CD & DVD-recensie

 

© Aart van der Wal, februari 2024

Berliner Philharmoniker - 15 jaar Digital Concert Hall

Klik hier voor de inhoudsopgave

 

De Berliner Philharmoniker heeft, samen met Herbert von Karajan en het muzieklabel van Deutsche Grammophon (DG), al vanaf het begin van de jaren zestig een toen zéér eigentijdse vorm van marketing bedreven. Het was een mede op pure commercie gericht samenstel van activiteiten die het toenmalige cultuurlandschap bepaald niet onberoerd lieten. De eerste concrete stappen daarvan werden gezet in het begin van de jaren zestig, zo'n vijf jaar nadat Herbert von Karajan (1908-1989) in 1955 voor het leven was benoemd tot chef-dirigent (feitelijk muziekdirecteur) van de Berliner Philharmoniker, in welke functie hij Wilhelm Furtwängler (1886-1954) was opgevolgd. Het moet niet alleen muzikaal een ware metamorfose zijn geweest.

Herbert von Karajan en de Berliner Philharmoniker met op het verhoogde podium Luciano Pavarfotti tijdens de opnamen van Puccini's ‘La Bohème' in de Jesus-Christus-Kirche in Berlijn-Dahlem (1973)

USP...
Vanuit diezelfde strategie kan van Karajan - al deed hij het uiteraard niet alleen - zonder meer worden gezegd dat hij vanaf die jaren zestig in het domein van de klassieke muziek het vanuit de marketing bekende ‘unique selling point' (USP) vertegenwoordigde, dat miljoenen muziekliefhebbers (en zij niet alleen) aan dirigent, orkest én muzieklabel wist te binden. Veel later, toen binnen de gelederen geharrewar ontstond (we kunnen er inmiddels ietwat schamper op terugkijken), en Karajans werkterrein min of meer werd verplaatst naar Wenen, nam de in Londen gevestigde Decca-groep het stokje althans deels van Deutsche Grammophon over. Maar toen waren alle kaarten eigelijk reeds geschud.

Herbert von Karajan dirigeert de Wiener Philharmoniker

Compact Disc
Het was toch uiteindelijk Karajan, de sterdirigent, die de klassieke muziek een enorme boost wist te geven, zowel op lp als op film, met in het epicentrum daarvan een uiterst geraffineerd opgezet publiciteitscircus dat zich – het spreekt welhaast vanzelf – zeker niet alleen tot Berlijn beperkte: de Karajan-hausse strekte zich zelfs over de gehele wereld uit, tot diep in Azië. Het was ook Karajan die samen met de CEO van Sony, Akio Morita, en het hoofd van de ontwikkelingsafdeling van Philips, Joop van Tilburg, op 15 april 1981 in Salzburg de compact disc introduceerde, een door de wereldpers verslagen evenement dat plaatsvond in de plaatselijke studio van de Oostenrijkse omroep ORF. De persconferentie die geschiedenis maakte (klik hier).

Akio Morita en Herbert von Karajan tijdens de presentatie van de compact disc op 15 april 1981

'Music for the millions'
Klassieke muziek en commercie kan en mag een negatieve connotatie worden meegegeven, maar een feit is wel dat dankzij dat uitgekiende marketingconcept zoals dat in de jaren zestig in Berlijn werd geïntroduceerd en vervolgens opgebouwd, daardoor al vrij rap de scherpe kantjes van het vermeende ‘elitaire' karakter van die muziek danig kon worden afgeslepen. Beethovens Eroica werd zelfs ‘gepromoveerd' tot ‘music fort the millions', terwijl van de Tweede Weense School set nota bene tienduizenden exemplaren verkocht. Wie had dat ooit kunnen denken? What's in a name bleek in dit geval heel belangrijk, zo niet doorslaggevend te zijn: Karajan en daarmee ‘zijn' orkest waren opgestegen naar de absolute sterren aan het klassieke firmament.

Erfenis
De klassieke muziek dichter bij de mensen brengen: het mes sneed aan twee kanten, publiek succes ging hand in hand met geldelijk gewin. Maar het heeft wel een ware stortvloed aan audio- en filmopnamen opgeleverd waarvan gerust mag worden gezegd dat die een aanmerkelijk deel van onze westerse muziekhistorische erfenis uitmaakt. Wie Karajan nu verguist mist de pointe.

