Column

De affaire rond de biografie van Reinbert de Leeuw

...ofwel waarin een groot kunstenaar klein kan zijn…

 

© Maarten Brandt, 3 oktober 2013

klik hier voor de reactie van Emanuel Overbeeke

 

 
 
Reinbert de Leeuw

“Biografische feitjes zijn irrelevant.” Ziehier een klein en schijnbaar onbeduidend zinnetje uit een behoorlijk groot interview met de onlangs jubilerende pianist/dirigent/componist/publicist Reinbert de Leeuw door Rinskje Koelewijn in NRC Handelsblad van zaterdag 28 september jongstleden. Een zinnetje waar je dus zo overheen zou lezen, ware het niet dat de alom gevierde maestro de reeds lang aangekondigde en met hoge verwachtingen tegemoet geziene biografie van de musicologe Thea Derks over hem niet wilde autoriseren. Dit met als gevolg dat zeven jaar research en schrijfwerk pardoes in de prullenmand is komen te belanden. Hoezo feitjes irrelevant? In een kookboek zijn culinaire feitjes toch ook niet irrelevant? Wat heet!

Gesternte
Het is natuurlijk een open deur op te merken dat het kenmerkende voor onverschillig welke biografie de aanwezigheid van biografisch materiaal is. Die aanwezigheid, daar helpt geen lieve moeder aan. Iets anders is dat het gesternte waaronder de biografie van Derks tot stand moest komen op z’n zachtst gezegd, weinig gelukkig was, of – zoals in een aantal recentelijk verschenen en aan deze zaak in De Volkskrant , de NRC en Het Parool gewijde artikelen/columns niet zonder reden wordt gesteld – : Derks had in haar contract met de uitgever (De Bezige Bij) De Leeuw nooit vetorecht moeten geven. Door dit wel te doen heeft ze als het ware een strop om haar hals gelegd. Want, zoveel is ondubbelzinnig duidelijk: een geautoriseerde biografie is in feite een contradictio in terminus, omdat elke vorm van onafhankelijkheid en laat staan: objectiviteit bij voorbaat is uitgesloten, waarmee een biografie met onmiddellijk terugwerkende kracht tot een onmogelijkheid wordt en wordt gedegradeerd tot en hagiografie. En dat is al het andere dan een biografie. Hans Renders, hoogleraar Geschiedenis en Theorie van de Biografie aan de Rijksuniversiteit van Groningen is daar in de Volkskrant klip en klaar over: “Een geautoriseerde biografie sla ik niet eens open. ‘Geautoriseerd’ betekent niet dat alle informatie klopt. Was de biografie over de presidentenfamilie Bush geautoriseerd, dan hadden we nooit geweten dat Bush’ broer coke gebruikte. Denk je dat ze dat erin hadden gelaten?”

Bevlogen persoonlijkheid
Reinbert de Leeuw is een van de grootste en meest markante musici die ons land ooit heeft voortgebracht. Dat laatste staat boven om het even welke twijfel verheven. Hij is een bevlogen persoonlijkheid met een ultieme veelzijdigheid, reikende van een ongekende expertise op het gebied van de klinkende nalatenschap van de Tweede Weense School tot en met het piano oeuvre van Satie en Liszt (de vertolking door De Leeuw van diens Via Crucis werd onlangs terecht met een Edison bekroond), van Kagel en Messiaen tot en met Goebaidoelina, Oestvolskaja, Kurtág en Ligeti, van Louis Andriessen en tal van andere Nederlandse partituren van rijpe en groene componisten tot en met werken van Bruckner, Sjostakovitsj en zelfs – bij het inmiddels ten gevolge van de door de bezuinigingen van het Rutte I gedoogkabinet opgeheven Limburgs Symfonie Orkest - Bachs Matthäus-Passion. Nee, geen zee gaat De Leeuw te hoog; er valt nauwelijks een componist van betekenis te bedenken of hij heeft er zich wel mee beziggehouden. Begrijpelijk dus dat hij niet alleen recentelijk - tijdens het ter gelegenheid van zijn 75 ste verjaardag georganiseerde Reinbert de Leeuw-festival in Den Haag - maar ook door de loop der vele jaren, dit in tegenstelling tot vele andere voor de eigentijdse en de Nederlandse muziek op de bres staande musici van vaderlandse bodem die ook wel eens een onderscheiding zouden verdienen maar dat is weer een ander chapiter, prijs na prijs in de wacht heeft weten te slepen.

