Opera en operette

Stersolisten in overtuigende Nabucco

 

© Paul Korenhof, januari 2020

 

Verdi: Nabucco
George Petean (Nabucco), Freddie De Tommaso (Ismaele), Dmitry Belosselskiy (Zaccaria), Anna Pirozzi (Abigaille), Alisa Kolosova (Fenena), Emanuele Cordaro (Il Gran Sacerdote di Belo), Lucas van Lierop (Abdallo), Verity Wingate (Anna)
Residentie Orkest
Muzikale leiding: Maurizio Benini
Regie: Andreas Homoki
Decor: Wolfgang Gussmann
Kostuums: Wolfgang Gussmann & Susana Mendoza
Gezien: Amsterdam, 27 januari 2020
Informatie: www.operaballet.nl

Of de affiches van DNO lach- dan wel ergerniswekkend zijn, mag ieder voor zich uitmaken, maar het ontwerp voor Nabucco kan ook nog eens als ‘politiek incorrect' geïnterpreteerd worden. Bij een opera waarin het joodse volk uiting geeft aan zijn verlangen naar een eigen vredig vaderland, worden we onthaald op een militaristisch ogende jongedame wier kleding banden suggereert met een groepering die dat joodse volk het eigen vaderland zou willen ontzeggen. Als dit beeld aansloot bij de getoonde productie, viel er nog over te praten, maar de enscenering die DNO afgelopen maandag presenteerde, gaat zelfs volledig voorbij aan ieder conflict in die regio, toen en nu.

Zoals regisseur Andrea Homoki bij de première in Zürich uiteenzette (klik hier) voert hij Verdi's 'bijbelse' opera (in feite pure fictie zonder veel historische ondergrond) ten tonele als een familieconflict waarbij in de personen van Abigaille en Fenena twee sociale en politieke stromingen botsen. Terwijl de macht van hun vader Nabucco afbrokkelt, vertegenwoordigt Abigaille een heersende klasse die strijdt voor het behoud van bestaande normen en waarden. Haar halfzuster Fenena sluit zich daarentegen aan bij een stroming die pleit voor nieuwe en vernieuwende inzichten met de daarmee samenhangende maatschappelijke veranderingen.

Anna Pirozzi (Abigaille), koor van Assyriërs © Martin Walz/DNO

Het overwegend groen getinte toneelbeeld van Wolfgang Gussmann (met enkele schitterende kostuums voor de dames) gaat eveneens voorbij aan historische of actuele conflicten in het Midden Oosten. Concrete decors zijn er niet, maar zijn kostumering verwijst naar Verdi's eigen tijd waarin deze problematiek bijzonder actueel was. Toen Nabucco in 1842 in Milaan in première ging, raakte Europa al in de ban van ontwikkelingen die zes jaar later tot zouden leiden tot revolutionaire uitbarstingen waardoor zelfs de Nederlandse politieke vijver even ging rimpelen.

Congres van Wenen
Na de val van Napoleon had het er even op geleken dat het Congres van Wenen met succes de oude machtsverhoudingen kon herstellen. De opkomst van de burgerij en de veranderende arbeidsverhoudingen ten tijde van de 'industriële revolutie' leidden echter tot onafwendbare maatschappelijke en politieke verschuivingen. Het machtsmonopolie van een aristocratische oligarchie, gesteund door een conservatieve 'hogere burgerij', werd in 1848 definitief doorbroken ten gunste van een meer democratisch systeem waarin ook de stem van het volk hoorbaar zou worden.

Homoki's concept dat het conflict tussen de Assyrische heersers en het onderdrukte joodse volk ziet als metafoor voor het Europa in Verdi's tijd, werkt wonderwel. Hooguit kan men zich afvragen wat de buitenechtelijke afkomst van Abigaille daarmee te maken heeft, maar zoals de regisseur in zijn interview reeds aangaf, is dit een detail waaraan Verdi in de opera snel voorbijgaat. Andere discrepanties tussen de gezongen tekst en wat op het toneel te zien is, zijn merendeels van ondergeschikt belang.

