2

Componisten/werken

Hector Berlioz (1803-1869)

Het Berlioz-jaar 2019 (5): Berlioz en Spontini

 

© Gerard van der Leeuw, oktober 2019

 

Je suis un incrédule en musique, ou, pour mieux dire, je suis de la religion de Beethoven, de Weber, de Gluck, de Spontini.
(Berlioz, 25 mei 1856)

Berlioz hield van de muziek van Gaspare Spontini. En hoewel er veel is dat erop wijst dat zijn liefde voor deze componist in de loop der jaren enigszins afnam, bleef hij Spontini zijn leven lang trouw. Nog in 1852 dirigeerde hij in Londen in aanwezigheid van Spontini’s weduwe de finale uit La vestale. En wel met Spontini’s dirigeerstokje, dat hij kort daarvoor van haar had gekregen.

In zijn Mémoires schrijft Berlioz overigens relatief weinig over Spontini, al is wat hij daar schrijft altijd positief. Maar Spontini is een van de hoofdfiguren in zijn hier al eerde genoemde Les soirées de l’orchestre.(1) In drie van de vijfentwintig avonden, de elfde, de twaalfde en de dertiende, speelt Spontini de hoofdrol. Ter vergelijking: Berlioz besteedt twee avonden aan Gluck, twee aan Weber, één aan Mozarts Don Giovanni, één aan Beethovens Fidelio, één aan Rossini’s Il barbiere di Seviglia en één aan Les Huguenots van Meyerbeer. Toegegeven de elfde avond is wat kort, maar wel heel typerend voor de ras romanticus Berlioz:

La vestale van Spontini wordt opgevoerd.
De musici zijn in zwart rokkostuum met witte das in de orkestbak verschenen. Op hun gezichten is een ongebruikelijke opgewondenheid te lezen, alle harten zijn vervuld van bewondering en respect. Het orkest speelt voortreffelijk, iedereen houdt zijn mond. ’Je huilt!’, zegt de eerste trombone tegen Corsino na de finale van het tweede bedrijf ‘Ik dacht zelf dat ik het eind niet zou halen, mijn lippen trilden en op het laatst kreeg ik er bijna geen toon meer uit.’
‘Alle bliksems’, wat een muziek!’, roept een van de contrabassen op zijn beurt. ‘Kijk, mijn knieën knikken! Gelukkig kon ik gaan zitten, anders had ik geen noot van de coda kunnen spelen.’
Het derde bedrijf wordt met dezelfde vrome toewijding uitgevoerd als de eerste twee. De dirigent, die een uiterst intelligente, nauwkeurige en gloedvolle voorstelling heeft geleid, bijt krampachtig in zijn zakdoek om zijn emotie te onderdrukken. Hij klimt met een vuurrood gezicht van zijn bok en drukt me in het voorbijgaan de hand.’ (2)

De Twaalfde avond, waarin de hoofdpersoon zelfmoord pleegt na
een voorstelling van La vestale, is welhaast een zelfportret:

‘Zoals men ziet was Adolphe D. typisch een musicus die tot lijden voorbestemd is, die een schoonheidsideaal in zich draagt en dat onophoudelijk nastreeft, en die van een hartgrondige haat vervuld is voor alles wat daar niet mee in overeenstemming is. Gluck was zijn idool. Hij had diens partituren gekopieerd om er beter mee vertrouwd te zijn en kende ze vanbuiten; hij las, speelde en. zong ze de ganse dag.’ (3)

Dan maakt Adolphe D. kennis met het werk van Spontini:

