Componisten/werken

Hector Berlioz (1803-1869)

Het Berlioz-jaar 2019 (7): Berlioz en Wagner (1)

 

© Gerard van der Leeuw, december 2019

 

‘Wenn ich Beethoven wäre, so würde ich sagen: wenn ich nicht Beethoven und ein Franzose wäre, so möchte ich Berlioz sein.’ (Wagner, 1840)

‘ ..Uit Engeland heb ik een echte verworvenheid meegebracht: een hartelijke en innige vriendschap die ik voor Berlioz heb opgevat en die wij beiden hebben gesloten. Ik heb een concert van de New Philharmonic onder zijn leiding beluisterd, waarbij ik evenwel van zijn presentatie van de symfonie in G-grote terts van Mozart (1) bepaald niet gesticht was, en om de uitvoering van zijn Romeo et Juliette-symfonie, die ernstig tekort schoot, was hij te beklagen.

Een paar dagen later echter waren wij alleen bij Sainton (2) te dineren; hij was heel spraakzaam, en de vorderingen die ik in Londen met mijn Frans had gemaakt, stelden mij in staat om tijdens een vijf uur uur durend samenzijn alle mogelijke onderwerpen uit kunst en filosofie en het leven in een meeslepende gedachtenwisseling met hem te bespreken. Ik vatte daardoor een diepe sympathie voor mijn nieuwe vriend op; hij werd in mijn ogen een heel ander mens dan voorheen; wij vonden elkander in het oprechte besef hetzelfde leed te doorstaan, en ik kreeg de indruk dat ik - gelukkiger was dan Berlioz. - Na mijn laatste concert heeft hij mij nog bezocht met de paar vrienden die ik verder in Londen nog had; zijn vrouw was er ook bij; het samenzijn duurde tot 3 uur in de nacht en wij namen voor deze keer afscheid met een hartelijke omhelzing. …’ (3)

Aldus Richard Wagner in een brief aan Liszt.

Zo’n tien dagen eerder had Berlioz eveneens aan Liszt geschreven:

‘Il [Wagner] te racontera sans doute son séjour à Londres et tout ce qu’il a eu à souffrir d’une hostilité de parti-pris. Il est superbe d’ardeur, de chaleur, de coeur, et j’avoue que ses violences même me transportent. Il semble qu’une fatalité m’empêche d’entendre rien de ses dernières compositions! le jour où sur la demande du Prince Albert il a dirigé son ouverture du Tanhauser à Hanovre Square Room, j’étais, à la même heure, forcé d’assister à une affreuse répétition de choeurs pour le concert de la New Philharmonic que j’avais à diriger deux jours après.’ (4)

De twee mannen hadden elkaar al eerder ontmoet. In 1839 assisteerde Wagner, net aangekomen in Parijs, bij de derde uitvoering van Roméo et Juliette, een concert waarop ook de eerste twee delen van Harold en Italie klonken.

Op 5 mei 1841 legde Wagner in de Dresdense ‘Abendzeitung’
zijn opvattingen over Berlioz vast:

‘Het is me duidelijk geworden dat ik eindelijk toch een keer gedwongen moet worden om over Berlioz te spreken, want er dient zich maar geen gelegenheid voor aan. Alleen al dit feit, dat ik bij de bespreking van de dagelijkse verschijnselen van het Parijse genots- of zo men wil kunstleven niet vanzelf aanleiding heb gehad om op de geniale musicus te komen, vind ik al voldoende veelzeggend. Dit geeft me goed materiaal voor een inleiding op mijn oordeel over Berlioz. Dit verdient het om hier in mijn berichten uit Parijs enige aandacht aan te besteden. Berlioz is geen componist die terloops is ontstaan. Ik kon dus ook niet bij toeval op hem komen. Hij staat op zichzelf en heeft niets te maken met de pralende, exclusieve kunstinstituten van Parijs. Zowel de Opéra als het Conservatoire hebben zich sinds zijn eerste optreden met opmerkelijke haast voor hem gesloten. Men heeft Berlioz gedwongen om een definitieve uitzondering van de grote lange regel te zijn en te blijven. Dit is en blijft hij ook, van binnen en van buiten. Wie zijn muziek wil horen, moet speciaal daarvoor naar Berlioz gaan, want nergens kan hij daar iets van vinden, zelfs niet daar waar je Mozart en Musard (5) naast elkaar vindt. Je hoort Berlioz’ composities alleen in de concerten waarvan hij er zelf een of twee per jaar geeft. Dit is zijn afgezonderde domein. Hier laat hij zijn werken door een orkest spelen dat hij speciaal heeft gevormd, en dit voor een publiek dat hij in een veldtocht van tien jaar heeft veroverd. Je kunt Berlioz nergens anders horen, of het moest op straat of in de kathedraal zijn, waar men hem van tijd tot tijd voor een politiek muzikale staatsaangelegenheid laat opdraven.

