CD & DVD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2020

Berliner Philharmoniker - Kirill Petrenko

Beethoven: Symfonie nr. 7 in A, op. 92 - nr. 9 in d, op. 125

Tsjaikovski: Symfonie nr. 5 in e, op. 64 - nr. 6 in b, op. 74 (Pathétique)

Schmidt: Symfonie nr. 4 in C

Stephan: Musik für Orchester

Marlis Petersen (sopraan), Elisabeth Kulman (mezzosopraan), Benjamin Bruns (tenor), Kwangchul Youn (bas), Rundfunkchor Berlin, Berliner Philharmoniker o.l.v. Kirill Petrenko

Live-opname: 24-8-2018 (Beethoven VII); 23-8-2019 (Beethoven IX); 9-3-2019 (Tsjaikovski V); 23-3-2017 (Tsjaikovski VI); 13-4-2018 (Schmidt); 21-12-2012 (Stephan), Philharmonie, Berlijn

BPHR 200351 (5 cd's + 2 Blu-ray discs / zie tekst)

 

Het is een jaar geleden dat Kirill Petrenko (1972, Omsk) aantrad als chef-dirigent van de Berliner Philharmoniker, het orkest dat met de Wiener Philharmoniker en het Concertgebouworkest tot het beste van Europa wordt gerekend. Een uitgesproken prestigieuze post dus. Met Petrenko's aantreden komt met ingang van het seizoen 2020/21 daarmee tevens een einde aan zijn artistiek leiderschap van de Beierse Staatsopera in München. Die tweede belangrijke stap zal ongetwijfeld deel hebben uitgemaakt van de onderhandelingen en ten slotte het hem aangeboden Berlijnse contract: zo weinig mogelijk ingrijpende, perifere activiteiten en in plaats daarvan de (bijna) volledige focus op de taak die hem in de Philharmonie van Berlijn wacht. Iets soortgelijks gold voor Daniele Gatti als de toentertijd nieuwe chef-dirigent van het Concertgebouworkest.

En het repertoire dat Petrenko over het voetlicht brengt? De nadruk komt te liggen bij wat zo ongeveer de pijler is waarop vrijwel alle symfonieorkesten van naam hun klankfortuin hebben gebouwd: het Duits-Oostenrijks klassieke en romantische repertoire, maar met hopelijk toch regelmatig uitstapjes naar de moderne en eigentijdse muziek of repertoire uit vroegere tijden dat niet of nauwelijks nog aandacht krijgt.

Waar evenmin twijfel over zal zijn is het Russische repertoire dat Petrenko in de verdere loop van zijn verbintenis met de Berliner ongetwijfeld op de lessenaars laat zetten: afkomst verloochent zich nu eenmaal niet. Dat laatste blijkt al uit twee belangrijke operaproducties die hij leidt: Tsjaikovski's Mazeppa en Rachmaninovs Francesca da Rimini.

Het nieuwe concertseizoen kent naast de aanstelling van Petrenko nog een andere belangrijke noviteit: de introductie van de Biënnale van de Berliner Philharmoniker, enigszins vergelijkbaar met het Rotterdamse Gergiev Festival, met ieder jaar een ander thema, zoals ditmaal de Golden Twenties, de Gouden Jaren Twintig. Het gehele programma, zowel het reguliere seizoensprogramma als de bijzondere activiteiten, kan op de website van het orkest worden geraadpleegd. Men heeft voor al dat moois niet per se naar Berlijn te reizen, want alle komende en inmiddels historische concerten (en nog veel meer!) zijn tegen betaling beschikbaar op de daarvoor ingerichte speciale website: www.digital-concert-hall.com.

Schitterende set
Het orkest stuurde mij onlangs een schitterend uitgevoerde, super-de-luxe hard cover edition met zowel vijf cd's als twee Blu-ray schijven met zes uitvoeringen die de weerslag vormen van Petrenko's eerste uitvoeringen met de Berliner Philharmoniker, de opmaat tot zijn officiële inhuldiging als chef-dirigent van het orkest. Alle opnamen hebben betrekking tot de live-concerten uit de periode 2012-2019, met als plaats van handeling de Berlijnse Philharmonie.

Daarnaast bevat de doos een bijzonder fraai uitgevoerd boekwerk waarin alle uitgevoerde werken afzonderlijk worden toegelicht, verluchtigd met zeer aansprekende afbeeldingen in hun historische context (waaronder afbeeldingen van pagina's uit de desbetreffende manuscripten). Boeiend zijn ook de verhandelingen over het sociologische perspectief op de symfonie.

Dat alleen werken klassieke en romantische werken op deze set vertegenwoordigd zijn is in zoverre logisch dat deze nu eenmaal de hoeksteen vormen van het repertoire, al is het wel te hopen dat in de komende jaren een geslaagd evenwicht wordt gevonden tussen ‘oud' en ‘nieuw' (of ‘modern' zo u wilt). Orkesten die zich (vrijwel) uitsluitend toeleggen op het conserveren van het vertrouwde, traditionele repertoire en daarmee verbonden het meeste belang zien in de instandhouding van hun museale functie zullen uiteindelijk niet kunnen overleven. Wie het avontuur niet wil zoeken zal op termijn het onderspit moeten delven, zo is mijn vaste overtuiging.

Wat deze set bovenal duidelijk maakt is het grote dirigeertalent van Petrenko en de weelde van een toporkest. Het kan nauwelijks anders dan dat dit de nodige synergie op moet leveren, zowel op het gebied van klank als van interpretatie. De Berliner heeft zoveel - inmiddels 'natuurlijke' - klankschoonheid in huis dat iedere dirigent van ook maar enig portuur zich alleen maar hoeft te concentreren op de werkelijke inhoud van de partituur en minder of zelfs in het geheel niet op de (technische) buitenkant ervan. Terwijl een matige dirigent door het orkest gewoon ‘meegenomen' kan worden in de vaart die het zichzelf onder die omstandigheden kan toebedelen. Bij Petrenko gaat het vanzelfsprekend om de synergie, wat deze set van begin tot eind volmaakt duidelijk maakt.

