Opera & Operette

Vijftig jaar DNO (6)

 

© Paul Korenhof en Franz Straatman, oktober 2016

 

Deel 6 van een reeks artikelen naar aanleiding van het vijftigjarig bestaan van De Nederlandse/Nationale Opera(stichting). De gehele reeks, van de hand van Paul Korenhof en Franz Straatman en onder coördinatie van Peter Franken, verscheen eerder in het Bulletin van de Vrienden van DNO en schetst in chronologische opzet de geschiedenis van DNO met aanvullende achtergrondinformatie in de vorm van korte interviews met enkele direct betrokkenen. In deze aflevering aandacht voor de laatste fase in de roerige ontstaansgeschiedenis van Het Muziektheater en het kortstondige, maar voor het operaleven zelf nog roeriger bewind van de laatste echte intendant, Jan van Vlijmen.

*****

De slag om het Waterlooplein - door Paul Korenhof

De eerste jaren na de oprichting van De Nederlandse Operastichting vormde de bouw van een eigen theater een vast element in alle onderhandelingen, persconferenties en wat dies meer zij, maar halverwege de jaren zeventig leek het of iedereen de hoop had opgegeven. Teleurstelling en moedeloosheid gaven daarbij de doorslag en dat was na een halve eeuw touwtrekken niet onbegrijpelijk, zeker na de hoog opgelopen emoties rond het terrein van de oude RAI aan de Ferdinand Bolstraat, waarvoor de architecten Bijvoet en Holt in februari 1963 het ontwerp hadden gepresenteerd. De discussie daarover overtrof alle voorgaande in omvang en heftigheid, en zelfs veel voorstanders keerden zich tegen de bouw van een theater in De Pijp, een 'buurt zonder cultuur' die als 'rommelig' en 'niet representatief' werd beschouwd. 1)

Dan maar in De Pijp
Even leek het er op dat het plan nog een kans kreeg als - aldus wethouder Han Lammers - 'het dagelijks leven zich kan mengen met het kunstleven'. Dat betekende dat in het theater onder meer ruimte zou zijn voor een groepspraktijk voor artsen, een bejaardenhulpdienst en een kindercrèche, maar dat bleek geen haalbare kaart. Uiteindelijk triomfeerden de tegenstanders en een nieuw college van B&W plaatste in 1974 het muziektheater onderaan op de prioriteitenlijst.
Ondertussen ging ook het Circustheater zich roeren. Voor de exploitatie daarvan was het belangrijk of Scheveningen definitief de zetel van de Operastichting zou worden en die dreiging schudde in Amsterdam een paar mensen wakker. Daarop zonden bestuur, directie en medewerkers van de Operastichting op 6 november 1978 een telegram aan de gemeenteraad waarin zij erop aandrongen dat de hoofdstad eindelijk haar beloften zou nakomen. Dan maar op de plaats van de oude RAI die bouwrijp lag te wachten tot het vijftien jaar oude ontwerp van Bijvoet en Holt kon worden uitgevoerd. Deze smeekbede werd ondersteund door het Nationale Ballet dat eveneens het nieuwe theater zou gaan bespelen, maar ondanks vage beloften heerste er daarna weer een half jaar absolute stilte.

De Stopera
De doorbraak kwam dankzij de Oostenrijker Wilhelm Holzbauer, architect van het beoogde stadhuis aan het Waterlooplein. Ook zijn plannen waren ten prooi gevallen aan politiek geharrewar en een verlammend inspraakmechanisme, maar de uiteindelijke doodsteek was gegeven door nieuwe energiebepalingen. Dat weerhield hem er niet van regelmatig naar Amsterdam terug te keren en wandelend over de Blauwbrug kreeg hij in april 1979 opeens een inval. Plaatsing van het operatheater binnen het L-vormige hoofdgebouw van zijn stadhuisplan zou voor beide gebouwen een aanzienlijke kostenbesparing opleveren en de mogelijke realisatie mogelijk een flinke stap dichterbij brengen.

Wilhelm Holzbauer (l.) met de maquette van zijn ontwerp voor de Stopera

Nog diezelfde avond schreef Holzbauer een brief aan burgemeester Polak die meteen de niet meer zo jonge Bijvoet (90) en Holt (76) voor het blok zette, nadat hij al had geregeld dat hij enkele dagen later met drie wethouders het plan zou voorleggen aan premier Van Agt en de betrokken ministers. Die lieten er geen gras over groeien en via de televisie hoorden de nog steeds verbouwereerde architecten dat de regering het geld voor de bouw beschikbaar stelde als de samenvoeging van stadhuis en theater inderdaad gerealiseerd kon worden.
Het laatste woord was aan de al even overdonderde gemeenteraad die op 25 april 1979, een halve eeuw nadat de bouw van een theater op het Museumplein was getorpedeerd, na een wederom chaotisch debat met de nieuwe plannen instemde. Kort daarop begonnen de voorbereidingen voor de bouw van 'de Stopera', maar zonder Bijvoet en Holt. Toen de eerste eind 1979 overleed, trok ook Holt zich terug en werd hun taak overgenomen door diens schoonzoon Cees Dam.

