Opera & Operette

Vijftig jaar DNO (2)

 

© Paul Korenhof en Franz Straatman, februari 2016

 

Deel 2 van een reeks artikelen naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van De Nederlandse/Nationale Opera(stichting). De gehele reeks, van de hand van Paul Korenhof en Franz Straatman en onder coördinatie van Peter Franken, verscheen eerder in het Bulletin van de Vrienden van DNO en schetst in chronologische opzet de geschiedenis van DNO met aanvullende achtergrondinformatie in de vorm van korte interviews met enkele direct betrokkenen.

*****

De eerste jaren - door Paul Korenhof

De jaren 1964-1970, toen de nieuw opgerichte Nederlandse Operastichting haar bestaansrecht moest bewijzen, waren een periode vol tumultueuze maatschappelijke ontwikkelingen. Vooral studenten en jonge kunstenaars stelden op alle terreinen gevestigde waarden ter discussie, wat onder meer in de toneelwereld leidde tot de Actie Tomaat en in het Concertgebouw tot het optreden van de Notenkrakers. Ook aan de Nederlandse operawereld ging deze stroming niet ongemerkt voorbij, maar demonstraties werden hier voorkomen door de jonge revolutionairen tijdig het uitzicht op een eigen speeltuin te bieden.

Een veel groter probleem was hier de noodzaak dat het nieuwe gezelschap zo snel mogelijk de beschikking zou krijgen over een goed geoutilleerd gebouw waarin onder optimale omstandigheden gespeeld en gerepeteerd zou kunnen worden. Weliswaar zou het nieuwe gezelschap niet meer beschikken over een orkest en een solistenensemble, maar aan de noodzaak van ateliers en repetitieruimten deed dat niets af. In heel Nederland bestond echter niet één theater dat voldeed aan de eisen die aan een volwaardig operatheater gesteld moesten worden. Onvermijdelijk werden gedurende de eerste jaren alle vragen omtrent zowel de structuur en de subsidiëring van het gezelschap als de benoeming van een intendant gekoppeld aan de vraag wanneer er een nieuw theater gebouwd zou worden en wie voor de kosten daarvan zou opdraaien. Weliswaar had het voordien niet aan plannen ontbroken, maar elk idealisme was kapotgelopen op praktische bezwaren - of op de vertragingstactiek van overheden die deze uitgavenpost maar al te graag voor zich uit schoven.

Wagnervereeniging
Een uiterst zwarte bladzijde vormde een beslissing van de Amsterdamse gemeenteraad in 1929. Onder voorzitterschap van de vermogende Julius Bunge had de Wagnervereeniging herhaaldelijk gepleit voor de bouw van een theater dat beter aan alle eisen zou voldoen dan de Stadsschouwburg en het Paleis voor Volksvlijt aan het Frederiksplein. Een door Bunge gefinancierde prijsvraag voor een theater op het Museumplein tegenover het Concertgebouw werd met glans gewonnen door de architect J.P. Staal, wiens ontwerp in januari 1929 de steun kreeg van B&W van Amsterdam. Om het plan extra aantrekkelijk te maken, zegde Bunge een bedrag van zes ton toe voor de bouw (omgerekend circa tien miljoen euro) op voorwaarde dat de gemeente een ton per jaar zou bijspringen in de exploitatie.
Het zou helaas anders lopen. Dirigent Willem Mengelberg, toch al geen operaliefhebber, was fel gekant tegen een theater pal tegenover zijn muziektempel en mede als gevolg van zijn lobby werd het plan op 7 maart 1929 met drie stemmen verschil verworpen. Tot overmaat van ramp werd precies zes weken later, in de nacht van 18 op 19 april, het Paleis voor Volksvlijt door een felle brand verwoest. De operaliefhebbers kwamen daarmee van de regen in de drup.

Ontwerp van architect Bijvoet voor een operatheater aan de Ferdinand Bolstraat in Amsterdam

De oude RAI
Een nieuwe fase trad in toen in de jaren vijftig door de Gemeente Amsterdam aan de architect Bernard Bijvoet opdracht gegeven voor het ontwerpen van een theater op de plaats van het afgebrande Paleis voor Volksvlijt. De discussies leidden echter wederom tot een eindeloos uitstel, onder meer doordat onder druk van De Nederlandse Bank het Frederiksplein als locatie verviel, maar in 1961 besloot de gemeente tot het ontwerpen van een theater op het terrein van de oude RAI aan de Ferdinand Bolstraat.
In de periode rond de oprichting van De Nederlandse Operastichting op 24 december 1964 werden de plannen concreter. Gestreefd werd naar de benoeming van een intendant van internationale allure, maar het was duidelijk dat niemand van enig aanzien veel lust had zich te verbinden aan een gezelschap zonder orkest, zonder ensemble en zelfs zonder een eigen huis.

