CD-recensie

Liefde en drama in het orkest

 

© Paul Korenhof, oktober 2012

 

 

Wagner: Tristan und Isolde
Stephen Gould (Tristan), Nina Stemme (Isolde), Kwangchul Youn (König Marke), Johan Reuter (Kurwenal), Michelle Breedt (Brangäne), Simon Pauly (Melot), Clemens Biber (Ein Hirte), Arttu Kataja (Ein Steuermann), Timothy Fallon (Ein junger Seemann)
Rundfunkchor Berlin, Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin o.l.v. Marek Janowski

Pentatone PTC 5186 404 (3 sacd's)

Opname: 27 maart 2012, Berlijn


Marek Janowski begon zijn concertante Wagner-cyclus met Der fliegende Holländer in een uitvoering die heel bewust de muziek boven het drama stelde (klik hier). Deel twee, Die Meistersinger von Nürnberg, ademde nog een beetje dezelfde sfeer, deed soms meer aan een oratorium dan aan een opera denken, maar was bij vlagen ook dramatisch bevlogen (klik hier). Bij Parsifal sloeg de wijzer al meer door naar de andere kant (klik hier) en het vierde deel, Lohengrin, werd een onvervalst staaltje opera waarbij een duidelijke hoofdrol was weggelegd voor de solisten (klik hier).
Bij Tristan und Isolde zitten we opeens met een enorm de paradox: Van al Wagner's muziekdrama's is dit het werk met de minste 'handeling', maar juist hier bereikt de 'concertante' Janowski meer dramatiek dan in een van zijn voorgaande opnamen. Dat niet alleen: de dramatiek ligt hier vooral in het orkest, maar in feite is dat ook de essentie van dit werk. De meeste ensceneringen die ik in mijn leven heb gezien, heb ik eigenlijk alleen maar als meer of minder geslaagde illustraties ervaren, weliswaar met vaak uitstekende details, maar zelden van de eerste tot de laatste maat overtuigend, laat staan dat zij mij meer over de inhoud vertelden dan de muziek. De enige echte uitzondering die ik mij herinner was de enscenering van Götz Friedrich in de jaren zeventig van de vorige eeuw bij de Nederlandse Operastichting. Die productie werd later overgedaan aan de English National Opera, die er onder leiding van Reginald Goodall in het Londense Coliseum een voorstelling van verzorgde die voor mij een van de grootste theaterervaringen van mijn leven werd.

In een begeleidend artikel bij deze nieuwe uitgave in de Wagner-reeks van PentaTone maakt Steffen Georgi uitgebreid onderscheid tussen de uiterlijke en innerlijke handeling, waarbij hij de nadruk legt op de actieve rol van het orkest in dit drama. Ik weet niet of dit artikel geschreven of geplaatst of zelfs geschreven is met medeweten van Janowski, maar het onderstreept perfect wat in deze uitvoering gebeurt. Vanaf de eerste uitbarsting van Isolde met 'Wer wagt mich zu höhnen?' ligt de dramatiek zo duidelijk in het orkest, dat ik de zangers er af en toe zelfs te prominent overheen vond komen. Dat reactie komt puur op rekening van mijn eigen beleving van de orkestpartij, want op opname en balans is absoluut niets aan te merken - of misschien had juist bij dit werk het orkest in de balans toch net een streepje meer mogen hebben? Het blijft subjectief, maar bij Tristan und Isolde, zeker in de tweede akte hoor ik toch het liefste dat de zangers naast de dirigent staan, tussen de eerste violen en de celli, en niet ervóór of juist erboven, op het toneel.

Opvallend zijn ook hier weer de vlotte tempi van Janowski. In absolute zin liggen zij erg dicht bij die van Karl Böhm, maar zij lijken sneller door de combinatie van een heel precieze accentuering met een zekere lichtheid. Nog opvallender is de doorzichtigheid van het orkestspel, waardoor Wagner's orkestratie de indruk wekt van een filigraanspel dat ver verwijderd van de broeierige 'nachtsymboliek' die bij menige Wagner-dirigent uit vorige generaties centraal stond. Prachtig spel van de soloblazers, strijkersspel dat varieert van ijl spinrag tot meeslepende climaxen, tutti die nergens dichtslibben en een breed uitwaaierend orkestspel aan het slot van de eerste akte en bij het doven van de fakkel in de tweede. Het belangrijkste is echter dat Janowski en zijn RSO Berlin erin slagen zijn aanpak drie akten lang om te zetten in een kleurenspel dat in iedere akte een aparte sfeer oproept. De combinatie met zijn vlotte tempi vermijdt daarbij iedere schijn van maniërisme, zoals ik zo dikwijls hoorde in het stretta-achtige einde van aktes waar Barenboim lange tijd in grossierde.

Toevallig draaide ik deze cd's parallel aan een opmerkelijk helder uitgave van de live-opname van 8 februari 1941 uit de Met onder Erich Leinsdorf met Kirsten Flagstad en Lauritz Melchior, en dat is dan toch een heel andere wereld (Walhall WLCD 0367). Dat dirigent en orkest daar niet zo'n belangrijke rol spelen, al was het maar om technische redenen, is duidelijk, maar iets meer van de daar ontplooide vocale persoonlijkheid zou in de nieuwe opname niet misstaan hebben, en daarbij denk ik vooral aan de superieure vertolking van Melchior.
De Amerikaanse tenor Stephen Gould is in die zin een vocaal wonder, dat hij zijn hele rol moeiteloos lijkt te zingen en aan het einde nog zo fris klinkt alsof hij zonder enig probleem opnieuw zou kunnen beginnen. Waar het orkestspel echter doortrokken is van dramatiek, lijkt zijn Tristan puur op de zang gericht, bijna instrumentaal. Tenoren als Melchior, Wolfgang Windgassen en Jon Vickers wisten ieder woord te bezielen, maar de zang van Gould werkt eerder wat afstandelijk, vooral in sleutelpassages als 'War Morold dir so wert (…)' of 'Das Land das Tristan meint (…)', terwijl zijn derde akte vooral imponeert als een vocale tour-de-force.

Nina Stemme's Isolde behoort tot een andere categorie. Zij is een ´moderne hoogdramatische´, jeugdiger van timbre dan voorgangsters als Flagstad, Martha Mödl of Astrid Varnay, en klinkt aanmerkelijk warmer dan haar voorgangster en landgenote Birgit Nilsson. Waar nodig is een stevige kern wel degelijk aanwezig en haar hoge c's staan als een huis, maar in de lyrische passages klinkt haar timbre bijna fluwelig en daarbij weet zij in haar lange fraai aan te sluiten bij het orkestspel. Als geheel prefereer ik haar vertolking hier boven haar eerdere opname met Plácido Domingo onder Antonio Pappano (EMI), terwijl zij hier interpretatief minstens zo overtuigend overkomt als in die schitterende dvd-registratie uit Glyndebourne.
Bij de overige solisten valt Michelle Breedt op door haar bezielde Brangäne die mooi contrasteert met de Isolde van Stemme. Verder horen we een degelijke maar niet opvallende Kurwenal van Johan Reuter en een mooi gezongen maar wat matte koning Marke van Kwangchul Youn, een gevierde Wagner-bas maar zonder het brede vocale fundament van voorgangers als Gottlob Frick, Josef Greindl, Karl Ridderbusch en Kurt Moll. Een klein juweeltje is de herder van Clemens Bieber. Voor klank en presentatie verwijs ik naar de eerdere opnamen uit deze reeks, maar wie daar niet naar wil zoeken: beide zijn van hoog niveau!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links