CD-recensie

Meistersinger met 'authentieke tempi'?

 

© Paul Korenhof, december 2011

 

 

Wagner: Die Meistersinger von Nürnberg

Albert Dohmen (Hans Sachs), Georg Zeppenfeld (Veit Pogner), Michael Smallwood (Kunz Vogelsang), Sebastian Noack (Konrad Nachtigall), Dietrich Henschel (Sixtus Beckmesser), Tuomas Pursio (Fritz Kothner), Jör Schörner (Balthasar Zorn), Thomas Ebenstein (Ulricj Ei βlinger), Thorsten Scharnke (Augustin Moser), Tobias Berndt (Hermann Ortel), Hans-Peter Scheidegger (Hans Schwarz), Hyung-Wook Lee (Hans Foltz), Robert Dean Smith (Walther von Stolzing), Peter Sonn (David), Edith Haller (Eva), Michelle Breedt (Magdalene), Matti Salminen (Ein Nachtwächter), Rundfunkchor Berlin, Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin o.l.v. Marek Janowski

Pentatone Classics PTC 5186 402 (4 sacd's)

Opname: Berlijn, 3 juni 2011

Gedurende de maand december zijn delen uit deze opname te horen in het programma Opera Actueel op de Concertzender (klik hier)


Toen de nieuwe Meistersinger onder Marek Janowski op mijn bureau belandde, was ik juist bezig met het op cd overzetten van een opname van de English National Opera uit 1968 onder leiding van Reginald Goodall. Een groter contrast bleek nauwelijks mogelijk, en dan betrek ik daarbij niet eens het feit dat bij de ENO iedere opera in het Engels gezongen werd - en nog steeds wordt. Het grootste verschil zit in de tijdsduur: precies drie kwartier korter bij Janowski, die zelfs zo snel is, dat de eerste akte precies op één cd past - wat trouwens erg prettig is.

Wagners tempo
De vraag naar de 'juiste' timing is natuurlijk onzin, maar toch is het wel eens leuk om de tijden van verschillende dirigenten naast elkaar te leggen. Zo ontdekte ik bij vergelijking van een aantal willekeurig gekozen (andere) uitvoeringen van het voorspel, dat die alle lagen tussen 8'45" en 10'32". Met 8'33" en 10'55" vormen Janowski en Goodall dus duidelijk de beide uitersten. Vervolgens ben ik in de archieven gedoken om te zien wat de componist zelf voor ogen stond. Op een partituur vol relatieve indicaties is natuurlijk niet af te gaan, maar wel heeft Wagner zich meerdere malen uitgelaten over de tempi van anderen en bovendien zijn bij meerdere gelegenheden zijn eigen tempi gemeten, ook tijdens concerten waarop hij het voorspel tot de Meistersinger dirigeerde. De componist zelf blijkt bij een 'losse' uitvoering daarvan, dus met het 'concertslot', slechts een paar seconden boven de acht minuten uit te komen, wat dus betekent dat hij nog een volle halve minuut sneller was dan Janowski!

Zouden we die lijn doortrekken, dan zou Wagner dus bij een complete uitvoering van zijn enige 'komische opera' mogelijk zelfs binnen de vier uren uitkomen met een eerste akte van vijf kwartier, een tweede akte van net iets meer dan een uur en een derde akte van ruim honderd minuten. Met 80-59-115 is Janowski de snelste dirigent mij bekend, waarbij de verschillen overigens in de loop van het werk kleiner worden (als u een snellere dirigent kent, moet u wel even controleren of hij misschien coupures heeft gemaakt!). Voor zover we het kunnen nagaan is hij al met al echter nog altijd vijf procent langzamer dan Wagner, van wie wij overigens weten dat hij uitvoeringen van zijn werken door anderen vrijwel altijd te langzaam vond, en die bijvoorbeeld de dirigent Hermann Levi voor de première van Parsifal op dit punt uitvoerig instrueerde.