Establishment
Reinbert de Leeuw, niet alleen een musicus maar ook een muziekpaus zonder gelijke. Dit komt tot uitdrukking in het feit dat de overgrote meerderheid van het huidige muzikale establishment hem, door de enorme autoriteit die hij nu eenmaal – zeer verklaarbaar door de omstandigheden – al decennia lang belichaamt, graag naar de mond praat. Het huidige muzikale establishment waarvan De Leeuw als geen ander de exponent is en waartegen het establishment waartegen De Leeuw en de zijnen zich op 17 november 1969 meenden te moeten verweren eenvoudigweg verbleekt. En dan hebben we het over het toen nog niet Koninklijke Concertgebouworkest dat in de jaren voorafgaand aan en vlak na de Actie Notenkraker, naast het Residentieorkest, verreweg de meeste eigentijdse muziek speelde. Marius Flothuis, die destijds artistiek directeur van het Concertgebouworkest was, schrijft in zijn bijdrage voor het onder redactie van Paul Korenhof staande Liber Amicorum Bernard Haitink (Anthos, Amsterdam, 1999) onder meer het volgende:

“Er waren in die jaren (…) twee orkesten, waarvan het ene (het Amsterdams Philharmonisch Orkest) zich in hoofdzaak beperkte tot traditioneel repertoire, met Sjostakovitsj als uiterste grens. Het Concertgebouworkest heeft in die periode niet alleen de belangrijkste werken uit de Tweede Weense School en van Stravinsky aan het publiek voorgesteld (de twaalftoonswerken incluis MB) maar bovendien composities van een jongere generatie: Hartmann, Messiaen, Dutilleux, Nono, Stockhausen, Berio, Boulez, Lutoslawski en verscheidene Nederlanders. De actie van de angry young men richtte zich echter niet tegen het Amsterdams Philharmonisch maar tegen het Concertgebouworkest – voer voor psychologen, dunkt mij.”

 
 
Thea Derks

Geschiedvervalsing
“Verscheidene Nederlanders”, daaronder begrepen niet alleen componisten van de generatie van Flothuis als Henkemans, Van Delden, (Hendrik) Andriessen en Van Hemel, maar tevens muziek van die angry young men zelve! Immers stukken van Peter Schat, Louis Andriessen en – Notenkraker op afstand, want de methode van actievoeren verafschuwde hij – Jan van Vlijmen kwamen tot klinken, tot in de traditionele concertseries toe! Trouwens, wie het proefschrift Nederlandse muziek bij de Nederlandse orkesten 1945-2000 van Emanuel Overbeeke leest (klik hier voor de recensie), kan tot geen andere conclusie komen dat de actie van De Leeuw cum suis uiterst onbezonnen was en sterker nog, dat zijn keer op en keer en ostentatief herhaalde argument dat het Concertgebouworkest in zijn artistieke beleid geen of te weinig oog had voor de actuele ontwikkelingen binnen het componeren op drijfzand berust. Een argument met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ingegeven door de wens als eerste en enige pleitbezorger voor de eigentijdse muziek in ons land voor het nageslacht te worden herinnerd. Een wens waaraan Derks, op gevaar af van geschiedvervalsing te worden beticht in haar biografie niet tegemoet heeft willen komen. Zulks al haar ongeveinsde bewondering voor De Leeuw ten spijt, getuige haar spraakmakende voor de VPRO gefilmde radio-interviews met de meester, waarover Derks een artikel schreef dat u via deze link (klik hier) kunt lezen en waarbij tevens alle links naar de uitzendingen in kwestie staan vermeld: Zoveel is in ieder geval zeker, alvorens De Leeuw zijn dirigeerstok ophief waren reeds grote coryfeeën op het gebied van de toenmalige avant-garde bij zowel het Concertgebouworkest als het Residentieorkest, maar ook bij het Utrechts Stedelijk Orkest actief als Hans Rosbaud, Pierre Boulez, Bruno Maderna en niet te vergeten Ernest Bour en Paul Hupperts. En ook elders, trouwens, maar dat is weer een ander verhaal.

Hoe dan ook, wie de programma’s van weleer bij de grote orkesten vergelijkt met die van tegenwoordig kan niet anders dan beamen dat de eigentijdse muziek in het algemeen en die van eigen bodem in het bijzonder – althans wanneer wij ons tot de symfonische sector beperken – nagenoeg volledig is gemarginaliseerd om niet te zeggen totaal afwezig is.

