Opera en operette

Nabucco kwam niet 'los'

 

© Paul Korenhof, februari 2020

 

Verdi: Nabucco
Voor gegevens en eerste bespreking klik hier
Gezien: Amsterdam, 27 januari, 9 en 22 februari 2020
Informatie: www.operaballet.nl

In mijn eerste bespreking (klik hier) was ik al positief over de 'actualisering' van regisseur Andreas Homoki die het verhaal van de door de Assyriërs onderdrukte Hebreeërs verplaatste naar Verdi's eigen tijd. Dat was immers de periode toen na de val van Napoleon Noord-Italië weer onder Oostenrijkse overheersing was gekomen, en toen zich in Europa diverse moderne en democratiserende stromingen roerden die uiteindelijk zouden leiden tot het revolutiejaar 1848. Daarbij bracht Verdi's krachtige tekening van Nabucco en diens dochter Abigaille de regisseur ertoe hun 'familieconflict' tot kern van de handeling te maken.

Foto © Martin Walz/DNO

Dat Temistocle Solera (1815-1878), wiens libretto overigens in eerste instantie bestemd was voor Otto Nicolai, zijn tekst bewust een dubbele bodem had gegeven, is niet helemaal zeker maar wel heel waarschijnlijk. Het staat namelijk dat hij fel anti-Oostenrijks was en dat deze houding hem ook in de cel heeft doen belanden. Met Verdi had hij reeds samengewerkt voor diens Oberto (1839), dus het valt aan te nemen dat beide heren ook contact hebben gehad over Nabucco. Andere argumenten voor de bewust ingelegde 'dubbele bodem' zijn dat zij meteen daarna de handen ineensloegen voor I Lombardi (1843) en later ook voor onder meer Attila (1846), twee opera's waar het patriottisme zelfs duimendik bovenop lag!

Al met al kunnen we rustig stellen dat Nabucco in feite helemaal niet gaat joden en Babyloniërs, en dat de historische feite Verdi en Solera totaal niet interesseerden. De opera had net zo goed kunnen gaan over Spanjaarden en Mexicanen, Amerikanen en Indianen of enig ander etnisch, religieus of nationalistisch conflict. Alleen had een 'bijbels' gegeven natuurlijk het voordeel dat in het katholieke Italië de sympathie bij voorbaat niet bij de heidense Assyriërs zou liggen.

Voor Verdi was het verhaal van Nabucco een metafoor voor het Italië van na het Congres van Wenen. Dat maakt het werk primair een politieke opera met een bijbels gegeven als camouflage voor de censuur, en er zat in 1842 geen Italiaan in de zaal die dat niet door had. Wel interessant is om daarbij op te merken dat het koor dat bij de première gebisseerd moest worden, het gezagsbevestigende 'Immenso Jehova' in de slotscène was, niet het later zo populaire 'slavenkoor'. Dit had juist bij de première helemaal niet zo'n succes, en dat is ook verklaarbaar. Het Teatro alla Scala was het theater van de adel en de gegoede burgerij, en zelfs degenen onder hen die fel anti-Oostenrijks waren, zullen zich niet meteen geïdentificeerd hebben met een klagende volksmassa.

Foto © Martin Walz/DNO

Strakke dirigent
Dat ik na latere bezoeken aan Nabucco, waaronder de laatste voorstelling op 22 februar, iets minder enthousiast ben over de regie, ligt niet aan Homoki's concept, maar aan enkele details in de uitwerking. De pantomimes over het gezinsleven in huize Nabucco, zowel tijdens de ouverture als daarna, blijf ik overbodig vinden en de maniëristische clichés in sommige koorscènes gingen mij steeds meer irriteren.

Een ander bezwaar is de nadrukkelijke poging om een 'nummeropera' in vier losse bedrijven zoveel mogelijk in één strakke, ononderbroken lijn te vangen. Sommige overgangen kwamen daardoor wat kunstmatig over en dreigden zelfs de aandacht af te leiden van wat Verdi op hetzelfde moment met zijn muziek wilde zeggen.

Ernstiger was de manier waarop dirigent Maurizio Benini daarop inhaakte. In mijn eerste bespreking prees ik zijn vaste hand in de omgang met het Residentie Orkest, zijn aandacht voor de solisten en zijn greep op de verhouding tussen balans en akoestiek. Tegelijk hoopte ik dat zijn hand bij latere voorstellingen iets 'losser' zou worden, waardoor er ruimte zou komen voor een muzikale spontaneïteit die onontbeerlijk is voor een goede dosis 'italianità' in zowel de zang als het orkestspel. *)

Daarbij kwam nog het feit dat Benini - Homoki's regie volgend - Verdi's nummeropera presenteerde als een ook muzikaal ononderbroken, bijna doorgecomponeerd werk. Dat kan op incidentele momenten sterk werken, maar als het vier bedrijven lang gebeurt, dreigt de muzikale trein te veel door te denderen. Niet dat het een stoptrein moet worden, maar solisten hebben wel meer gevoel van rust nodig om spontaan te kunnen fraseren. Meer ruimte voor het publiek om te applaudisseren werkt trouwens drievoudig positief: het verhoogt de sfeer in de zaal, het bevordert de wisselwerking tussen publiek en solisten, en het stimuleert daarmee de zangers tot nog betere prestaties.

Wat blijft is mijn bewondering voor een solistenteam zoals we bij DNO lange tijd niet in een Italiaanse opera hebben gehoord. Wellicht had het echter nog opwindender kunnen zijn in een uitvoering waarin meer ruimte was geweest voor spontaneïteit.

________________
*) Die 'vaste hand', die weinig souplesse en elasticiteit in de muziek toelaat, zal mogelijk ook degenen zijn opgevallen die onlangs in de bioscoop of via de radio hebben ervaren hoe Benini in de Met Manon dirigeerde. In combinatie met de schrikbarend slechte uitspraak van het Frans, met name door de bariton Artur Rucinski als Lescaut, werd het de meest 'on-Franse' uitvoering die ik ooit van Massenet's meesterwerk gehoord heb. Ik kom daar over zes weken op terug in mijn bespreking van een uitvoering van Manon in Parijs met Pretty Yende, Benjamin Bernheim en Ludovic Tézier in de hoofdrollen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links