Na Karajan
Na de dood van de gevierde dirigent was het Claudio Abbado (1933-2014) die in 1989 de baton mocht overnemen. Voor het eerst in de geschiedenis van het orkest waren het ditmaal de orkestleden zelf die bij de keuze van Karajans opvolger een behoorlijke stem in het kapittel kregen. Het pakte uit als de democraat versus diens autoritaire voorganger, maar anders dan Karajan duurde de verbintenis aanmerkelijk minder lang, want al in 2002 gaf de Italiaanse dirigent wegens ziekte (hij leed aan maagkanker) het chefschap op.

Herinneringsplaquette aangebracht op het huis aan de Berlijnse Ludwigkirchstraße 9a, waar Claudio Abbado van 1989 tot 2001 woonde (foto Karla Rabe)

Waarna het vanaf september van datzelfde jaar de beurt was aan Simon Rattle (*1955), die het orkest daarna maar liefst zestien jaar als chef zou leiden. Abbado en Rattle zouden tot dan de enige dirigenten zijn die hun chefschap bij het orkest nog tijdens hun leven beëindigden.

De Berliner Philharmoniker o.l.v. Simon Rattle in Symphony Hall, Boston op 11 november 2016 (foto Robert Torres)

Bijzonder instituut
Eind 2008, Rattle was toen op de kop af zes jaar als chef werkzaam, werd een bijzonder instituut opgericht met ver strekkende gevolgen: de Digital Concert Hall. Het initiatief (ik besteedde er toen hier aandacht aan) werd alom gezien als een financieel waagstuk, al was het dat deels niet omdat al vanaf de oprichting Deutsche Bank zich er als hoofdsponsor aan had gecommitteerd, een verbintenis die eerst in 2016 tot een einde kwam.

Het achterliggende idee was simpel: het doorgeven van primair de orkestconcerten vanuit de Berlijnse Philharmonie in hoge definitie (audio én video) op basis van een betaalabonnement; dit alles op basis van uitstraling van een zeer hoge graad van professionaliteit.

Exemplarisch
Zowel de live-concerten konden worden meebeleefd, als dat er later, dankzij het gemakkelijk toegankelijke en uiterst overzichtelijke archief, van kon worden genoten. Want de zoekfunctie is ronduit exemplarisch: zeer gebruiksvriendelijk en bovenal feilloos, wat zelfs anno nu nog steeds een witte raaf mag heten (zie de gemankeerde zoekfuncties die bijvoorbeeld muziekstreamingsdiensten als Spotify en Qobuz). Ook de aparte rangschikking naar componisten, dirigenten, solisten, ensembles, seizoenen, tijdvakken en categorieën, films, documentaires en interviews maakt van het zoeken een feestje.

Rijke collectie
Van Karajans muzikale prestaties is in de Digital Concert Hall helaas relatief weinig voorhanden, wat wel samen moet hangen met de daarop rustende rechten van derden. Van zijn opvolgers en gastdirigenten is gelukkig wel veel materiaal voorhanden, waaronder ook een groot aantal documentaires. Gerekend naar de ontstaansgeschiedenis biedt het archief vooral de concerten en evenementen (waaronder de Europakonzerte en Waldbühne) vanaf 2008, een buitengewoon rijke collectie waarop men niet snel uitgeluisterd en -gekeken raakt. Waarbij tevens mag worden aangetekend dat de live uitgezonden concerten een belevenis op zich zijn, zowel wat betreft het repertoire als de uitvoerenden (waaronder een waar leger van topsolisten); naast de voortreffelijke klankkwaliteit en de beeldregie, waarbij vanuit de regiekamer inventief gebruik wordt gemaakt van vast opgestelde maar uiterst wendbare, op afstand bedienbare videocamera's.