Alisa Kolosova (Fenena), koor van Hebreeërs
© Martin Walz/DNO

Dat laatste kan niet worden gezegd van enkele aanpassingen in de boventiteling. Als na de vermeende dood van Nabucco diens dochters elkaar de troon betwisten, verschijnt de koning ten tonele met de uitdagende uitroep 'Dal capo mio la prendi!' (Je zult hem van mijn hoofd moeten halen!'.) Door dit in de boventiteling (anders dan in het programmaboek) te vertalen met het verwijtende, minder autoritaire 'Je hebt hem van mij gestolen' werd deze frase dramaturgisch aanzienlijk afgezwakt.

Respect voor partituur
Vanaf het moment waarop Fenena in de openingsscène ontdaan wordt van haar 'prinsessejurk' om daarna in het tweede bedrijf bewust te kiezen voor 'volkser' kleding, wordt de hoofdlijn helder neergezet. Ook in zijn personenregie weet Homoki te overtuigen, al ben ik minder weg van de flashbacks tijdens de ouverture met beelden uit het vroegere gezinsleven van Nabucco. Dat vader- en zusterliefde in deze opvatting botsen met het verlangen naar macht, is ook wel duidelijk zonder dat Abigaille en Fenena daar - en later in de opera - als kleine meisjes worden opgevoerd. Ook kan men een vraagteken stellen bij de soms aftandse (een enkele maal zelfs oubollige) koorregie en bij de manier waarop Homoki de personages gebruikt om afzonderlijke taferelen in elkaar te laten overvloeien.

De consequente opsplitsing in 'conservatieven' en 'progressieven' loopt echter spaak in het derde bedrijf, als de trouwe Abdallo zijn koning te hulp komt. In deze regie wordt hij daarbij niet gesteund door neutrale soldaten, maar door een groep 'progressieven' van wie we op dat moment toch niet echt kunnen aannemen dat zij de Babylonische vorst een warm hart toedragen.

Opvallend is met hoeveel respect Homoki zijn concept laat samengaan met respect voor het muziekdrama. Opvallend is ook hoe sterk Verdi's eerste grote werk preludeert op het oeuvre dat nog komen moet. Niet alleen in dramatische leidmotieven als een vader-dochterverhouding en een psychologisch uitgediepte baritonrol, maar ook structureel. Verdi breekt hier met de traditie om de toeschouwer bij het opgaan van het doek met een rustige opening bij de hand te nemen en hem daarbij voor te bereiden op wat komen gaat. In plaats daarvan springt Verdi in medias res met een dynamiek die een halve eeuw later haar hoogtepunt zal vinden in de openingsscènes van Otello en Falstaff. Dramatiek ten top!

Anna Pirozzi (Abigaille), Freddie De Tommaso (Ismaele) en Alisa Kolosova (Fenena) © Martin Walz/DNO

Dat het alom geprezen en voor deze voorstelling versterkte koor van DNO zich in deze partituur kan uitleven, spreekt voor zich. Er wordt gezongen en geacteerd dat het een lieve lust is, maar zelfs op de meest dynamische momenten blijft de vocale discipline overeind. En het zogenaamde 'slavenkoor' mag dan een hit zijn van amateurkoren en draaiorgels, bij een uitvoering door het beste operakoor ter wereld waan je je als toeschouwer vijf minuten lang in de muzikale hemel! Kleine aanmerking: dat dirigent Benini in zijn aanpak iedere sentimentaliteit vermijdt, strekt hem tot eer, maar hier had ik toch graag wat meer effectieve rubati en crescendi gehoord!

Fraaie balans
Een grote steun voor koor en solisten blijkt het toneelbeeld van Wolfgang Gussmann met centraal een enorme groene muur die regelmatig (of ook iets te veel) om zijn as draait of verschoven wordt. Misschien soms lastig voor de koren die eromheen moeten rennen, maar akoestisch blijkt die muur een voltreffer. Niet alleen worden de stemmen ideaal de zaal in geprojecteerd, maar zelfs draagt die muur door een veranderende plaatsing een enkele maal bij aan de klank, bijvoorbeeld bij een crescendo in een ensemblefinale.