De luxe van een toporkest kent evenwel ook een keerzijde: het gemak, wel of niet ogenschijnlijk, waarmee wordt gemusiceerd. We hoeven weliswaar niet terug naar de hofkapel van Meiningen of naar de Berlijners onder Nikisch, maar die luxe heeft wel degelijk een prijs: die van de cosmetisering, waardoor de eigenlijk van nature in de partituur ingebouwde spanningen worden onderworpen aan een op pure klankcultuur geënt egalisatieproces dat helaas dusdanig wijd verbreid is geraakt dat we al niet beter meer denken te weten. Het is een ontwikkeling die geleidelijk aan zelfs de historiserende uitvoeringspraktijk in haar greep heeft gekregen. In die zin mag misschien zelfs worden gesproken van een vorm van negatieve synergie, als gevolg van een geperfectioneerd instrumentarium (hout- en koperblazers) en een technisch volmaakt spelend orkest.

Kirill Petrenko dirigeert de Berliner Philharmoniker in Mahlers Zesde symfonie

De kritiek die vaak wordt gehoord, namelijk dat de orkesten qua klank steeds meer op elkaar zijn gaan lijken, wordt merkwaardig genoeg door de musici en dan met name de dirigenten zelf bestreden. En zij kunnen het immers weten? Maar wie kritisch het eigen oor te luisteren legt en er zo objectief mogelijk tegenover staat, kan die tendens van de door de globalisering sterk in de hand gewerkte vervlakking wel degelijk zelf vaststellen. Wie de verschillen wel goed meent te kunnen horen valt tijdens een blindtest (ik organiseerde er zelf verscheidene) heel simpel door de mand. En wie het dan nog niet wil aannemen zou eens een paar zondagmiddagen naar het radioprogramma Diskotabel op Radio 4 moeten luisteren. Hearing is believing.

Maar terug naar deze sublieme set, een waar schoolvoorbeeld van wat grafisch perfectionisme en ultieme schoonheid van verpakking vermag. Maar gelukkig doet de kostbare uitstraling ook recht aan de muzikale inhoud, want Petrenko en zijn Berlijners zorgen voor uitgesproken modelvertolkingen naar de stand van zaken anno nu (zo heeft ook Petrenko gebruik gemaakt van de nieuwste Beethoven/Jonathan del Mar/Bärenreiter-editie), met als bijkomend voordeel de extra fonkeling en ‘drive' die een live-uitvoering met zich mee kan brengen.

Wat daarbij tevens opvalt – en voor sommigen zal het mogelijk wel vloeken in de kerk zijn – is hoezeer Herbert von Karajan zijn ‘klankstempel' op dit orkest heeft gedrukt en dat zelfs bijna dertig jaar na zijn dood, en dat tevens na Claudio Abbado en Simon Rattle, dat stempel nog steeds goed herkenbaar is. Terwijl in de tussentijd toch wel het nodige is gebeurd, menig orkestlid is vervangen en – gelukkig! – meer vrouwen tot het orkest zijn toegetreden (daar moest Karajan niets van hebben). Ja, er zijn verschillen (bij Petrenko met name in de fraseringen), maar het klankbeeld is menigmaal zo herkenbaar dat het er zelfs op lijkt dat Karajan postuum over de schouders van zijn opvolgers heeft meegeluisterd. Misschien is het grootste klankverschil wel ontstaan na het vertrek van Wilhelm Furtwängler en vanaf de komst van Karajan. Het is danook op zijn minst verbazingwekkend dat niemand het er nog over heeft, dat ook dit is weggezakt in de zeer diepe schoot van de geschiedenis.

Tot slot nog iets over de beide Blu-ray discs met hetzelfde programma als op de vijf cd's. De beide discs bieden twee verschillende audioformaten in studio master quality: PCM stereo (tweekanaals) en 5.1 DTS-HD MA (vijfkanaals), beide in 24-bit/96kHz. Daarnaast zijn er de registraties in high-definition- video* van de desbetreffende concerten, afgesloten met een uitgebreid, zij het in mijn beleving niet zo interessant vraaggesprek met Petrenko. Daarmee is dit ‘feest' echter nog niet ten einde, want wie wil kan met behulp van de meegeleverde downloadcode nog kiezen om alle bestanden in 24-bit tot maar liefst 192kHz naar de computer over te hevelen. Ik garandeer u dat het in termen van pure klank bijzonder interessante vergelijkingen mogelijk maakt.

Dan nog dit. Audio op Blu-ray, is dat per definitie beter dan op cd? Ja en nee. Ja indien de converter van uw Blu-ray speler state-of-the-art is en nee als dit niet zo is. Wat dit laatste betreft: de meeste (doorgaans goedkope) Blu-ray spelers beschikken slechts over een doorsnee presterende D/A-omzetter (gestoeld op een serieproduct dat door een beperkt aantal fabrikanten aan talloze merken wordt geleverd). Ik bezit zo'n speler, maar wel heb ik de daarin geïnstalleerde omzetter ‘gepasseerd' door een externe (NAIM)-converter erop aan te sluiten. Het is een verschil van dag en nacht. Het is maar dat u het weet.

________________
*Wie is geabonneerd op de 'Digital Concert Hall' van de Berliner Philharmoniker weet al wat hij mag verwachten: sublieme beeldkwaliteit en inventieve cameraregie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links