Op afstand bedienbare camera's

Regiekamer van de Digital Concert Hall

Krachtig medium
De Digital Concert Hall heeft zich inmiddels ruimschoots bewezen als een uiterst krachtig medium dat jaarlijks duizenden abonnees trekt. Een uitgesproken succesformule die de vraag oproept waarom een dergelijk concept in ons land geen opgeld doet. We beschikken immers over tenminste twee toporkesten (Concertgebouworkest en Rotterdams Philharmonisch Orkest). Terwijl ons land bovendien op zowel audio- als videogebied twee bedrijven kent die daarvan al jarenlang hun specialisatie hebben gemaakt en tot ver buiten onze landsgrenzen bekendheid genieten: het in Baarn gevestigde Polyhymnia (audio) en Polycast (video). En dan te bedenken dat beide bedrijven (ze zijn overigens aan elkaar gelieerd) talloze gerenommeerde producties op hun naam gebracht, waaronder in het Amsterdamse Concertgebouw en in de Weense Musikverein. En daarmee is het verhaal nog niet eens uit, want het Concertgebouworkest beschikt, als het om het aanboren van financiële aders gaat, over gerenommeerde zogenaamde ‘global partners', waaronder drie uiterst belangrijke sponsors: ING, Unilever en Booking.com. Je zou dan denken dat een Amsterdamse Digital Concert Hall vrijwel binnen handbereik zou moeten zijn, maar helaas blijft een dergelijk medium buiten het gezichts- en gehoorveld, al is gelukkig wel sprake van een groot aantal (gratis!) beeld- en geluidsopnamen (waaronder concerten, interviews en portretten) (klik hier).

De abonnementsprijzen zijn op dit moment respectievelijk € 169.-- (12 maanden), € 19,90 (30 dagen) of € 9,90 (7 dagen), onafhankelijk van het door de abonnee gekozen medium (pc, laptop, iPad, iPhone, Android, enz.)

Corrosie versus eigen initiatief
Hoewel de verbindingslijnen tussen de orkesten en de muzieklabels in de loop der tijd aan corrosie onderhevig zijn geraakt, worden er uit die hoek gelukkig nog wel steeds nieuwe opnamen uitgebracht; al is de frequentie ervan aanmerkelijk minder geworden. Geen wonder dus dat een aantal orkesten een eigen label in het leven heeft geroepen, uit kostenoverwegingen veelal gestoeld op de registratie van live-concerten, met als bijkomend voordeel dat die menigmaal ook spannender en enerverender kunnen uitpakken dan studio-opnamen, waar dan de onvermijdelijke ongerechtigheden tijdens de live-uitvoering doorgaans niet tegenop wegen (al geldt ook hier: hoe beter het orkest, des te minder de missers, al blijven de Franse hoorns altijd een onberekenbare factor).

In het verlengde van de Berlijnse Digital Concert Hall zijn er de vele audio- en videoproducties die nog eens apart worden uitgebracht, onder de eigen merknaam van het orkest. Een aantal ervan hebben we al eerder besproken. Kortgeleden ontving ik drie nieuwe uitgaven, ditmaal gewijd aan de muziek van respectievelijk Unsuk Chin, Rachmaninov en Sjostakovitsj.

Unsuk Chin
Om bij de eerste te beginnen: de Zuid-Koreaanse, in Berlijn gevestigde Unsuk Chin (*1961) mag zich zeker in het laatste decennium in een sterk gegroeide populariteit verheugen. Zo gaat het vaak: eerst lange tijd vrijwel onbekend, en dan ineens, ogenschijnlijk zomaar uit het niets, ontstaat de hausse, willen velen in het muziekbedrijf er deelgenoot van zijn of worden.

Droomwereld
Er wordt de laatste tijd veel over haar geschreven en haar muziek wordt frequent uitgevoerd, door vrijwel alle toporkesten en -solisten, door zowel grote als kleine ensembles (in ons land werd haar werk geïntroduceerd door Nieuw Ensemble onder leiding van Ed Spanjaard). Zo was er nog op zaterdag 28 oktober 2023 binnen de kaders van de hedendaagse serie van de NTR ZaterdagMatinee een speciaal rond Chin samengesteld programma, door o.a. Asko|Schönberg en de Franse pianist Pierre-Laurent Aimard. En op zaterdag 1 juni a.s. wordt het Matineeseizoen ongetwijfeld indrukwekkend afgesloten met de Nederlandse première van Chins opera Alice in Wonderland met negen vocale solisten, het voltallige Groot Omroepkoor, het Nationaal Kinderkoor en het Radio Filharmonisch Orkest, het geheel geleid door Markus Stenz. Als de voorspellingen uitkomen, horen we een ‘(hallucinante) droomwereld vol sprookjesachtige muziek'. Het tekent in globale termen de muziek van Chin: een waaier van orkestrale sfeerbeelden, vervreemdende ontwikkelingen, naast evocatieve flarden en verre echo's uit onze (westerse) muziekgeschiedenis. De wereldpremière in 2007 door de Beierse Staatsopera in München bleek een groot succes en in Amsterdam zal straks weinig anders zijn.

