CD-recensie

Sergiu Celibidache:

de complete RIAS-opnamen 1948 ~ 1957

 

© Aart van der Wal, mei 2012

 

 
   
   
   

Busoni: Vioolconcert op. 35a*

Cherubini: Ouverture Anacréon*

Copland: Appalachian Spring*

Genzmer: Fluitconcert

Gershwin/Grofé: Rhapsody in blue*

Hindemith: Pianoconcert*

Ravel: Rapsodie espagnole

Schwarz-Schilling: Introductie en fuga voor strijkorkest

Tiessen: Hamlet-suite op. 30 - Salambo-suite
op. 34a - Symfonie nr. 2 op. 17 (Stirb und Werde)

Siegfried Borries (viool), Gerhard Puchelt (piano), Gustav Scheck (fluit), Radio-Symphonie-Orchester Berlin, Berliner Philharmoniker en (onbekend) koor o.l.v. Sergiu Celibidache

Audite 21.406

RIAS Berlijn, studio*- en live-opnamen 1948-1957 ( mono) (3 cd's)

Opnamegegevens (pdf)
www.audite.de


Men beseft dat men een dergelijk concert onder Sergiu Celibidache nog niet eerder zo heeft gehoord. Of het moet die laatste keer zijn geweest, onder Celibidache... Zo luidde ongeveer een kritiek in de Duitse krant Die Welt. We kunnen erin geloven want deze opnamen bewijzen het, in de afwezigheid van ook maar enige routine, ergo in het unieke karakter waarvan deze uitvoeringen van begin tot eind zijn doordesemd. Met de kanttekening dat 'Celi' zich als geen ander daarvan bewust is geweest want zijn 'Lebenshaltung' jegens de fonografische industrie was en bleef negatief: áls er al opgenomen mocht worden, dan uitsluitend live-concerten en radio-opnamen. Grammofoonplaten? Nee, daar moest Celi niets van hebben.
Wat op deze drie cd's is samengebracht zijn - het klinkt niet vleiend maar het is wel waar - afvalproducten van Celi's rijke en gevarieerde concertprogramma's uit zijn Berlijnse periode 1948-1957 (hij dirigeerde daar in die periode meer dan 400 concerten!) Daar komt nog bij dat het merendeel van deze stukken allang uit het orkestrepertoire is verdwenen, voor zover het er al deel van heeft uitgemaakt: Genzmers Fluitconcert, Hindemiths Pianoconcert, de symfonie en de beide suites van Tiessen en Schwarz-Schillings Introductie en fuga voor strijkorkest.

Zo pal na de oorlog heerste er in Berlijn niet alleen buiten de concertzaal een chaotische toestand: in 1945 kreeg de chefdirigent van de Berliner Philharmoniker, Wilhelm Furtwängler, een Berufsverbot aan zijn broek en had hij op advies van zijn collega Ernest Ansermet de wijk genomen naar het Zwitserse Clarens, waar hij - evenals Willem Menglberg - verbitterd tegen de bergen aanstaarde. In 1946 volgde al het denazificatieproces en op 25 mei 1947 was daar Furtwänglers eerste concert in Berlijn na de Duitse capitulatie. In 1952 volgde zijn benoeming door de Berliner Philharmoniker tot 'dirigent voor het leven'.

Het lag voor de hand dat de Russische dirigent Leo Borchard bij de Berliner Philharmoniker de uitgeweken Furtwängler zou vervangen. Borchard, begonnen als assistent van Otto Klemperer aan de Kroll Oper, had het orkest voor het eerst geleid in 1933, maar nauwelijks twee jaar later werd hij door de nazi's aan de kant gezet. Tijdens het nazibewind had hij zich, bepaald anders dan Furtwängler, in het verzet gestort en zich onder de schuilnaam Andrik Krasnov onder meer intensief beziggehouden met vervalste identiteitskaarten. Op 26 mei, nog geen drie weken na de Duitse overgave, leidde hij het eerste concert van de Berliner Philharmoniker. Eind juni benoemden de Russen hem tot chefdirigent, een voor de hand liggende stap: Bochard had zich tijdens de oorlog meer dan verdienstelijk gemaakt, maar was bovendien een Rus. Voor de sovjetgeneraal Nikolaj Bersarin, die het militaire bewind voerde over de Russische sector in Berlijn, een logische keus. Met inmiddels ruim twintig concerten op zijn naam sloeg op 23 augustus 1945 het noodlot toe: zijn Britse chauffeur negeerde het stopteken bij een Amerikaanse controlepost, waarna een geweersalvo volgde. Bochard was vrijwel op slag dood, de chauffeur en de levenspartner van Borchard overleefden het schietincident.

En Celibidache? Na de dood van Borchard kwam de plotsklaps vrijgevallen post van chefdirigent bij de Berliner Philharmoniker als een geschenk uit de hemel, al was die dan van tijdelijke aard (in 1952 werd Wilhelm Furtwängler benoemd tot 'dirigent voor het leven'). Furtwängler was in 1945, met een Berufsverbot aan zijn broek. op advies van Ernest Ansermet naar het Zwitserse Clarens uitgeweken. Aan zijn dirigeercarrière leek een vroegtijdig einde te zijn gekomen, maar dat bleek uiteindelijk toch mee te vallen: al in het jaar daarop overleefde de dirigent zonder al te veel kleerscheuren het denazificatieproces en kon hij al op 25 mei 1947 zijn eerste naoorlogse concert in Berlijn dirigeren. Furtwängler stierf op 30 november 1954 in het Duitse stadje Ebersteinburg, vlakbij Baden-Baden.

