
Het bleef echter steken dat het Muziektheater zich (nog) niet voor hem opende. Toch kwam er contact met Pierre Audi tot stand. 'Wij hebben met elkaar er over gesproken, maar jammer genoeg hebben Hartmut Haenchen en ik dezelfde voorliefdes. Dan vind ik het logisch dat hij als chef die producties doet', zo beantwoordde hij in 1990 de vraag waarom hij nooit meer in het Muziektheater dirigeerde. Maar zie: in 1994 maakte De Waart zijn rentree bij DNO met Salome van Richard Strauss, in samenwerking met 'zijn'Radio Filharmonisch Orkest. 'Het is ontzettend heerlijk om een opera in de bak te doen. Ik voel me daar zo ontzettend op mijn plaats', bekende hij kort nadat hij in januari 1996 Werther van Jules Massenet had gedirigeerd. Hij zorgde voor een euforisch gevoel bij pers en publiek door de genuanceerde en heerlijk lichte vertolking van deze Franse partituur. De fijne samenwerking met regisseur Willy Decker sterkte zijn gevoel van welbevinden in het huis aan de Amstel. Niet onbelangrijk: zijn partner, de befaamde sopraan Susan Graham zong in die productie zeer fraai de rol van Charlotte.

 
 

Scènefoto 'Les Troyens' in de regie van Pierre Audi. Reprise 2010.
(Foto Clärchen & Matthias Baus)

Langzamerhand ging de machine draaien die Edo de Waart weer binnen DNO bracht. Er werd voor hem een eigen terrein ontwikkeld: Franse opera's en de werken van Janácek. Jenufa in juni 1997 werd de eerste in een lijn met Katja Kabànova in mei 2000, geregisseerd door Willy Decker, Makropoulos (2003) in regie van Ivo van Hove en met Angela Denoke als Emilia Marty, en een reprise van Katja. De Franse lijn ging verder met Carmen ( januari 1999) in een mislukte samenwerking met regisseur Andreas Homoki, en in een reprise van Werther (zonder Graham) in september 1999. In latere seizoenen begon de Berlioz-lijn met Béatrice et Bénédict waarbij De Waart weinig succes oogstte in de eenmalige samenwerking met het Concertgebouworkest. Les Troyens (2004) werd zijn volgende Berlioz...
De Waart opende het seizoen 1999 niet als gastdirigent, maar als chef-dirigent van DNO. Hij was helemaal terug in het zenit van de Nederlandse operacultuur. Het contract van Haenchen liep namelijk in 1999 af en niet werd verlengd. Pierre Audi was toe aan een muziekchef die niet alles wilde weten en controleren. Bij de laatste Götterdämmerung -première in juni vielen Audi en Haenchen elkaar weliswaar in de armen, maar hij mocht voortaan alleen meedoen als 'vaste gastdirigent'.

Het NedPhO op de wip
De rolwisseling betekende dat De Waart nu ook moest gaan werken met het ooit door hem afgewezen Nederlands Philharmonisch Orkest. Het liefst had hij doorgegaan met zijn RFO dat hem sinds 1994 in de orkestbak vergezelde, bekende hij, "maar voor een omroeporkest is meer dan één productie per jaar niet haalbaar." Dat was ook een centenkwestie: het RFO speelde niet - zoals de andere Randstad-orkesten - voor niks. Overigens uitte De Waart zich positief over het NedPhO: "Wat Haenchen daar heeft bereikt, is zonder meer indrukwekkend. De reprise van Werther was mijn debuut voor het orkest, en dat beviel mij uitstekend." Hij vergat even dat hij in 1985-1986 drie producties met het nog jonge NedPhO had gedaan, als laatste die Fidelio. Met uitstekende kritieken in de pers voor het orkest!
Toch heerste er gezond wantrouwen bij de leiding en de musici van het NedPhO over de toekomstige positie in de opera. Directeur Jan Willem Loot had het al eerder met Pierre Audi aan de stok gehad toen laatstgenoemde kanttekeningen plaatste bij de kwaliteit. Dat was in de dagen dat het RFO mee ging doen. In 2000 verklaarde Audi in een interview in het NRC: "Ons bedrijf bevindt zich in een overgangsfase. We hoeven bijvoorbeeld niet zo getrouwd te blijven met het Nederlands Philharmonisch Orkest als nu het geval is. Wanneer Haenchen over een paar jaar als chef-dirigent bij het NedPhO opstapt, begint het orkest aan een nieuwe periode onder een nieuwe chef. Dat zal ook onze beslissingen over de verdere samenwerking bepalen. En met De Waart als nieuwe chef-dirigent is het onvermijdelijk dat we nu meer met het Radio Filharmonisch Orkest gaan werken." Ai, dat stak directie en musici van het NedPhO: het orkest zat op de wip.