Die droomwereld, het sprookjesachtige, het veelkleurige. Het is ook wat ook in dit zo bijzondere, door de Berliner Philharmoniker uitgebrachte, superieur vormgegeven album op de voorgrond treedt: Chins muziek die alle ingrediënten in zich heeft van een toverrijk waaruit zich voortdurend nieuwe perspectieven losmaken, labyrintisch, badend in een nieuwe klankwereld, ingebed in een complexe textuur, een letterlijk ongehoord samenstel van klankfenomenen die een veelal bovenaardse schoonheid oproepen. In de woorden van de Berliner Philharmoniker:

‘Für uns als Orchester hält diese Welt durchaus Herausforderungen bereit – schließlich ist das Ausloten spieltechnischer Grenzen Teil des Stils von Unsuk Chin. Oder anders gesagt: “Sie ist eine Komponistin, in deren Musik wir unsere Stärken zeigen können. Durch ihren Einfallsreichtum verköpert sie zudem beispielhaft die nicht versiegende Vitalität heutiger Musik. Diesen Qualitäten ist es zu verdanken, dass wir bisher nur mit ganz wenigen Komponistinnen und Komponisten so oft und so fruchtbar zusammengearbeitet haben wie mit Unsuk Chin.'

Autoriteit
Die samenwerking tussen dit eminente orkest en deze verbeeldingsvolle toondichteres heeft menig juweel opgeleverd, maar ook dat haar muziek dankzij haar aanwezigheid tijdens de voorbereidingen en repetities het aureool van autoriteit en authenciteit krijgt aangemeten en als zodanig afstralend op de toehoorder. Een proces overigens dat ik zelf vaak genoeg heb mogen meebeleven (met o.a. Goebaidoelina, Kurtág, MacMillan, Oestvolskaja, Nono, Reinbert de Leeuw en Rijnvos).

Unsuk Chin

Subliem
Het is ook dit uitstekend gedocumenteerde album waaruit blijkt dat die ongetwijfeld inspirerende samenwerking al teruggaat tot 2005 en die wordt weerspiegeld in deze sublieme uitvoeringen van soloconcerten en orkestwerken, en zeker niet in de laatste plaats Le silence des Sirènes voor sopraan en orkest, maar daarin de hoofdrol voor de onweerstaanbare, in het moderne en eigentijdse repertoire excellerende, in stemacrobatiek aan de legendarische Cathy Berberian herinnerende Barbara Hannigan.

Fascinerend
Chins bijzondere instrumentatie en orkestratie zorgen voor de meest fascinerende klankkleuren, waarmee haar muziek nog niet als exotisch te bestempelen is. Het is zelfs muziek die, zoals haar uit 2001 daterende Eerste vioolconcert laat horen, ‘gewoon' kan ontstaan uit slechts een lege kwint (een fenomeen dat we al kennen van het begin van Beethovens Negende en dat Bruckner vervolgens naar geheel nieuwe hoogten voerde), met de door haar geraffineerd uitgewerkte percussie die letterlijk de toon aangeeft.
Klankkleuren en klankgolven, het fundament van het een vormt weer het fundament voor het ander, het betoverende spel van de intervallen op ‘lege' snaren, de overweldigende kleurstellingen, het uiterst fijnmazige perspectief.

Sirenen
Ook het spel van de verleiding speelt in de muziek van Chin een niet te onderschatten rol, zoals bijvoorbeeld in Le silence des Sirènes. We kennen het uit de Griekse mythologie: de sirenen, vogels met een vrouwenhoofd, die de mannen wisten te verleiden met hun onweerstaanbare erotische gezang. Volgens Homerus slaagde Odysseus er echter in om toch aan het gezang te ontsnappen door eerst de oren van zijn scheepslieden met was te laten vullen en zich vervolgens hoog in de mast te laten vastbinden. Zo kon hij wel het gezang van de nimfen horen, maar zijn bemanning niet, waardoor koers kon worden gehouden en het gevaar was geweken dat het schip alsnog op de rotsen te pletter zou slaan. Daarmee is het althans deels de pendant van Lorelei, eveneens een voor naderende schepen aanlokkelijke maar uiterst gevaarlijke verleidster. Het is toeval, de overeenkomst tussen die rots in de Rijn en Odysseus die de sirenen van hun toverkracht wist te beroven en hen in rotsblokken deed veranderen. In het stuk van Chin vinden we het allemaal terug: het dodelijke gezang, de graal van kennis en lust, samengebald in een ‘gevoelspanorama' dat zijn weerga niet kent, waarbij het orkest – in de woorden van Chin – dient als ‘omgeving, echo, steun en uitdaging'. Aan het slot accelereert het pandemonium tot een verstikkende schreeuw, waarna de muziek in het orkest rustig uitklinkt. Er is de gedachte aan Kafka, die zich afvroeg wat erger was: het gezang van de sirenen of hun stilte? De gezongen teksten, naar Homerus' Odyssee (Boek XII, verzen 184-191) en James Joyce's Ulysses (hoofdstuk 11), zijn in het boek opgenomen.