De eerste paal
Amsterdam zou Amsterdam niet zijn als de bouw niet vanaf het eerste moment werd begeleid door eindeloze protesten tegen deze 'elitaire' cultuurtempel, regelmatig ontaardend in geweld en vernielingen. Tegelijkertijd struikelden journalisten en een deel van de Amsterdamse intelligentsia over elkaar in hun ijver zo vaak en zo luid mogelijk te betogen hoe ridicuul en wanstaltig het nieuwe ontwerp wel was.
Door dat alles duurde het tot juli 1982 eer de eerste paal de grond in kon en daarmee leek de rust terug te keren. Er was alleen nog een laatste stuiptrekking van demonstrerende tegenstanders toen Het Muziektheater op 23 september 1986 officieel zijn deuren opende. Het maakte dat veel genodigden van buiten voor alle zekerheid verwezen werden naar parkeerterreinen aan de rand van de stad om daarna met bussen naar het Waterlooplein te worden vervoerd, terwijl koningin Beatrix en prins Claus via de artiesteningang naar binnen werden geloodst.

De bouw in volle gang, eindelijk (foto Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam)

Nieuwe problemen
Voor De Nederlandse Operastichting brak nu een nieuwe fase aan en op 1 maart 1984 werd bekend dat bij het ingaan daarvan Hans de Roo zou worden opgevolgd door Edo de Waart in de dubbelfunctie van intendant en chefdirigent. Het merendeel van de begeleidingen zou bovendien worden verzorgd door het eveneens door De Waart geleide Nederlands Philharmonisch Orkest dat in 1985 moest ontstaan uit een fusie van het Amsterdams Philharmonisch Orkest, het Utrechts Symfonie Orkest en het toenmalige Nederlands Kamerorkest Al snel besefte De Waart dat hij daarmee wel erg veel hooi op zijn vork nam en dat de Operastichting beter kon omzien naar een andere intendant. Uit ongenoegen over de manier waarop de orkestfusie verliep, verbrak hij vervolgens zijn banden met het NedPhO en uiteindelijk liet hij weten dat hij bij DNO eveneens terugtrad als chefdirigent.
Een ander probleem vormde de breedte van het toneel in Het Muziektheater. Vrijwel alle bestaande decors zouden er in het niet vallen, terwijl het financieel en organisatorisch onmogelijk was het hele eerste seizoen te vullen met nieuwe producties. Die breedte maakte het ook lastig met een voorstelling naar andere theaters te reizen, zodat zoveel mogelijk publiek naar Amsterdam gelokt moest worden. Daarbij kwam dat nu een zaal gevuld moest worden met de dubbele omvang van de Stadsschouwburg en voor iedere voorstelling moesten dus twee keer zoveel kaarten verkocht worden als voorheen.

 
 
Jan van Vlijmen

Van Vlijmen
De benoeming van de componist Jan van Vlijmen tot intendant leek een schot in de roos. Niet alleen kende hij de muziekwereld van haver tot gort, maar als directeur van het Haags conservatorium en lid van talloze besturen en commissies was hij ook uiterst bedreven in het politieke spel. Toen het NedPhO vervolgens een nieuwe chef vond in Hartmut Haenchen die een jaar eerder met Elektra zijn visitekaartje had afgeleverd 2), aarzelde Van Vlijmen geen moment en verbond de Duitse dirigent meteen aan De Nederlandse Opera, zoals het instituut nu ging heten.

De opening
Achteraf moeten we constateren dat de eerste seizoenen in Het Muziektheater voor een deel bestonden uit noodgrepen en niet representatief waren voor een artistiek beleid. Het waren jaren van aftasten en improviseren in een gebouw waarin vier partijen bezig waren hun eigen identiteit af te bakenen: DNO, het Nationale Ballet, de Stichting Muziektheater en de TOM (Technische Organisatie Muziektheater) waarin alle afzonderlijke ateliers en technische diensten waren verenigd.

 
 

Scènefoto 'Ithaka' met Ruby Hinds (Star) (foto Leo van Velzen)

Typerend voor de moeizame interne verhoudingen was dat bij de feestelijke opening iedere samenwerking tussen opera en ballet onmogelijk bleek. Met twee verschillende orkesten en dirigenten zagen de genodigden vóór de pauze de wereldpremière van Ithaka van Otto Ketting en na de pauze Zoals Orpheus, een nieuw ballet van Toer van Schayk op muziek van Stravinsky. Zelfs het gezamenlijke programmaboek had de nodige voeten in de aarde, zoals blijkt uit het feit dat DNO en Het Nationale Ballet daarin een eigen dagvel met een eigen programmaformaat en een eigen typografie lieten opnemen.

Nog meer problemen
Ook de start van het eigenlijke seizoen met Falstaff verliep moeizaam. Hans Vonk stemde erin toe voor Edo de Waart in te springen, maar eiste wel de medewerking van zijn Residentie Orkest in plaats van het NedPhO. Bovendien vielen de decors veel duurder uit dan begroot was en waren zij zo gigantisch dat de TOM de grootste moeite had de voorstelling op het toneel te krijgen. Tot overmaat van ramp bleek een slecht voorbereide Liviu Ciulei bepaald niet de juiste regisseur voor Verdi's sprankelende komedie.

