T

Opera & Operette

Vijftig jaar DNO:

Roger Smeets: 'Ik ben een echte operazanger'

 

© Paul Korenhof, mei 2017

 

Geen Nederlandse solist heeft aan zoveel DNO-producties meegewerkt en de afgelopen dertig jaar zo vaak in Amsterdam op het operatoneel gestaan als de bariton Roger Smeets. Toch zullen maar weinig operabezoekers hem op straat herkennen en slechts zelden zal hij het onderwerp zijn van pauzegesprekken. Voor de 'huiscomprimario'van DNO is dat geen probleem. Hij debuteerde in 1983, toen nog als lid van de Opera Studio, als '2. brabantische Edle' in Lohengrin, zong datzelfde seizoen daarna nog in Winter Cruise van Hans Henkemans en The Beggar's Opera van John Pepusch, en bij de Studio in Comedy on the Bridge van Bohuslav Martinu, A Man of Feeling van Stephen Oliver en de titelrol in Rossini's Il barbiere di Siviglia.

Roger Smeets (Foto Hans Hijmering)

Harry Kupfer
In het jubileumseizoen 2016-2017 stond Roger Smeets nog steeds bij DNO op het toneel, nu als officier in Dialogues des Carmélites en als Varsonafiev in Chovansjtsjina. In de dertig jaar daartussen ligt naast een groot aantal kleine rollen bij DNO een indrukwekkende carrière als hoofdrolsolist aan andere theaters. De basis daarvoor werd gelegd toen hij - nog in zijn Studio-tijd - werd geïntroduceerd bij regisseur Harry Kupfer, die toen bij de Komische Oper Berlin een Da Ponte-cyclus voorbereidde en op zoek was naar een jonge Graaf Almaviva.
Tussen Kupfer en Smeets klikte het meteen en daarmee begon voor de jonge Nederlandse bariton een belangrijke periode in het tweede theater van het toenmalige Oost-Berlijn. Op Graaf Almaviva, die hij in de enscenering van Kupfer circa 180 keer gezongen heeft, volgden de titelrol in Don Giovanni en een groot aantal andere rollen in opera's en operettes, maar ook in musicals als Sweeney Todd en Kiss Me Kate.
In het centrum stond het werken met Kupfer, in die tijd intendant en huisregisseur van het in 1947 door Walter Felsenstein opgerichte (Oost-)Berlijnse ensemble. Onder diens leiding was de Komische Oper vermaard geworden door haar lange repetitieperioden en minutieus uitgewerkte voorstellingen. Die lijn werd doorgetrokken door Kupfer, die voor Le nozze di Figaro nog drie volle maanden kon uittrekken:
"Dat was een hele luxe, maar ik was toen 26 en het was heerlijk om als jonge zanger op die manier in je eerste grote rollen terecht te komen. Er werd zo intensief gewerkt, ook op het muzikale gedeelte, dat het geen week te veel was. Al vóór de première bood Kupfer mij toen de titelrol in Don Giovanni aan en daarna heb ik onder meer met Adolf Dresen Jevgeni Onegin gedaan, allemaal overigens wel in het Duits zoals daar toen nog de gewoonte was. Felsenstein wilde echt dat de bezoekers van de Komische Oper helemaal meegezogen werden in de handeling, dat zij alle grapjes begrepen en hij maakte vaak ook zijn eigen vertalingen."

Scènefoto 'Rosa' (Peter Greeneway) met Marie Angel (midden) en Roger Smeets en Christopher Gillett als The Cowboys (Foto Deen van Meer)

Vaderfiguur
Voordat Roger Smeets naar Berlijn vertrok, had hij als Studio-lid bij DNO nog precies de laatste seizoenen meegemaakt onder leiding Hans de Roo:
"En ik moet eerlijk zeggen dat ik bij dat Studio-programma heel veel baat heb gehad. Verder was het een ontzettend gemoedelijke sfeer. De Roo zat daar 's middags in de kantine achter een broodje en een glas melk als een patriarch, een vaderfiguur. Hij heeft ook Nederlandse solisten enorm veel mogelijkheden geboden: Cristina Deutekom, Jan Blinkhof, Henk Smit, Pieter van den Berg, noem maar op."
Gevraagd naar een belangrijk verschil tussen toen en nu moet Smeets even nadenken:
"De tijd verandert en daarmee ook de opera, maar ik heb wel het idee dat er toen meer tijd was. Ten dele hangt dat samen met het feit dat vooral sommige moderne regisseurs meer tijd vragen, en met het feit dat we nu met opera en ballet in één gebouw zitten. In de tijd van De Roo was het misschien drukker omdat de Opera ook een reisfunctie had, maar juist doordat er bijvoorbeeld gelijktijdig in de studio in Amsterdam en in het Circustheater gerepeteerd kon worden, was het toen misschien ook makkelijker om meerdere producties tegelijk voor te bereiden. Op een gegeven moment ging een productie gewoon het huis uit en dat gaf toch een bepaald gevoel van rust."

Uitgangspunten
"Als ik zeg dat ik nu prettiger werk, heeft dat vooral te maken met de ervaring die ik inmiddels heb opgedaan. Daar staat tegenover dat je vroeger echte operaregisseurs had, terwijl er vooral sinds de opening van Het Muziektheater steeds meer regisseurs zijn gekomen van buiten de opera, vooral uit de toneelwereld. Zo'n regisseur heeft andere uitgangspunten, gaat soms helemaal van het toneelstuk uit en dan krijg je toch een soort confrontatie met het feit dat de operacomponist ook zijn interpretatie op het verhaal heeft losgelaten. En natuurlijk is zo'n regisseur gewend om met gesproken teksten de timing naar zijn hand te zetten, terwijl die in de muziek bij voorbaat vast ligt."
"Een andere ontwikkeling krijg je met mensen als de choreografe Sasha Waltz die vanuit de beweging weer met een heel andere regievorm komen. Pierre Audi bewandelt weer een heel andere weg. Hij gaat echt uit van de vormgeving en op basis daarvan gaat hij je boetseren. Daarbij vertelt hij de handeling wel, maar als basis gebruikt hij wat vormgevers als Kounellis of Anish Kapoor als voorwerk hebben gedaan."

Eigen creativiteit
"Zelf voel ik mij het prettigste als een regisseur mij de kans geeft in samenwerking met hem mijn eigen rol in te vullen. Kupfer was heel uitgesproken, maar liet ook toe dat je met eigen ideeën kwam. Hij werkte erg van buiten naar binnen: hij kwam met een bepaalde vorm en die moest je dan zelf met menselijke emoties gaan invullen, zodat het klopte en de vormgeving met het gevoel achter de handeling een organisch geheel vormden. De toneelregisseurs die opera's gingen doen, werkten juist meer van binnen naar buiten en dat kan ook heel prettig zijn. Je kunt dan zelf meer aan je rol bouwen zonder dat je daarna alles weer moet terugschroeven omdat het niet past."
"Ik ben een echte operazanger, een man van het theater, en ik vind ik beide benaderingen even interessant zolang je als zanger maar ruimte krijgt voor je eigen creativiteit. Natuurlijk krijg je van de ene regisseur meer ruimte dan van de andere, maar dat maakt het ook wel weer spannend."

Terug naar Vijftig jaar DNO (9)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links