In de bak ontlokt Maurizio Benini aan een feilloos reagerend Residentie Orkest een warme, volle klank die extra profiteert van de plaatsing van het vol bezette koper in de hoek bij het slagwerk. Wel dreigt door de strakke en soms iets te plechtstatige tempi enig verlies van spanning, terwijl het soms ook lijkt of ritme en maatstrepen belangrijker zijn dan tekstfrasering. Dat alles wordt echter gecompenseerd door het streven de partituur zoveel mogelijk als een gesloten geheel uit te voeren.
Een andere pluspunt is Benini's aandacht voor de solisten en zijn kennis van de zaal. Geholpen door het decor van Gussmann weet hij daardoor in de lastige Amsterdamse akoestiek een zeldzaam fraaie balans te bereiken. Het is nog steeds mogelijk de zangers daar het volle pond te gunnen zonder dat de orkestklank eronder te lijden heeft!

Nabucco (George Petean) en Anna Pirozzi (Abigaille)
© Martin Walz/DNO

De grootste verrassing is echter een solistenteam zoals wij dat hier lang niet meer gehoord hebben. Ik betwijfel zelfs of deze opera momenteel beter bezet kan worden! Dat begint al met de titelrol van George Petean, een van de weinige echte Verdi-baritons van dit moment en een musicus in hart en nieren. In zijn scènes als vorst en veldheer stralen zijn bronzen timbre en genuanceerde frasering een en al autoriteit uit, maar zijn ware niveau bewijst hij daarna als de vertwijfelde, gekwetste en wanhopige vader.

Monopolie op Abigaille
Minstens zo opzienbarend is het aandeel van Anna Pirozzi, een sopraan met een stralend timbre en een opvallende technische beheersing. Momenteel lijkt zij het monopolie te hebben op de rol van Abigaille die zij bij de DNO-première voor de 68ste keer zong, en die zij helemaal benadert als belcanto-partij, niet als superdramatische voorloopster van Turandot. Historisch gezien is dat maar al te juist. Het repertoire van de creatrice Giuseppina Strepponi bestond immers vooral uit rollen van Bellini, Donizetti, Mayr en andere componisten van haar tijd. Pirozzi laat dat horen in een lyrisch gehouden vertolking waarin fraaie legatolijnen des te meer glans verlenen aan perfecte intervalsprongen. Haar aria 'Anch'io dischiuso' is een juweeltje van bel canto, terwijl haar duet met Petean, Verdi's eerste grote vader-dochterduet, uitgroeit tot het vocaaldramatische hoogtepunt van de voorstelling!

Anna Pirozzi (Abigaille) en Nabucco (George Petean)
© Martin Walz/DNO

Na een wat aarzelend begin waarin hij zich als opstandelingenleider nog niet helemaal profileerde, groeide Dmitry Belosselskiy uit tot een magistrale Zaccaria. Zijn zwarte bas zinderde boven de Haagse strijkers tijdens het gebed in het tweede bedrijf, maar vooral in de ensembles was het jammer dat zijn autoriteit in deze enscenering vooral berustte op zijn zang. De dramatische lijnen waren sterker overgekomen als ook zijn kostuum meer uitstraling had gekregen.

Dat Fenena en Ismaele in veel voorstellingen overkomen als bijfiguren, heeft alles te maken met het financiële beleid van operadirecties, die deze rollen vanwege hun geringe omvang ook maar tot sluitpost van de begroting maken. Dat gebeurt niet in Amsterdam waar de krachtige Ismaele van de tenor Freddie De Tommaso en de warme Fenena van de mezzosopraan Alisa Kolosova bovendien twee bijzonder veelbelovende solisten laten horen. En dat laatste geldt zeker ook voor de Abdallo van Studio-lid Lucas van Lierop. Ik had alle drie graag meer noten toegewenst!

Muzikaal lijkt DNO met deze Nabucco de smaak van de Italiaanse opera weer beet te hebben, terwijl de enscenering wel 'ongewoon' is maar nooit tegen de muziek en slechts in details tegen de tekst in gaat. Ik ben overigens wel benieuwd naar de reacties bij voorstellingen waarbij de zaal vooral gevuld is met echte operaliefhebbers. Bij de première kreeg ik sterk de indruk dat een groot deel van de aanwezige pers, genodigden en andere premièregangers toch met beschaafde reserves tegen zo'n 'draaiorgelopera' aankeek!

_______________
Zie ook: Nabucco kwam niet 'los'


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links