Natuurlijk zeggen tempi niet alles en meer dan eens is bij Parsifal, Ring of Meistersinger een betrekkelijk snelle uitvoering langzamer en slaapverwekkender op mij overgekomen dan de objectief trage maar wel door sterke spanningsbogen beheerste aanpak van Knappertsbusch of Goodall. Evenals bij zijn eerdere opname van Der fliegende Holländer (klik hier voor de recensie) lijken bij Janowski de tempi echter sterk gerelateerd aan zijn aanpak, die in dit geval niet alleen bepaald wordt door het concertante uitgangspunt, maar ook door een streven om het muzikale karakter preciezer en doorzichtiger te houden dan gebruikelijk is. Hij komt daarmee in de buurt van de tweede EMI-opname van Karajan (Dresden, 1970) met Theo Adam, Helen Donath en René Kollo in de hoofdrollen en ook doet zijn behandeling van vooral de orkestrale kant in scherpte en precisie meer dan eens denken aan een live-opname uit Wenen onder Christoph von Dohnányi.
Typerend voor Janowski's aanpak zijn niet alleen de voorspelen, maar ook de muziek aan het begin van de Festwiese, die hier een sterk dansant karakter krijgt. Natuurlijk, het is dansmuziek, maar anders dan bij sommige collega's is het bij Janowski, evenmin als bij Karajan en Dohnányi, zeker niet mogelijk die op klompen te dansen. Een heel sterk punt is ook de helderheid van de ensembles, waarbij het bijvoorbeeld tijdens de slotscène van het eerste bedrijf zelfs zonder partituur in de hand mogelijk is de afzonderlijke meesters te volgen en zelfs te verstaan!
Minder goed treft Janowski de lichte toets van deze 'komedie' met als gevolg dat de finale misschien wat al te veel 'groot-Duitse' associaties oproept. Jammer is bovendien dat de concertante aanpak plus de omstandigheden in de Berlijnse Philharmonie dramaturgisch niet altijd gunstig werken. Van een kennis die bij het concert (3 juni 2011) aanwezig was, hoorde ik dat sommige mensen problemen hadden met het feit dat de 'kleinere meesters' achter het orkest stonden. Dat element van de opstelling werkt bij de opname van PentaTone niet door, maar wel heb ik soms een klein probleem met de balans van de solisten.
Zo horen we in de tweede akte een stereobeeld met Eva en Walther links op de voorgrond, terwijl de scène van Sachs en Beckmesser zich iets meer naar achteren lijkt af te spelen. Daarbij komt de stem van Sachs pal achter die van het jonge paartje aan de linkerkant, terwijl Beckmesser zich in de rechterluidspreker bevindt. Een en ander blijkt de keuze van Janowski in samenhang met het feit dat hij in de Berlijnse Philharmonie links en rechts van hem maar ruimte heeft voor drie solisten tegelijk. Voor de luisteraar thuis - en zeker ook voor de dramatische logica - was het echter beter geweest als Beckmesser hier van plaats had geruild met Eva en Walther.
Louter muzikaal- en opnametechnisch is op deze uitgave echter niets aan te merken. Het RSO Berlin betoont zich een Rolls Royce onder de Wagner-orkesten en de samenwerking van PentaTone met Deutschlandradio Kultur heeft in diepte, balans en helderheid een wondertje van opnametechniek afgeleverd. Nog meer dan door het orkest wordt daarvan geprofiteerd door het Rundfunkchor Berlin, dat samen met het ensemble 'kleine meesters' zorgt voor een grootste bekroning van zowel de tweede als de derde akte, ook als het 'Ehrt eure deutschen Meister' in de aanpak van Janowski misschien net iets te 'fanatiek' overkomt.

Wagneriaanse Walther
Toen ik de hele uitvoering twee keer had gedraaid, merkte ik overigens wel dat ik mijn aandacht voortdurend meer naar de instrumentale kanten en de ensembles getrokken was dan naar de solisten en dat maakte dus enkele extra luistersessies nodig (bij een Meistersinger overigens niet iets wat ik zonde van mijn tijd vind). Twee dingen waren me op dit punt wel al bijgebleven: de in frasering en karakterisering sterke vertolking van Robert Dean Smith, misschien wel de meest 'wagneriaanse' Walther die ik gehoord heb sinds Jean Cox, en de licht gechargeerde en vocaal niet echt verfijnde Beckmesser van Dietrich Henschel, die daarmee interpretatief toch een stap terug doet naar de karikaturale benadering uit vroeger tijden. De bijdrage van de laatste vormt daarmee het duidelijke minpuntje van deze uitvoering, terwijl Smith voor de vooral in zangeres geïnteresseerde operaliefhebber vermoedelijk de grote trekpleister van de uitvoering vormt (en een welkome herinnering aan zijn optredens in Nederland!).

Na zijn diverse Wotans en een opname van de Meistersinger die mij uit Barcelona bereikte, stond eigenlijk bij voorbaat al vast dat Albert Dohmen op dit moment in zijn carrière Hans Sachs vocaal voortreffelijk kon neerzetten. Hij doet echter meer denken aan een soms ietwat afstandelijke intellectueel dan aan een gemoedelijke schoenlapper, een interpretatie die associaties oproept aan die van Theo Adam onder Karajan en aan diverse keren dat ik José van Dam in het theater in die rol hoorde.
Dat afstandelijke - of aftastende - klinkt bij Dohmen sterk door tijdens de eerste akte, maar daarna groeit hij uit tot een overtuigende sleutelfiguur, zij het vooral overtuigend door de uitstraling van begrip en autoriteit die passen bij zijn rol. Minder overtuigend is hij als poëet en in de scène met Eva en Walther in III, voorafgaand aan het kwintet, had ook iets meer emotie mogen doorklinken, want laten we één ding niet vergeten: die in zijn hart wilde Sachs wel degelijk met zijn buurmeisje trouwen en als de jonge ridder niet op het laatste moment in Neurenberg was opgedoken, zou dat ook zeker gebeurd zijn! Ondanks het - voor die tijd heel normale - leeftijdsverschil.

Vocale verrassing
Als Eva ontplooit Edith Haller een volle en heldere sopraan, maar ondanks een muzikaal degelijke vertolking weet zij vooral in de duetten met Sachs het meisjesachtige van haar rol niet goed waar te maken. Een vocale verrassing is de prachtig gefraseerde en subtiel gekleurde David van Peter Sonn, een jonge Salzburger tenor die deze rol ook al in Zürich gezongen heeft, en ook de Magdalene van Michelle Breedt komt als personage uitstekend uit de verf. In de overige rollen horen we verder een verrassend sterke Fritz Kothner van Tuomas Pursio en een betrouwbare Pogner van Georg Zeppenfeld, maar voor deze beiden geldt dat zij met een regisseur erbij - of met een meer in het drama geïnteresseerde dirigent - hun rol wellicht meer diepte hadden kunnen verlenen. Een eervolle vermelding tot slot voor de Nachtwächter van niemand minder dan de onvergetelijke en nog altijd imposante bas Matti Salminen!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links