Scènefoto 'Falstaff' met Ashley Putnam (Alice), Timothy Noble (Falstaff)
(foto Jaap Pieper)

Beter verging het de 20ste-eeuse muziek: een combinatie van Falla's El retablo de Maese Pedro en L'heure espagnol van Ravel, Doktor Faust van Busoni en een uit Hamburg geïmporteerde voorstelling van Zemlinski's Der Kreidekreis . En van de drie oude producties die voor Het Muziektheater een beetje werden opgeblazen, werd een door Monique Wagemakers totaal gereviseerde Madama Butterfly zelfs een ware voltreffer, niet op de laatste plaats dankzij de Japanse sopraan Hiroko Nishida.

Scènefoto 'L'heure espagnol', v.l.n.r. Pieter van den Berg (Don Inigo Gomez), Hein Meens (Torquemada), Jean-Philippe Lafont (Ramiro), Anne Howells (Concepcion), Laurence Dale (Gonzalve) (foto Majer-Finkes)

Hiroko Nishida als Cio-Cio San in 'Madama Butterfly' (foto Jaap Pieper)

 
 

Dagmar Schellenburger als Arianna in 'Giustino' (foto Arvid Lagenpusch)

 
 

Giustino met Jochen Kowalski

Publiekssucces
Om het tekort aan eigen producties te ondervangen streek in januari 1986 de Komische Oper Berlin in Het Muziektheater neer met drie opera's onder leiding van Haenchen en in de regie van Harry Kupfer. Boris Godoenov van Moesorgski werd een half-Nederlandse half-Duitse productie, maar voor Lear van Aribert Reimann en Giustino van Handel kwam het voltallige ensemble van de Komische Oper naar het Waterlooplein voor een enthousiast ontvangen minifestival.
Op dat moment werd achter de schermen al hard gewerkt aan een voorstelling die een ongekend publiekssucces zou worden: Rossini's Il barbiere di Siviglia in een kleurrijke enscenering van de Italiaanse theatermaker Dario Fo. Misschien kunnen we beter spreken van twee voorstellingen, want er werden twee versies tegelijk voorbereid met verschillende solisten en dirigenten: een 'grote' voor Het Muziektheater en een 'kleine' waarmee DNO nog één keer door het land zou reizen. Het eerste seizoen aan het Waterlooplein werd besloten met een sterk maar aanzienlijke minder hilarische visie van Johannes Schaaf op Die Fledermaus met in de bak het Concertgebouworkest onder Nikolaus Harnoncourt.

Scènefoto 'Il barbiere di Siviglia' (reprise 1991) (foto Jaap Pieper)

De Italiaanse regisseur Dario Fo (1926-2016), tijdens het eerste seizoen in Het Muziektheater verantwoordelijk voor een productie van Rossini's 'Il babiere di Siviglia' die zou uitgroeien tot het grootste en naar diverse landen geëxporteerde succes van DNO.

Truze Lodder
Al met al kon een seizoen dat ondanks de opening van Het Muziektheater in mineur begon, duidelijk in majeur worden afgesloten, althans naar buiten toe, want achter de gevels van Het Muziektheater woedden ijzige stormen. Het beleid van Van Vlijmen had in achttien maanden tijd een tekort van circa zeven miljoen gulden opgeleverd en pogingen die overschrijdingen een halt toe te roepen hadden alleen maar tot gevolg dat intendant en ondernemingsraad lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan. De situatie werd er niet beter op door de autocratische opstelling van Van Vlijmen, die bijvoorbeeld zonder één woord van overleg de door iedereen gekoesterde Opera Studio had opgeheven.
Uiteindelijk was het bestuur gedwongen in te grijpen en in september 1987 moest Van Vlijmen accepteren dat Truze Lodder als financieel directeur naast hem werd geplaatst, maar daarmee was de onrust niet bezworen. Twee maanden later bleek het verzet tegen zijn functioneren zelfs zozeer toegenomen, dat hij zich gedwongen zag zijn functie met onmiddellijke ingang neer te leggen. Daarmee brak voor DNO een geheel nieuw tijdperk aan.

Klik hier voor De maarschalk pakte niet door - door Franz Straatman

___________________
1)Bronnen voor deze aflevering waren onder meer:
Max van Rooy & Bas Roodnat: De Stopera - Een Amsterdamse geschiedenis, Amsterdam 1986
Franz Straatman: De witte kuif op het frontbalkon , Amsterdam 2009
2)Vrienden Bulletin juni 2015, p. 38

Klik hier voor deel 1
Klik hier voor deel 2
Klik hier voor deel 3
Klik hier voor deel 4
Klik hier voor deel 5
Klik hier voor deel 7
Klik hier voor deel 8
Klik hier voor deel 9
Klik hier voor deel 10


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links