Beeld
Maar nu terug naar die helaas niet verschenen biografie die, samen met Overbeeke’s al genoemde proefschrift en Nelissens dirigentenbiografie van Willem van Otterloo, een schitterende drietrapsraket had kunnen vormen aan de hand waarvan een buitengewoon representatief beeld was ontstaan van het muziekleven uit de afgelopen twintigste eeuw. Wat nog het meest wringt in alle persberichten en commentaren, niet in de laatste plaats in de uitlatingen gedaan door De Leeuw zelf, is dat wij volstrekt in het ongewisse blijven over de al dan niet terechte inhoudelijke bezwaren tegen het boek. Het enige is dat De Leeuw vindt dat het over muziek en zijn relatie daarmee had moeten gaan en dat al het andere, dus de van de muziek onafhankelijke biografische wederwaardigheden, er niet in hadden mogen voorkomen. Dat laatste is natuurlijk grote onzin. Waarbij nog valt aan te tekenen dat juist de hoofdpersoon, subjectief betrokken als hij natuurlijk is, wel de laatste is om uit te maken of en zo ja in hoeverre die biografische elementen losstaan van de muzikale: alles heeft immers met alles te maken. En al die feiten gezamenlijk leveren het beeld van de persoonlijkheid achter de musicus op, die altijd – hetzij direct dan wel indirect - van invloed is op de muziek zelf.

Smet
En, of De Leeuw nu met zijn ego-gerichte gedrag zijn eigen zaak echt een grote dienst bewijst, mag met recht nadrukkelijk worden betwijfeld. Of zoals Aleid Truijens het in haar column in De Volkskrant formuleert:

“Het is verstandiger om tegen een biograaf te zeggen: wacht maar tot ik dood ben. Of om een boek, geen biografie dus, samen met de auteur te maken. Je kunt tegen je nabestaanden zeggen: liever niet. Maar als je bij leven iemand vrij inzage geeft in het materiaal, laat haar dan haar werk doen. Het resultaat is háár boek. Vind je het mislukt, dan kun je luidop kritiek leveren. Het helpt natuurlijk ook niet, die damage control. Ooit, na zijn dood, verschijnt deze biografie toch, of een andere, en zien we in het laatste hoofdstuk een kunstenaar die de publicatie van een onwelgevallige biografie verijdelde. Geen prettig beeld.”

En Gerard Mulder, die vindt dat De Leeuw met zijn actie de indruk wekt met de botte bijl der censuur te hakken, schrijft in zijn column in Het Parool niet zonder reden het volgende:

“Maar uiteindelijk draait alles om de vraag wat De Leeuw nu op haar tekst heeft aan te merken. Als we zijn verzekering letterlijk nemen dat hij bij de totstandkoming van het boek niet betrokken was, moet hij verder gewoon niet zeuren. Hij kan toch onmogelijk aannemen dat Derks via telepathisch contact met hem exact kon weten hoe en wat hij allemaal in zijn biografie verwachtte te zien staan. Als hij daarentegen het manuscript tijdig genoeg te lezen heeft gekregen om omissies en feitelijke correcties door te geven die naar zijn mening nodig waren, zal Derks ze op ongetwijfeld goede gronden niet hebben overgenomen. Iedere biograaf is blij met zinnige aanvullingen en correcties. En als De Leeuw vindt dat haar gronden niet goed zijn, ligt de bewijslast bij hem. Tot hij met zijn bewijzen over de brug komt, houd ik de indruk dat de grote componist en musicus in zijn nadagen nog snel een smet op zijn blazoen heeft gekliederd.”

Waarin een groot kunstenaar klein kan zijn…

Reactie van Emanuel Overbeeke

Een biografie van een levend persoon is altijd een delicate zaak, waarbij tact van levensbelang is (trouwens ook als het onderwerp al dood is), maar als de gebiografeerde inzage geeft in alle stukken is de consequentie voor hem of haar duidelijk: toestaan wat er over je geschreven wordt. Het onderwerp kan immers ook inzage weigeren of documenten achterhouden of vernietigen. Als het resultaat hem of haar niet zint, is de koninklijke weg: niet meer meewerken, maar ook niet tegenwerken. Het resultaat is dan een niet-geautoriseerde biografie. Zo deed Boulez dat met Peyser en zo deed de weduwe van de dichter Achterberg dat met Hazeu. Of het boek daarna overtuigt, hangt dan op den duur niet af van een eventuele rel maar van de kwaliteit van de biografie. Dat Peyser vrijwel geen stand hield en Hazeu wel, zegt in de eerste plaats iets over de kwaliteiten van hun boeken. Het betreurenswaardige is dat Derks akkoord is gegaan met zijn toestemming zodat hij een niet-koninklijke weg kon inslaan. Ik sta net als Renders instinctief wantrouwend tegenover een geautoriseerde biografie, maar vind een niet-geautoriseerde niet bij voorbaat beter.