Ondertussen oordeelde een in juni 1964 in het leven geroepen commissie dat het theater niet noodzakelijk in Amsterdam hoefde te staan. Leiden werd zelfs genoemd en in dat kader rees het plan om het Haagse Gebouw voor K&W, dat op dat moment gerenoveerd werd, zodanig uit te breiden dat de opera daar voorlopig onderdak kon vinden. Wederom sloeg echter het vuur toe, want precies zes dagen vóór de oprichting van de Operastichting werd de Haagse operatempel aan de Zwarteweg op zijn beurt een prooi van de vlammen.

Het Gebouw voor Kunsten & Wetenschappen in Den Haag
Het Circustheater in Scheveningen

Circustheater
Voor Den Haag betekende het wegvallen van K&W een verlies, maar de eigenaar van het afgebrande gebouw, de projectontwikkelaar Zwolsman, zette haast achter zijn plannen een stenen circus in Scheveningen om te bouwen tot een goed geoutilleerd Circustheater. Dat bleek niet ongunstig voor de Operastichting, die nog geen twee jaar later, op 4 oktober 1966, het nieuwe theater officieel opende met Fidelio . In de bak zat het door Willem van Otterloo geleide Residentie Orkest, terwijl het solistenteam werd aangevoerd door Gré Brouwenstijn (Leonore), Fritz Uhl (Florestan), Carpar Broecheler (Don Pizarro) en Arnold van Mill (Rocco). Twintig jaar lang zou het Circustheater het centrum van het Nederlandse operaleven blijven, al betekende dat wel dat de staf van het gezelschap en het personeel van de ateliers al die jaren vanuit Amsterdam heen en weer moesten reizen.

 
 
Maurice Huisman

De nieuwe RAI
Intussen had het Ministerie van O.K.&W. (Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen) besloten het nieuwe gezelschap een overgangssubsidie toe te kennen met als voetnoot dat de bouw van een theater niet op het terrein van de rijksoverheid lag. Dat alles maakte de zoektocht naar een intendant niet makkelijker, maar gelukkig diende zich een praktische oplossing aan. De problemen rond het operabestel hadden geleid tot de instelling van een adviescommissie met daarin onder meer Maurice Huisman, directeur van de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel. Deze gewiekste theaterleider zag kans zijn functie daar te verbinden met die van intendant in Nederland, waarbij de samenwerking van beide gezelschappen de Nederlandse problemen enigszins zou kunnen ondervangen.
Meteen bij de planning van het eerste seizoen, waarvoor het Circustheater nog niet beschikbaar was, ondervond Huisman waartoe de Nederlandse theatersituatie in de praktijk kon leiden. Bij zijn streven het nieuwe gezelschap met een groots opgezette productie te presenteren was de keuze gevallen op Richard Strauss' Der Rosenkavalier , maar een intensieve repetitieperiode met twintig solisten, een koor, figuranten en drie complexe decors bleek in de Stadsschouwburg onmogelijk. Noodgedwongen week Huisman uit naar de enige ruimte die hem ter beschikking stond: het in 1961 geopende gebouw nieuwe RAI-gebouw.

 
 
Anna Silja als Elektra en Gré Brouwenstijn als Chrysothemis in de regie van Wieland Wagner