Traditioneel
Chins instrumentatie en orkestratie creëert een fascinerende luisterervaring, is in al hun facetten bijzonder, maar men zal wat betreft haar keuze van het instrumentarium vergeefs zoeken naar wat wij als buitenissigheden beschouwen. Wat tevens betekent dat Chin geen beroep heeft gedaan op instrumenten zoals die in haar geboorteland nog steeds gangbaar zijn (wat bijvoorbeeld de eveneens in Duitsland wonende en werkende Sofia Goebaidoelina juist wel heeft gedaan). We horen in de op dit album verzamelde werken het traditionele westerse instrumentarium, al naar gelang veelal meervoudig bezet: fluit, piccolo, hobo, althobo, klarinet, fagot, hoorn, trompet, trombone, tuba, (uitgebreid) slagwerk, mandoline, celesta, harp, strijkerskorps.

Topklasse
Het is treffend hoezeer deze zes werken door dat ene orkest onder vier verschillende dirigenten en met vier verschillende solisten zonder ook maar de geringste inzinking werkelijk fenomenale (live!)uitvoeringen ten deel zijn gevallen: ‘hautnah' zouden onze oosterburen zeggen. Natuurlijk, het zegt het nodige over die dirigenten (Myung-Whun Chung, Daniel Harding, Sakari Oramo, Simon Rattle) en deze solisten (Alban Gerhardt, Barbara Hannigan, Sunwook Kim, Christian Tetzlaff), maar het zegt ook veel, heel veel zelfs, over de kwaliteiten van de Berliner Philharmoniker, het gezelschap dat zich – het wordt uiteraard niet alleen in het werk van Chin aangetoond - tot de beste orkesten ter wereld mag rekenen. Bovendien een orkest dat bereid is daadwerkelijk te investeren in moderne en hedendaagse muziek, wat zeker na de komst van Simon Rattle een behoorlijke vlucht heeft genomen en dat diens opvolger Kirill Petrenko heeft voortgezet. Ook in Berlijn is geleidelijk aan het besef doorgedrongen dat een vooral museale functie uiteindelijk een doodlopende weg betekent.

Van Petrenko kennen we al in eerdere set in deze serie, met werken van Beethoven, Tsjaikovski, Schmidt en Stephan (klik hier).

Kirill Petrenko dirigeert de Berliner Philharmoniker

Rachmaninov 150
Dat de overige beide albums (over)bekend repertoire bevatten doet aan die laatste vaststelling niet af. De Rachmaninov-uitgave kwam tot stand naar aanleiding van het honderdvijftigste geboortejaar (1873) van de componist en biedt opnieuw een staalkaart van de grote kwaliteiten van het orkest, met de Russisch-Amerikaanse pianist Kirill Gerstein als de gedroomde solist in het Tweede pianoconcert, een opname (tevens het laatste concert van de Waldbühne 2022) die al eerder werd uitgebracht, toen samen met een aantal van Rachmaninovs solowerken in het kader van Rachmaninoff 150.

Lijfstuk
De opnamen op dit Rachmaninov-album werden gemaakt tussen februari 2020 en juni 2022, In een interview met de dirigent op Digital Concert Hall zei Petrenko dat de muziek van Rachmaninov voor hem een immens belang vertegenwoordigde en dat, als hij haar hoort, zij aan zijn geboorteland doet herinneren (hij werd in 1972 in Omsk geboren). De Tweede symfonie behoort al lange tijd tot een van Petrenko's lijfstukken. Geen wonder dus dat het werk in 2006 op het programma stond, zijn eerste optreden met de Berliner Philharmoniker. Het was ook de Tweede symfonie die in maart 2021 de eerste concerten inluidde zónder overal lege stoelen in de zaal als gevolg van het rondwarende coronavirus: op 20 maart was er plek voor 1000 bezoekers.