De Leeuw als dirigent
Als er reden is voor kritiek op Reinbert de Leeuw, dan zou ik allereerst iets zeggen over zijn prestaties als dirigent (zeker vergeleken met Knussen, Eötvös en Spanjaard, om maar te zwijgen van Boulez). Neem een compositie die De Leeuw en ook anderen uitvoerden en maak er een Discotabel van met in het panel luisteraars met welwillende maar niet kritiekloze oren (die zich niet willen laten intimideren door een cultuurpaus) en het resultaat is een beeld dat hem zeker niet onderuit haalt, maar wel grondig op de aarde zet. Zijn Satie is curieus (vergelijk het eens met de opnamen van Poulenc en Février), de late Liszt soms intrigerend, Antheil is puberaal, Messiaen veel te Duits, Pli selon pli van Boulez vreselijk, Schönberg, Berg en Webern zeer ongelijk, Vivier en de Russinnen zeer goed, Stravinsky zeer wisselend, Zemlinsky zonder greep op de lange lijn, Louis Andriessen on-Amerikaans log, Kees van Baaren en Rudolf Escher slecht, Otto Ketting en Jan van Vlijmen goed. Een voorwaarde voor die genuanceerde kijk is ook dat men niet luistert naar zijn verbale toelichting op de muziek (waarin elke componist verkeert op de rand van de extase, zo niet het delirium met alle ontwrichting van het klassieke keurslijf vandien), maar naar het klinkende resultaat, iets wat wel de eerste neiging is van velen bij Boulez, Knussen, Eötvös en Spanjaard, ongeacht hun woorden.

Rol achter de schermen
Wat ook reden is tot kritiek (en waar Derks hopelijk ook aandacht aan besteedt), is zijn rol achter de schermen. Hij was onder meer in 1983 lid van de commissie-Sutherland die voorstelde drie symfonie-orkesten op te heffen en één nieuwe op te richten. En hij was lid van de commissie die in 1995 besloot de Erasmus-prijs, nadat die al aan Boulez was toegekend, Boulez alsnog te onthouden. Elke goede interviewer die zijn huiswerk doet, weet van die rol en vraagt ernaar. Dat Reinbert zonder weerwoord kan verkondigen dat hij nooit in een commissie heeft gezeten, zoals in een dubbel-interview uit 1994 voor de AVRO-radio met Marius Flothuis, zal geen politicus overkomen en zegt ook veel over de interviewers. Dat alle interviewers en programmamakers de Notenkrakers kritiekloos napraten, geeft ook te denken. Of ze kennen de geschiedenis van de Nederlandse orkesten niet, of ze willen hoe dan ook van een noodzakelijke revolutie reppen omdat ze anders een revolutionaire illusie armer zouden zijn. Die houding zou meer op zijn plaats zijn geweest bij de verdere verspreiding rond 1970 van de historische uitvoeringspraktijk en van de komst van de ensemblecultuur. Bovendien had Louis Andriessen uit eigen familiegeschiedenis De Leeuws fabel kunnen weerleggen dat er voor 1970 zo weinig contact was tussen componisten en hun vertolkers.

Thea Derks lijkt mij zeer geschikt om Reinbert de Leeuw de biografie te geven die hij verdient: een genuanceerde beschrijving waarin zijn grote betekenis voor het Nederlandse muziekleven ruim aan bod komt (als zij die betekenis niet inzag, was ze niet eens aan haar boek begonnen) en geen hagiografie. Als een kunstenaar graag het laatste wil, is er altijd nog de mogelijkheid van de autobiografie. Hopelijk verschijnt haar boek spoedig.

Noot van de redactie
dr. E. Overbeeke is musicoloog en auteur van het standaardwerk Nederlandse muziek bij Nederlandse symfonieorkesten 1945-2000 (ISBN 97890-75879-605)

De ongeautoriseerde biografie van Reinbert de Leeuw is toch verschenen. Klik hier voor de recensie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links