Twintigste eeuw
Lof was er na de première op 17 november 1965 vooral voor de muzikale kant van de voorstelling met hoofdrollen van Gré Brouwenstijn als de Marschallin en Arnold van Mill als baron Ochs, en met een jonge Christina Deutekom als Annina. Het door Richard Kraus geleide Utrechts Stedelijk Orkest beet op waardige wijze het spits af in de nieuwe constellatie van de als operaorkest roulerende symfonieorkesten.
Meer kanttekeningen werden geplaatst bij de regie van toneelregisseur Johan de Meester en nog minder waardering was er voor de zaal in de RAI met een matige akoestiek en een weinig sfeervolle entourage. Voor producties van enige omvang had Huisman in de loop van het seizoen echter geen andere keuze en dus presenteerde hij er ook Puccini's Madama Butterfly in een geheel Italiaanse bezetting, en Manon van Massenet met Evelyn Lear en Franco Bonisolli. Verder programmeerde hij in dat eerste seizoen Le nozze di Figaro en Die Zauberflöte van Mozart met Cristina Deutekom als Königin der Nacht, haar eerste en voorlopig enige hoofdrol bij bij de Operastichting, en Wozzeck van Alban Berg, een werk dat daarvoor uitsluitend in gastvoorstellingen te zien was geweest.
Tijdens het Holland Festival 1966 volgden Verdi's Don Carlos onder Bernard Haitink, terwijl Bruno Maderna, algemeen gevierd als specialist voor eigentijdse muziek, de wereldpremière van Labyrint van Peter Schat (muziek) en Lodewijk de Boer (libretto) dirigeerde als eerste in een reeks opmerkelijke producties in Theater Carré. Daarnaast gaf Huismans ruim baan aan een nieuw opgezette opera Studio waarin jonge solisten, onder wie in de beginfase latere coryfeeën als Henk Smit en Marco Bakker, in het kader van een vervolgopleiding praktijkervaring konden opdoen. In dat eerste jaar verzorgde de Opera Studio behalve voorstellingen van Puccini's La bohème de Nederlandse premières van The Medium en The Telephone van Gian Carlo Menotti en van Albert Herring van Benjamin Britten. Het vermelden waard is dat met het totale repertoire in dat eerste seizoen onder Huisman meer dan de helft van de aandacht uit naar muziek uit de twintigste eeuw.

Peter Schat (m.) en Bruno Maderna (r.) met het team van 'Labyrint'
(foto Maria Austria)

Internationaal niveau
In het kader van de overgangssubsidie was ook het seizoen 1966-1967 nog bescheiden van omvang. Geopend werd in het Circustheater met de reeds genoemde productie van Fidelio, meteen daarop gevolgd door een weer geheel Italiaans bezette Andrea Chénier van Giordano met onder meer Renato Bruson als Gérard. Later in het seizoen volgden Mozart's Così fan tutte en Verdi's Rigoletto met 'grote namen' al Teresa Zylis-Gara (Fiordiligi) en Manuel Ausensi (Rigoletto) naast een nog jonge Ileana Cotrubas (Gilda), maar ook met veel Nederlanders onder wie Sophia van Sante (Dorabella en Maddalena), Guus Hoekman (Don Alfonso), Wilma Driessen (Gilda), Pieter van den Berg (Sparafucile), Mimi Aarden en Anny Delorie (evenaans als Maddalena). Twee werken die voor het eerst op de affiche stonden, waren Wagner's Götterdämmerung en Elektra van Richard Strauss, die laatste opera in een toen al legendarische productie van Wieland Wagner met afwisselen Anja Silja en Marijke van der Lugt in de titelrol en met Gré Brouwenstijk als Chrysothemis. In het Holland Festival keerde Silja bovendien terug voor Bergs tweede opera, Lulu, eveneens in de regie van Wieland Wagner, en Bruno Maderna liet zich van een andere kant zien met Monteverdi's L'Orfeo, een tweede opmerkelijke Carré-productie.

'L'Orfeo' in de regie van Raymond Rouleau (foto Maria Austria)

Met die eerste twee seizoenen was de lijn uitgezet: veel aandacht voor het modernere repertoire en voor werken van naam die voordien weinig aandacht hadden gekregen, terwijl in de uitvoeringen gestreefd werd naar een duidelijk 'internationaal niveau'. Het Ministerie van CRM (Cultuur, Recreatie, Maatschappelijk werk) dat ondertussen het Ministerie van OK&W had opgevolgd, besloot daarom de subsidiëring in zes jaar tijd te laten oplopen van vier tot tien miljoen gulden, maar de minister verwachtte wel van de Amsterdamse en provinciale overheden dat het nieuwe theater nog in de eerste helft van de jaren zeventig bespeeld zou kunnen worden.
Voor Huisman werd het nu mogelijk uitgebreider te programmeren, oplopend tot veertien producties in zijn zesde seizoen, maar het leidde tevens tot zijn besluit zich uit Nederland terug te trekken. Seizoenen met twaalf of meer producties en circa 120 voorstellingen vroegen niet alleen om een uitbreiding van de staf en het vaste personeel, maar ook om een intendant die zijn aandacht niet over twee theaters hoefde te verdelen.

