Opera & Operette

Vijftig jaar DNO:

De maarschalk pakte niet door

 

© Franz Straatman, oktober 2016

 

In Der Rosenkavalier heeft de Marschallin het voor het zeggen. De vrouw van de maarschalk zit echter wel in spanning of haar echtgenoot, de Feldmarschall, niet plots de kamer binnen zal komen als zij met haar jonge minnaar Octavian aan het rollebollen is. De maarschalk komt niet; die is ver weg op jacht Toch is de maarschalk aanwezig, de hele avond dat de opera duurt. Hij staat in de bak, dirigerend. Wie geen Orchestermarschall is, kan het enorme leger aan zangers en orkestmusici niet beheersen. Edo de Waart bewees op 2 juni1976, kort voor zijn 35-ste verjaardag, dat zijn dirigeerstokje een maarschalksstaf waardig was. "Hij blijkt de hondsmoeilijke partituur tot in de kleinste details te beheersen en hij besteedt al zijn talent en liefde aan deze muziek om er met zijn schitterend spelende Rotterdams Philharmonisch Orkest de allerbeste verklanking van te geven." Aldus een van de recensies. De loftuitingen zijn nog steeds controleerbaar, want kort na de opvoeringen werd in de Rotterdams Doelen Der Rosenkavalier voor de plaat opgenomen. Later heruitgegeven als cd. In de luxe uitgegeven platendoos staan in de bijlagen foto's van het muziekleger. Edo de Waart heerste er met élan.

Edo de Waart (foto Frans Schellekens)

Aan zijn stokje
Dat had hij tijdens de vijf voorafgaande jaren in stijgende lijn getoond. Zijn muzikaal gezag was al in de zestiger jaren gebleken toen hij met het jonge Nederlands Blazers Ensemble fantastische opnames maakte van Mozarts Gran Partita en Dvoraks Serenade, nog steeds klinkend dankzij plaat en cd. Hij won ook een prestigieus dirigentenconcours in de V.S. De Italiaans-Amerikaanse componist Carlo Menotti wilde hem als groots talent aan zijn festival verbinden. Hij wees het af. Het was toeval dat De Waarts eerste bezigheid bij de Operastichting The Saint of Bleeker Street betrof (mei 1970), van Menotti, en geregisseerd door Menotti. Belangrijker werd voor hem ruim een half jaar later Fidelio, opgezet rond het afscheid van Gré Brouwenstijn. "Hij heeft ons allemaal aan zijn stokje hangen," verklaarde zij als oude rot in het vak over haar jonge collega.
De maarschalk kwam uit zijn cocon. Met drie Stravinsky's achter elkaar ( The Rake's Progress, De Vos en De Soldaat) en zijn eerste Wagner (Lohengrin) in 1972 ontplooide hij de eerste tekenen van zijn veelzijdigheid. Zijn groei als operadirigent kwam sterk tot uitdrukking bij de herneming van de Lohengrin- productie begin 1976 toen hij - volgens een recensent - een "rijpere en beduidend evenwichtiger visie op het werk gaf. Het fraai gespeelde voorspel bleek zijn opvatting van Lohengrin in een notendop weer te geven: brede tempi, een heldere, nooit vette orkestklank, grote lijnen en vooral een zeer subtiel uitgebalanceerde dynamiek."

Zangersgezicht
"Er zal best een Edo de Waart sound zijn," merkte hij eens op. "Een partituur moet niet één dimensionaal zijn, daar moet je in kunnen kijken, als in een kijkdoos." Termen als 'rondborstig' en 'absolute helderheid' gebruikten recensenten om de 'De Waart sound' te beschrijven. Interessant zijn in dit verband foto's van de dirigerende De Waart. Behalve een linkerhand in voortdurende staat van expressie, toont ook de mond met getuite lippen een streven naar bezielde zangerigheid. Een zangersgezicht. "Ik houd erg van zang. Als er een engeltje uit de hemel zou komen en mij een wens liet doen, dan zou ik meteen een heel mooie stem wensen. Dirigeren hoefde van mij dan niet meer." De schoonheid van de zang was hem als zoon van een operazanger, lid van het Operakoor, met de paplepel ingegeven. Bij wie kon hij zich beter vinden dan bij de muziek van Wagner, Strauss en Verdi?
Van laatstgenoemde kreeg hij meteen een stevige kluif, Aïda in de spraakmakende productie van Götz Friedrich in Carré. Deze regisseur zette De Waart nóg een Verdi neer: Falstaff. Wagner werd echter zijn favoriet. "Ik ben een overtuigd Wagneriaan," verklaarde hij al in 1972, toen hij met Lohengrin aan de slag ging, zijn eerste opera met het Rotterdams Philharmonisch Orkest, waar hij in 1967 als vaste dirigent was binnengehaald en per september 1973 het chefschap overnam. Het betekende dat opera even op een lager pitje werd gezet om de Rotterdammers naar een hoger niveau te kneden en het takenpakket van een chef in de vingers te krijgen. Na 1976 kwam De Waart echter weer vol aan en in de bak met als dubbel slotakkoord de hernomen Kupfer-productie van Fidelio en een uit Engeland overgenomen, op Carré toegesneden Meistersinger. Hij sloot er het tijdperk van De Roo mee af, en tevens dat van de Nederlandse Operastichting. Ook zijn eigen tijdperk, zoals spoedig bleek, waarin hij 24 verschillende titels dirigeerde, met hernemingen er bij 31 producties.

Chef èn intendant
Ook al stelde de Operastichting Hans Vonk in 1976 aan als chefdirigent, toch was het Edo de Waart die echt meedacht over de toekomst van opera in Nederland. Je hoorde en las zijn ongeduld over het uitblijven van een nieuw operagebouw. Waarom Carré niet verbouwen en het toneelhuis uitbreiden met een aanbouw over de achterliggende gracht, riep hij al in 1974. Een idee dat zo'n kwart eeuw later inderdaad werd gerealiseerd. Hij dacht ook in rogrammatische zin mee, maakte seizoensvoorstellen toen het Muziektheater in 1984 gebouwd ging worden. Het bestuur en intendant De Roo zagen de maarschalksstaf en boden hem de positie van chefdirigent aan en, als De Roo na vijf jaar met pensioen zou gaan, het intendantschap.
Uiteindelijk zei hij op beide punten nee. Hij pakte niet door toen De Roo aankondigde in 1986 al te willen stoppen om gezondheidsredenen. Hij had in de aanloopperiode ontdekt zich niet geschikt te voelen als regelaar, organisator. Hij wilde dirigeren. Hij pakte ook niet door toen uit de reorganisatie van de Nederlandse orkesten geen nieuw operaorkest zou komen, gevormd op basis van kwaliteitsnormen. De Waart concludeerde dat een maarschalk geen strijd kan winnen met een in zijn ogen ondermaats leger.
In zijn eigen opzet voor de opening van het Muziektheater had hij Der Rosenkavalier gepland. Het is tragisch om vast te stellen dat een voor opera in de wieg gelegde Nederlandse dirigent zichzelf wel buiten spel moest zetten.

Terug naar Vijftig jaar DNO (6)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links