‘Spontini was toentertijd op het hoogtepunt van zijn roem. Het
daverende succes van La vestale, verkondigd door de duizendstemmige pers, maakte de dilettanti van elke provincie vreselijk nieuwsgierig naar deze opera die zo geroemd werd door de Parijzenaars, en de arme theaterdirecteurs sloofden zich uit om de moeilijkheden die de uitvoering en de enscenering van het nieuwe werk opwierpen, te omzeilen of zelfs te overwinnen.
D's directeur wilde niet achterblijven bij de muzikale trend en
maakte weldra op zijn beurt bekend dat La vestale ingestudeerd zou worden. Zoals elke vurige ziel die, bij gebrek aan een gedegen opleiding, niet heeft geleerd zijn oordelen te motiveren, week D. niet af van zijn aloude voorkeuren en toonde zich aanvankelijk sterk vooringenomen tegen de opera van Spontini, waarvan hij nog geen noot kende. ‘Ze beweren dat hij in een nieuwe stijl geschreven is, melodischer dan die van Gluck. Dat is dan pech voor de componist ik heb genoeg aan Glucks melodieën. Het betere is de vijand van het goede. Ik wed dat het niet te pruimen is.’ (4)

Maar dan ontmoet Adolphe D. Hortense, een dame die trekken
vertoont van Marie Moke, de vroegere verloofde van Berlioz.
In korte tijd is Adolphe volledig in haar ban. Tot hij haar vraagt:

‘O zing voor mij de elegie uit La vestale, mijn lieveling, je weet wel,

Toi que je laisse sur la terre,
Mortel que je n’ose nommer…

Door jou gezongen moet die geïnspireerde melodie ongekend subliem klinken. Ik weet niet waarom ik het je niet eerder heb gevraagd. Zing, zing Spontini voor mij. Moge ik alle geluk tegelijk ontvangen!’
‘Wat, is dat wat je wilt?’ antwoordde mevrouw N. met een charmant bedoeld pruilmondje. Die lange, eentonige klaagzang bevalt je? God, wat is dat saai, wat een psalmgezang! Maar goed, als je erop staat…’
Het koude lemmet van een dolk had Adolf niet pijnlijker in zijn
hart kunnen treffen dan die woorden. Hij sprong op als iemand die een griezelig beest gewaarwordt in het gras waarop hij is gaan zitten, vestigde een sombere blik vol dreigend vuur op Hortense en begon vervolgens onrustig door het appartement te lopen, de vuisten gebald, de tanden krampachtig opeengeklemd. Hij leek zich af te vragen op welke manier hij zou antwoorden om de breuk te bewerkstelligen, want een dergelijke opmerking vergeven was onmogelijk. De bewondering en de liefde waren gevlogen, de engel werd een vulgaire vrouw, de superieure artieste verviel tot het niveau van de onwetende en oppervlakkige amateurs, die willen dat de kunst hen vermaakt en die nooit hebben vermoed dat zij een nobeler roeping heeft. Hortense was nog slechts een bevallige vorm zonder geest en zonder ziel, de musicienne had lenige vingers en een welluidende keel… meer niet.’ (5)

Dan gebeurt het onvermijdelijke.

‘Overmorgen zal ik sterven… La vestale wordt dan weer opgevoerd… ik wil haar nog één keer horen!…Wat een opera!… Zoals de liefde erin uitgebeeld is!… En het fanatisme!… Al die priesterhonden die tegen hun ongelukkige slachtoffer blaffen… Wat een akkoorden in die grandioze finale!… Wat een melodische rijkdom, zelfs in de recitatieven!… Wat een orkest!… Het beweegt zo majestueus… de bassen deinen als de golven van de oceaan. De instrumenten acteren in een taal die even expressief is als die welke op het toneel wordt gebezigd. […] een bovenmenselijke schepping, die slechts kon ontstaan in een wonderbaarlijk tijdperk als dat van Napoleon. […]
Twee dagen later om tien uur 's avonds klonk er een knal op de hoek van de Rue Rameau, tegenover de ingang van de Opéra. Enkele bedienden in chique livrei renden op het geluid af en hesen een mon overeind die in zijn eigen bloed baadde en geen teken van leven meer gaf'. (6)

___________________
(1) Hector Berlioz, Avonden met het orkest, vertaling van Pepijn van Doesburg, Amsterdam 2006.
(2) Op. cit., p. 171.
(3) Op. cit., p. 174.
(4) Op. cit., p.174v.
(5) Op. cit., p. 183
(6) Op. cit., p. 192v.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links