Audi had goed ingeschat dat Haenchen 'over een paar jaar' zou opstappen. Niet van harte, maar de chemie tussen hem en het NedPhO was uitgewerkt. In september 2002 sloot hij met een grootse uitvoering van Mahlers Achtste Symfonie na zestien jaar een levensoeuvre af: een symfonie èn operaorkest opgebouwd. Anders dan bij DNO verliet hij zonder titel het orkest en werd hij nauwelijks meer teruggevraagd.

Logisch was het geweest om De Waart ook aan te stellen bij het NedPhO, maar de personele unie die tussen het orkest en het operabedrijf had bestaan, kon niet worden voortgezet omdat De Waart zijn eigen RFO niet wilde opgeven: "Dat is mijn orkest. Daarmee kan ik lezen en schrijven." Het NedPhO koos de Amerikaanse Rus Yakov Kreizberg, die werd gezien als een ideale vertolker van het Slavische repertoire. Een klik tussen hem en DNO c.q. Pierre Audi, bleef echter achterwege. Kreizberg dirigeerde tijdens zijn chefschap tussen 2003 en 2011 slechts twee producties. Eerst bracht hij in januari 2004 de onbekende Iolanta van Tsjaikovski in een steriele regie van Ivo van Hove, ondanks een sterke bezetting met zangers als de Russische bas Sergei Aleksasjkin en de Poolse bariton Andrzej Dobber een matig geslaagde toevoeging aan het Tsjaikovski-repertoire van DNO. Bejubeld werd daarentegen zijn tweede operaproductie in maart 2008, Janàcek's Katja Kabanova, in samenwerking met regisseur Willy Decker en met een indrukwekkende Amanda Roocroft in de titelrol.

'Katja Kabànova' in de regie van Willy Decker. Reprise 2008. Natascha Petrinsky (Varvara), Amanda Roocroft (Katja) (Foto Hans van den Bogaard)

Operachef of vader
"Ik ben blij met de benoeming, het is een belangrijke stap in mijn leven, ik begin eraan met veel optimisme, " verklaarde Edo de Waart in 1997 bij de bekendmaking van zijn benoeming vanaf 1999 bij DNO. "Pierre's artistieke credo is eindbepalend, " zei hij twee jaar later nadrukkelijk, maar in interviews daarna liet hij ook twijfel doorschemeren en begin 2002 liet hij zich in een interview ontvallen dat hij er eigenlijk geen zin meer in had chef-dirigent van DNO te zijn. Hij was een nieuw leven ingegaan toen hij in 1999 trouwde met de sopraan Rebecca Dopp. "Toen ik in 1997 het contract tekende, was zij er nog niet. Alles was anders."
Uit het huwelijk kwamen een dochter en een zoon voort, en de inmiddels 61-jarige De Waart vroeg zich af wat hij met zijn leven wilde: het kindergeluk voorbij laten gaan zoals tijdens een vroeger huwelijk of zich er juist op richten. Als hij, zoals hij het voorstelde, de hele ochtend bij een regie-repetitie moest zitten "om in drie uur drie keer drie minuten te dirigeren," verlangde hij ernaar met zijn kinderen te kunnen spelen.
Daarnaast plaatste hij een kanttekening bij de Amsterdamse praktijk om acht weken te repeteren. "Ik heb in de Met soms maar twaalf repetities en dat loopt voortreffelijk." De muzikaal leider van DNO raakte de interesse ook kwijt door zijn onvrede over voor hem onbegrijpelijke regie-concepten. "Er zijn weinig regisseurs met wie ik graag werk. Voor mij als musicus is het bij wijze van spreken worst wat er op het toneel te zien is; het gaat mij om de muziek. Ik ben conservatiever. Ensceneringen hoeven van mij niet altijd met motorfietsen of spacehelmen te zijn. DNO is mij soms iets tè serieus."
Toen hij een van zijn hartenwensen vervuld zag, Madama Butterfly, in januari 2003, ervoer hij de gestileerde, emotieloze verbeelding van Robert Wilson als een koude douche. In 1999 had hij bij zijn aantreden immers gewenst dat het "een gewone Butterfly moest worden, met Japanse schuifwanden, niet te ingewikkeld."