Het schrijverscollectief van 'Reconstructie': v.l.n.r. Hugo Claus, Louis Andriessen, Misha Mengelberg, Reinbert de Leeuw, Peter Schat, Harry Mulisch en Jan van Vlijmen
 
'Reconstructie' (scènefoto)
 
'Reconstructie' (scènefoto)

Revolutionair collectief
Het zoeken naar een nieuwe intendant begon mede vanuit het besef dat met de maatschappij ook de positie van de opera en die van het nieuwe theater veranderd waren. De jaren zestig met de hippies, de flower power en de Vietnam-oorlog vormden tevens de periode waarin alle gevestigde waarden ter discussie werden gesteld. Ook in de opera. Veelzeggend was de ophef rond Labyrint van Peter Schat, een multicultureel spektakel met voor velen als dieptepunt de scène waarin de acteur Ko van Dijk in de piste van Carré dwars door een spelend Utrechts Stedelijk Orkest werd achternagezeten door drie boksers. Veel oudere operaliefhebbers spraken er schande van, de discussie over de immense productiekosten (vijf ton) hield ook buiten de kunstwereld tallozen bezig en het merendeel van de kritieken was zuur met koppen als 'Peter Schat verdwaalde in eigen labyrint' en zelfs zinnen als 'het gemis aan ware inhoud moest gemaskeerd worden door een constant dierlijk gebrul' (Wim Thijsse in Het Vaderland ).

 
 
Marga Klompé, de eerste vrouwelijke minister

Dat alles was echter nog maar een voorspel tot de culturele aardbeving die rond het Holland Festival 1969 door een revolutionair collectief in datzelfde Carré werd teweeggebracht met de ambitieus opgezette 'moraliteit' Reconstructie . Op een libretto van Harry Mulisch en Hugo Claus en met muziek van Misha Mengelberg, Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Jan van Vlijmen en wederom Peter Schat werd - na een 'studiereis' naar Cuba - ten strijde getrokken tegen het 'Amerikaans imperialisme'. Felle protesten in de pers en vragen in de Tweede Kamer waren het gevolg, maar cultuurminister Marga Klompé weigerde iedere aantasting van de artistieke vrijheid.
Weliswaar bleef het bij een eenmalige serie (uitverkochte) voorstellingen, maar de toon was gezet en in de operawereld waren gevestigde waarden niet meer heilig. Voor de jongere generaties had 'muziektheater' een andere inhoud dan 'opera' voor de oudere en zelfs de vorm van de zalen waarin gespeeld werd, stond ter discussie. Op zich was dat ook helemaal niet erg, ware het niet dat dit leidde tot weer een nieuwe discussie rond het nieuwe theater: dat mocht opeens geen 'schoenendoos' meer zijn, maar moest een 'multifunctionele ruimte' worden!

Indrukwekkend afscheid
Voor Huisman was het ongetwijfeld een opluchting dat hij de verdere confrontatie met Neerlands artistieke revolutionairen aan zijn opvolger mocht overlaten. Zijn bewind sloot hij in 1970-1971 indrukwekkend af met veertien producties, waaronder naast enkele nieuwere werken (opera's van Ton de Leeuw, Wolfgang Fortner en Ton de Kruijf) een drietal dat nog lang tot de kern van het repertoire zou behoren: L'Ormindo van Francesco Cavalli in de productie die Günther Rennert in 1967 had ontworpen voor Glyndebourne, Donizetti's Lucia di Lammermoor in de regie van John Copley, en Verdi's Nabucco in de regie van Filippo Sanjust. In de laatste twee werken werden bovendien centrale rollen vertolkt door de bariton Jan Derksen die in 1968 bij de Operastichting debuteerde in Puccini's Tosca. Hij werd daarmee een van de verbindende schakels met een nieuwe periode, waarin naast de introductie van minder bekend repertoire ook het aandeel van Nederlandse solisten weer tot de centrale elementen zou gaan behoren.

Klik hier voor deel 1
Klik hier voor deel 3
Klik hier voor deel 4
Klik hier voor deel 5
Klik hier voor deel 6
Klik hier voor deel 7
Klik hier voor deel 8
Klik hier voor deel 9
Klik hier voor deel 10


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links