Luxe
Dit is ook wel het moment om even stil te staan bij waar we tegenwoordig zozeer gewend aan zijn geraakt: de ‘luxe', ronkende orkestklank; door zowel het met de tijd meegegroeide instrumentarium, de speeltechniek én niet in de laatste plaats de opname- en weergavetechniek. Gedrieën laten die vandaag de dag geen wens onvervuld. De speeltechniek was bij de toporkesten al in het interbellum van zeer hoog niveau (de overgeleverde opnamen tonen dat onomstotelijk aan), maar tegenwoordig heeft zich dat ook uitgestrekt tot de orkesten waarvan de namen niet op ieders lippen liggen.

Afgeslepen
Wat ook aan verandering onderhevig is geweest is de klank van het koper, door de in de loop der tijd gewijzigde boring. Het scherpe karakter ervan is er letterlijk vanaf geslepen, hetgeen zelfs goed waarneembaar is door de vaak matige opnamekwaliteit heen (ik doel dan in het bijzonder op de Russische orkesten tot zelfs in de jaren zeventig). Overigens biedt een cilindrische buis een heldere, maar scherpe(re) klank, in tegenstelling tot de conische buis die een wekere klank oplevert. Hoorn en cornet verbinden juist beide eigenschappen.

Philadelphia Orchestra schrijft historie
Het is zeker interessant om Rachmaninov als pianist én dirigent discografisch op de voet te volgen (er zijn gelukkig veel opnamen van hem bewaard gebleven, voornamelijk als pianist, maar incidenteel ook als dirigent). In dit verband verwijs ik graag naar de opnamen die in Philadelphia werden gemaakt, met Leopold Stokowski en Eugene Ormandy als dirigent van het Philadelphia Orchestra, en met Rachmaninov zowel in de rol van pianist als dirigent, in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw. Daaronder ook de werken die hij speciaal voor dit orkest componeerde: het Vierde (en tevens laatste) pianoconcert, de Paganini-rapsodie, de Derde (en tevens laatste) symfonie, en zijn laatste orkestwerk: de Symfonische dansen. Die opnamen mogen dan historisch en uiteraard mono zijn, de fluwelen strijkers en het warme koper komen wel degelijk uit de luidsprekers. Over het Philadelphia Orchestra merkte Rachmaninov eens op dat hij dit het beste orkest vond dat hij ooit had gehoord:

‘Philadelpia has the finest orchestra I have ever heard at any time or any place in my whole life. I don't know that I would be exaggerating if I said that that this is the finest orchestra the world has ever heard. […] Years ago, I composed for the great Chaliapin. Now he is dead, and so I compose for a new kind of artist, the Philadelphia Orchestra.'

Sergei Rachmaninov dirigeert het Philadelphia Orchestra (1939)

Rachmaninov in Berlijn
Toen was er volgens Rachmaninov dat ‘finest orchestra', nu zijn het er aanzienlijk meer die op deze status kunnen bogen, waaronder de Berliner Philharmoniker, dat ook op dit vlak een traditie hoog heeft te houden: al in 1903 was het Tweede pianoconcert het eerste werk van Rachmaninov dat bij de Berlijners op de lessenaars stond, terwijl de componist zelf er zijn debuut maakte op 23 januari 1908, met datzelfde pianoconcert, met op de bok Serge Koussevitzky. Rond 1930 had Rachmaninov als pianist meerdere optredens met de Berliner Philharmoniker aan zijn muzikale conduitestaat toegevoegd, met als dirigenten Wilhelm Furtwängler en Bruno Walter (in Berlijn vond de Duitse première van het Vierde pianoconcert plaats). Arthur Nikisch dirigeerde op 29 november 1909 de Berliner Philharmoniker in de eerste uitvoering van de Tweede symfonie, op 25 januari 1912 gevolgd door de eerste uitvoering van Het Dodeneiland. Het Tweede pianoconcert verscheen voor het eerst op de lessenaars op 6 maart 1903, met als solist Wassili Sapelnikov en als dirigent Josef Rebicek, maar merkwaardig genoeg kwamen de Symfonische dansen eerst op 5 november 2010 aan de beurt, gedirigeerd door Simon Rattle. Een meesterwerk dat bij de Berlijners dus wel héél lang onder de radar is gebleven, maar liefst bijna zeventig jaar na de wereldpremière in Philadelphia, op 3 januari 1941, met als dirigent Eugene Ormandy.