Scènefoto 'Madama Butterfly' in de regie van Robert Wilson. Reprise 2007 Ning Liang (Suzuki), Roxana Briban (Cio-Cio-San), Camiel van Assema (Dolore)
(Foto Hans van den Bogaard)

 
  Scènefoto 'Boris Godoenov' in de regie van Willy Decker. Reprise 2008.
Onder: John Tomlinson (Boris Godoenov), boven: Brian Asawa (Fedor), Koor van De Nederlandse Opera (Foto Marco Borggreve )

Ook Pierre Audi kon hij in februari 2002 moeilijk volgen in diens visie op Lohengrin. "Als Elsa eindelijk haar broer ontmoet, verwacht je dat zij hem in de armen sluit. Maar nee, op dat moment is ze weg. Ze is achter iets aan het doen, even naar de wc of zo - ik weet het niet. Ik mis dan het menselijke in de regie, de emotie. Op dat moment speelt het orkest zo romantisch mogelijk. Onbewust ga ik dat zo mooi mogelijk doen." De enige regisseur die hem enthousiasmeerde, was Willy Decker, zoals in mei/juni 2001: "Ik heb de mazzel met hem te werken in Boris Godoenov."

Geen Ring!
De terloopse mededeling in een interview in Trouw (februari 2002) dat hij wilde opstappen, sloeg bij Pierre Audi en Truze Lodder in als een bom. Als de muzikaal leider zich zo weinig gemotiveerd opstelde, was het onwenselijk zijn vijfjarig contract te verlengen. Dertien producties had het opgeleverd. Terugblikkend op zijn carrière bij DNO sinds zijn debuut, valt het op dat hij om de vijftien jaar drie keer Fidelio dirigeerde: in 1971 met Gré Brouwenstijn als Leonore, in 1986 met Luano de Vol en in 2003 met Inga Nielsen.
Zijn laatste voorstellingen betroffen Les Troyens en Der Rosenkavalier. De muzikaal en scènisch (Pierre Audi) spectaculaire Les Troyens waarin het Operakoor een glansrol speelde, vormde de opening van het seizoen 2003 - 2004. Willy Decker zorgde voor een Rosenkavalier (februari 2004) waarin de verglijdende wereld van Weense adel in steeds schuiner wordende decors werd verbeeld. In deze productie schitterde Susan Chilcott als Die Marschallin. De Waart nam afscheid met een werk dat hem in zijn jonge jaren bij de Nederlandse Operastichting roem had opgeleverd. In beide afscheidsproducties bouwde hij met 'zijn' Radio Filharmonisch Orkest meeslepende uitvoeringen op. Het waren de laatste keren dat de Hilversumse formatie in de bak van het Muziektheater zat. De NedPhO-musici haalden opgelucht adem.

Scènefoto 'Der Rosenkavalier' in de regie van Brigitte Fassbaender en Willy Decker. Reprise 2011 (Foto Monika Rittershaus)

Toch weer Haenchen
Het seizoen 2003 - 2004 was ook zeer memorabel wat betreft andere dirigenten. In de derde productie maakte de Belgische barokspecialist René Jacobs zijn debuut bij DNO met Händels geënsceneerde oratorium Samson. De vierde productie, Iolanta, leverde het debuut van Yakov Kreizberg op. De negende productie met Don Carlo betekende het afscheid van Riccardo Chailly in onze operabak, omdat hij het Koninklijk Concertgebouworkest ging verruilen voor het Gewandhausorchester in Leipzig. De opvallendste gebeurtenis in de bak was wel de terugkeer van Hartmut Haenchen aan het begin van een nieuwe cyclus van Wagner's Ring. Die was bij zijn aantreden speciaal gepland voor Edo de Waart, maar de leiding van DNO schrapte hem uit de opzet. De voorbereidingen waren echter al in gang gezet met zelfs rolwijzigingen op De Waarts verzoek (niet John Bröcheler als Wotan maar Albert Dohmen) en het enige alternatief was de terugkeer van Haenchen, de 'vaste gastdirigent' bij DNO. Zo verloor Edo zijn Ring en stak Hartmut die lachend aan zijn vinger.

Weliswaar stond De Waarts opvolger niet in de coulissen te wachten, maar het duurde niet lang voor de nieuwe chef zich presenteerde: Ingo Metzmacher. Ook hij liep de Ring mis.

Klik hier voor Roger Smeets: 'Ik ben een echte operazanger'
door Paul Korenhof


Klik hier voor deel 1
Klik hier voor deel 2
Klik hier voor deel 3
Klik hier voor deel 4
Klik hier voor deel 5
Klik hier voor deel 6
Klik hier voor deel 7
Klik hier voor deel 8


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links