Dit isolement van Berlioz beperkt zich evenwel niet alleen tot zijn uiterlijke positie, maar hierin schuilt ook de grond van zijn innerlijke ontwikkeling. Hoezeer hij ook Fransman is en hoezeer zijn wezen, zijn richting met die van zijn landgenoten sympathiseert, toch staat hij alleen. Hij ziet niemand voor zich, bij wie hij zou kunnen aansluiten. Vanuit ons Duitsland is hij geïnspireerd door de geest van Beethoven. Er zijn ongetwijfeld momenten geweest, waarop Berlioz gewenst zal hebben Duitser te zijn. Op zulke momenten dwong zijn genie hem om te schrijven, zoals de grote meester schreef en om hetzelfde uit te spreken, wat naar zijn gevoel in deze werken wordt uitgesproken. Maar zodra hij de pen greep, begon zijn bloed weer volgens zijn Franse natuur te stuwen. Ditzelfde bloed bruiste door de aderen van Auber, toen hij het laatste vulkanische bedrijf van La muette de Portici schreef - de gelukkige Auber, hij kende Beethovens symfonieën niet! Berlioz kende deze, sterker nog, hij begreep ze. Ze hadden hem bezield, ze hadden zijn geest in een roes gebracht - en toch werd hij eraan herinnert, dat er Frans bloed in zijn aderen vloeide. Hij voelde dat hij niet zoals Beethoven kon zijn. Hij voelde echter ook dat hij niet als Auber kon schrijven. Hij werd Berlioz en schreef zijn Symfonie fantastique, een werk waarover Beethoven zou hebben geglimlacht, net zoals Auber daarover glimlacht. Dit werk was echter in staat om Paganini in de meest koortsachtige extase te brengen en voor zijn schepper een partij te winnen, die geen andere muziek in deze wereld meer wilde horen behalve de Symfonie fantastique van Berlioz. Wie deze symfonie hier in Parijs hoort, gespeeld door Berlioz’ orkest, moet werkelijk in de veronderstelling verkeren dat hij een nog nooit vernomen wonder hoort. Een enorme innerlijke rijkdom en een heldhaftige fantasie storten een poel van hartstochten uit als uit een krater. Wat we zien zijn kolossaal gevormde rookwolken, slechts gespleten door bliksems en vuurstrepen en gemodelleerd tot vluchtige gestalten. Alles is enorm, vermetel, maar veroorzaakt een oneindige pijn. Schoonheid van vorm is nergens te vinden, nergens de majestueuze en ontroerende stroom, waar we ons vol vertrouwen op zouden willen laten meevoeren.Het eerste deel uit Beethovens Symfonie in c mineur zou na de
Symfonie fantastique een weldaad voor me geweest zijn…‘ (6)

Een artikel dat, bij alle ongeveinsde bewondering, perfect de ambivalente houding van Wagner tegenover Berlioz weergeeft. Het zal u niet verwonderen: ook Berlioz had zo zijn bedenkingen over zijn Duitse collega. In zijn Mémoires schrijft hij onder meer het volgende over Wagner:

‘Wat de jonge kapelmeester Richard Wagner betreft, die lange tijd in Parijs verbleef zonder dat hij er in slaagde bekendheid te verwerven behalve dan door een paar artikelen die hij in de Gazette musicale publiceerde, hij moest toen voor het eerst zijn gezag uitoefenen door mij bij mijn repetities terzijde te staan; wat hij ijverig en van ganser harte deed. De plechtigheid waarbij hij aan de kapel werd voorgesteld en de eed aflegde, vond plaats de dag na mijn aankomst, en toen ik hem ontmoette, was hij helemaal in vervoering, zo groot was zijn, zeer begrijpelijke blijdschap. Na in Frankrijk duizend en één ontberingen doorstaan te hebben en al het leed dat aan onbekendheid vastzit, was Richard Wagner, terug in zijn vaderland Saksen, zo vermetel een begin te maken met het schrijven van de tekst en de muziek van een opera in vijf bedrijven (Rienzi), en hij was zo gelukkig die te voltooien. Dit werk behaalde een schitterend succes in Dresden. Al vlug erna volgde De vliegende Hollander, een opera in drie bedrijven, waarvoor hij eveneens de muziek en de tekst schreef. Welke mening men ook mag hebben over de kwaliteit van deze werken, men moet toegeven dat er niet veel mensen zijn die in staat zijn deze dubbele, zowel literaire als muzikale arbeid, tweemaal met succes te vervullen, en dat Wagner een meer dan voldoende bewijs leverde van zijn kunnen om de aandacht op zich te vestigen en belangstelling te wekken.