Sjostakovitsj
De Berlijners kunnen zich weliswaar niet beroepen op een veelomvattende Sjostakovitsj-traditie, een mijlpaal valt er desondanks wel degelijk te registreren: de door Karajan gedirigeerde live-uitvoering van de Tiende symfonie in 1969 in Moskou, met onder het publiek niemand minder dan de componist zelf. Karajans toenmalige perschef Peter Csobádi zei na afloop van het concert dat de ooit in ongenade gevallen Sjostakovitsj die avond misschien wel zijn grootste triomf had beleefd.  Waarna orkest en dirigent het werk vervolgens nog in het toenmalige Leningrad uitvoerde. Het publieke succes was in beide gevallen enorm. Karajan had naar eigen zeggen de symfonie in 1959 ‘ontdekt', hetgeen resulteerde in zijn eerste (en tevens beste) uitvoering in 1967 op uiteraard het DG-label (in 1982 volgde de tweede opname, die qua interpretatie dat niveau niet haalde). Het is bij Karajan om onnaspeurbare redenen helaas bij die Tiende gebleven.

'Seelendrama'
Van deze tijdens de coronapandemie ontstane opnamen van de Achtste, Negende en Tiende symfonie onder Kirill Petrenko (die ik hier al eerder besprak) kan worden gezegd dat het uitvoeringen betreft die zich naadloos voegen bij wat we al als topuitvoeringen kennen. De Achtste is in de woorden en daden van de dirigent een ‘unglaubliches Seelendrama', de Negende een grote ‘Fratze' (grimas), de Tiende een zeer persoonlijk getinte, eruptieve ‘Aussage', een triomf van de overwinning op innerlijke en uiterlijke remmingen, de bevrijding uit het juk van Stalin en de herontdekking van pure ‘schöpferische Kraft'. En zo handelt Petrenko ernaar, laat hij deze muziek ook zo klinken, met onder zijn baton een orkest dat hem daarin feilloos volgt. Er is nog een postscriptum uit 2022: dat het karakter van deze vertolkingen in de visie van Petrenko geen stemmen is uit het verleden, maar het heden reflecteert, met eerst de annexatie van de Krim op 18 maart 2014 en vervolgens de Russische invasie in Oekraïne die begon op 24 februari in 2022.

De intensiteit van deze uitvoeringen is zonneklaar, volgens de dirigent mede ingegeven door de vele beperkingen die in het leven moesten worden geroepen na de uitbraak van COVID19. Petrenko:

‘In der Zeit, in der wir nur unter ganz eingeschränkten Bedingungen musizieren konnten, ist mir Schostakowitschs Musik so nahegegangen wie noch nie, und deswegen haben wir seine Werke mehr und besonders intensiv gespielt.'

De huidige Russische dictatuur mag dan verschillen van die van Stalin, er zijn wel degelijk overeenkomsten die deze muziek een extra dramatische lading meegeven. Er heerst bovendien weer oorlog in Europa en geldt in Rusland een strenge censuur. Petrenko: ‘Zahllose Menschen leben in Angst um die bloße Existenz – ob unter fallenden Bomben oder unter Represaillen des Regimes. All das, was Schostakowitsch in seinen Symphonien so überdeutlich zum Ausdruck gebracht hat und was wir überwunden glaubten, erfahren wir fassungslos heute selbst. Und gerade in dieser Zeit vermittelt seine Musik auch Zuversicht und Kraft, an die Ideale der Freiheit und Demokratie zu glauben. So ist Schostakowitsch für uns ein Vorbild, das uns Mut macht.‘

Dmitri Sjostakovitsj (l. en Eugene Ormandy (1959)

We horen het in deze muziek, in deze vertolkingen…

Superieure kwaliteit
Drie aspecten zijn, wat deze drie albums betreft, ronduit superieur: de geluids- en beeldkwaliteit, de bijgevoegde documentatie en daarnaast de ‘verpakking' van het geheel. Daarmee zijn deze drie album volmaakt in lijn met wat al eerder onder het banier van de Berliner Philharmoniker is verschenen. De opnamen zijn zonder uitzondering gemaakt in studio master quality en high definition video. Dat betekent niet alleen de inzet van de cd-, maar ook van de Blu-ray speler. Prijstechnisch is dat echter allang geen probleem meer.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links