Dat de Berliner Philharmoniker na de plotselinge dood van Borchard Celibidache als een serieuze kandidaat aanmerkte e had alles te maken met de eerste prijs die hij tijdens een door het Berlijnse omroeporkest uitgeschreven dirigentenconcours in de wacht had gesleept. Het 'proefconcert' met de Berliner Philharmoniker verliep vervolgens zo succesvol dat Celi vrijwel onmiddellijk tot plaatsvervanger van Furtwängler en daarmee dus feitelijk tot chefdirigent werd benoemd. Of en wanneer Furtwängler zou terugkeren wist op dat moment nog niemand.
Maar toen het eenmaal zover was, bleek dat Celi zo goed op de Berlijnse winkel had gepast dat Furtwängler zo in het voor hem gespreide bedje kon stappen. Diens dood in 1954 leek dus logischerwijs de weg vrij te maken voor Sergiu Celibidache als de nieuwe chef die bovendien op een langdurige verbintenis zou mogen rekenen. Het pakte echter anders uit: het orkest, of beter het bestuur, liet hem vallen als een baksteen en benoemde Herbert von Karajan tot Furtwänglers opvolger 'voor het leven'. Celibidache ging af via de zijdeur en nam, nergens meer door gehinderd, wereldwijd engagementen aan, maar dirigeerde nog wel regelmatig in Berlijn het daar gevestigde Radio-Symphonie-Orchester (nu het Deutsche Symphonie-Orchester Berlin). Voor de Berliner Philharmoniker stond hij niet meer.

Dat de jonge, voortvarende Celi in het naoorlogse Berlijn op de goede golflengte zat blijkt wel uit deze drie cd's, die zijn toenmalige dirigeerstijl in optima forma representeren. Anders dan (veel) later in Stuttgart en München (klik hier - met het klimmen der jaren werd zijn muzikale stijl bedachtzamer en zocht hij ook meer de diepte) is in Berlijn sprake van een onweerstaanbare 'Sturm und Drang' die zo overtuigend over het voetlicht wordt gebracht dat zelfs de veel minder bekende stukken tot ware meesterwerken worden verheven, daarbij geholpen door het in al zijn facetten flonkerende klanktapijt dat Celibidache met zijn orkest uitspreidt. Wat met een energieke aanpak, grote spankracht en ritmische precisie al niet kan worden bereikt! Daarbij moet men zich bedenken dat de toestand de toestand van de Duitse orkesten deplorabel was, en zeker die in Berlijn, waar de verwoesting op vrijwel iedere straathoek te vinden was. Zo vlak na de oorlog waren orkestpartijen en instrumenten of zwaar gehavend, incompleet of zelfs verdwenen, concert- annex bioscoopzalen vernield, was er aan alles gebrek, was er niet of nauwelijks salaris, geen verwarming, enz. Het muziekleven moest bijna letterlijk van de grond af worden opgebouwd. Pa in 1947 kwam daarin verbetering, al ging dat toen nog tergend langzaam. Het moet een ware heksentoer zijn geweest om onder dergelijke barre omstandigheden muziek van een dergelijk hoog niveau te maken. Natuurlijk ging er daarbij weleens wat mis, maar laten we vooral niet uit het oog verliezen dat deze omroepbanden de letterlijke weerspiegeling zijn van de concerten van toen en dat die zogenaamde perfectie van vandaag helaas maar al te vaak eerder een kwestie van veel digitaal knippen en plakken is geworden, op het gevaar af dat daardoor de ziel uit de muziek wordt weggeknipt. Om met Klemperer te spreken: "Ein Schwindel!" Kortom, dit is zo echt als het maar kan zijn, en alleen al daardoor des te indrukwekkender. Zó echt dat ons zelfs incidenteel de diepe bromtonen niet worden onthouden van de vliegtuigen die in grote aantallen over het Titania-Palast (toen de concertzaal van de Berliner Philharmoniker) vlogen, komende van of op weg naar de luchthaven Tempelhof, met name tussen 24 juni 1948 en 12 mei 1949, toen de stad leed onder de door de Russen ingestelde blokkade.

Ik heb het al vaker geschreven: het valt bijzonder te prijzen dat Audite de moed heeft gehad om al dit oude, maar tegelijkertijd historisch uitzonderlijk belangrijke materiaal uit de archieven van de RIAS (Rundfunk Im Amerikanischen Sektor) op te diepen, ingrijpend te restaureren en documentair te verantwoorden. Elders op deze site vindt u besprekingen van verschillende historische uitgaven, waaronder die van Furtwängler (klik hier), Fricsay (klik hier), Knappertsbusch (klik hier), Klemperer (klik hier), Ferras (klik hier). Inmiddels is hier een set met Bach-cantates onder Karl Ristenpart gearriveerd.

Dat alle opnamen mono zijn mag geen enkel beletsel vormen en te meer niet omdat de technici van Audite in de nabewerking ware wonderen hebben verricht. Dit zijn projecten die bedoeld lijken voor de ware liefhebber die veel verder wil kijken dan de commercie hem dagelijks voorschotelt.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links