De koning van Saksen heeft dat uitstekend begrepen; en de dag waarop hij Richard Wagner als de naaste collega aanstelde van zijn eerste kapelmeester (7) en aldus zijn bestaan veiligstelde, hebben de vrienden van de kunst tegen Zijne Majesteit moeten zeggen wat Jean Bart (8) Lodewijk XIV antwoordde toen deze de onverschrokken zeerob meedeelde dat hij hem tot eskaderchef had benoemd: ‘Sire, daar heeft u goed aan gedaan!’ Aangezien de opera Rienzi de duur die opera's gewoonlijk in Duitsland hebben ver overschrijdt, wordt hij nu niet meer in zijn geheel opgevoerd; de eerste avond worden de eerste twee bedrijven gespeeld, en op een andere avond de laatste drie. Ik heb alleen één opvoering van dat tweede deel gezien; ik heb er niet grondig genoeg kennis mee kunnen maken, ik heb hem immers maar één keer gehoord, om er een definitief oordeel over te kunnen geven; ik herinner me alleen een mooi gebed dat gezongen werd wordt door Rienzi (Tichatchek) (9) in de laatste akte, en een triomfmars, goed gemodelleerd, maar niet in slaafse navolging naar het voorbeeld van de schitterende mars uit Olympie (van Spontini, GvdL).

De vliegende Hollander leek mij opmerkelijk door zijn somber coloriet en bepaalde stormeffecten die volmaakt gemotiveerd worden door het onderwerp; maar ik heb ook moeten constateren dat daarin onmatig gebruik wordt gemaakt van het tremelo, hetgeen des te kwalijker is daar het me ook al had getroffen in Rienzi en daar het bij de componist op een zekere luiheid van geest duidt, waarvoor hij zich niet voldoende hoedt. Het lang aangehouden tremelo is van alle orkestrale middelen dat wat men het snelste moe wordt. Het vereist trouwens geen vindingrijkheid van de componist wanneer het niet, boven noch beneden vergezeld gaat van enig treffend idee. Hoe het ook zij, ik herhaal het, de gedachte des konings moet geëerd worden, die, door hem zijn volledige en daadwerkelijke bescherming te bieden een jonge kunstenaar met een zeldzaam talent, om zo te zeggen, gered heeft. De directie van het theater in Dresden liet niets na om de voorstelling van de beide werken van Wagner zo luisterrijk mogelijk te maken; de decors, costumes en de mise en scène van Rienzi komen in de buurt van het beste van wat men in dit genre in Parijs heeft gedaan.’ (10)

__________________
(1) Een onbegrijpelijke fout van de vertalers. Het gaat hier (uiteraard) om Mozarts 40ste symfonie in g-klein KV 550, die door zowel Berlioz als Wagner zeer werd bewonderd. Wagner schrijft: ‘Mozart’schen G-moll-Symphonie’.
(2) Prosper Sainton (1813-1890), een in Londen werkzame violist uit Toulouse; het nog altijd bestaande huis bevindt zich in Londen, 8 Hinde Street.
(3) Wagner in een brief van 5 juli 1855 aan Liszt, in: Richard Wagner, Brieven 1830-1855, vertaald door C.R. Vink en Renée Vink, Leiden 1992, p. 258.
(4) Berlioz in een brief van 24-25 juni 1855 aan Liszt. Correspondance Générale no. 1987.
(5) Philippe Musard (1792-1859), geliefd componist van populaire dansmuziek, ‘le Napoleon du quadrille'. (G.v.d.L.)
(6) Geciteerd naar: Richard Wagner, Geschriften over Parijs, vertaald, ingeleid en geannoteerd door Philip Westbroek, 2018, p. 209vv.
(7) Carl Gottlieb Reißiger (1798–1859), componist en dirigent. Leerling van Salieri en Peter von Winter. Reißiger werd in 1828 de opvolger van Carl Maria von Weber als hofkapelmeester in Dresden. In 1842 dirigeerde hij de succesvolle première van Wagners Rienzi. Reißiger schreef een uitgebreid, maar inmiddels grotendeels vergeten oeuvre.
(8) Jan Baert (1650-1702), Vlaams zeerover uit Duinkerken.
(9) Josef Aloys Ticháček (1807-1886), Tsjechische heldentenor. Wagner: ‘ein Wunder von männlich schönem Stimmorgan.’ Berlioz: ‘Tichatchek (…) heeft een zuivere en roerende stem, die gestimuleerd door de dramatische handeling, op het toneel een zeldzame kracht krijgt. Zijn stijl van zingen is smaakvol, hij is een volleerd musicus en muzieklezer. Hij belastte zich onmiddellijk met de solo uit het Sanctus [uit het Requiem van Berlioz, GvdL], zonder zelfs maar te vragen of hij hem mocht zien, zonder te aarzelen, zonder kuren en zonder voor God te spelen; hij zou, zoals zovele anderen in zo'n geval, het Sanctus hebben kunnen accepteren, op voorwaarde dat hij, voor zijn persoonlijk succes, een hem bekende cavatine mocht zingen; hij deed dat niet: prachtig, dat is uitstekend!’
(10) Hector Berlioz, Mijn leven 1834-1885, op.cit, p. 110vv.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links