Interview

Componist/regisseur Michel van der Aa:

“Onze huidige generatie is in een beeldcultuur opgegroeid”

 

© Aart van der Wal, december 2010

www.vanderaa.net

 

Foto Marco Borggreve (2008)

Michel van der Aa (1970) studeerde muziekregistratie en compositie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij volgde compositielessen bij Diderik Wagenaar, Gilius van Bergeijk en Louis Andriessen. In 2002 voltooide hij een opleiding filmregie aan de New York Film Academy. In 2007 volgde hij de Directors Lab podiumregiecursus aan het Lincoln Center Theatre.

Zijn stijl wordt gekenmerkt door het gebruik van soundtracks, filmprojecties en enscenering, die het theatrale aspect in zijn werk versterken, zoals in zijn theaterwerken One (2002), After Life (2005/06) en The Book of Disquiet (2008). Het bijzondere karakter van Van der Aa’s muziek wordt nog eens onderstreept door de gebruikte filmbeelden en soundtracks die daarvan een essentieel onderdeel uitmaken. Een belangrijk thema in het werk van Van der Aa is de sterfelijkheid, wat hij als een ‘groot thema’ bestempelt.

Van der Aa’s muziek wordt internationaal uitgevoerd, o.m. door het Ensemble Modern, Asko|Schönberg, musikFabrik, De Nederlandse Opera, Freiburg Barockorchester, de Nederlandse radio-orkesten, het Koninklijk Concertgebouw Orkest, BBC Scottish Symphony Orchestra, en het Mozarteum-orkest in Salzburg.
Dan zijn er de vele festivals en evenementen waar hij en zijn muziek rechtstreeks bij betrokken zijn, zoals het Holland Festival, de Berliner Festspiele, de Biënnales van Venetië en Zagreb, de Donaueschinger Musiktage, de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw, de Warschauer Herfst en de Festspiele in Luzern.

Momenteel werkt hij aan een opdracht van de European Concert Hall Organisation (ECHO), een stuk voor solo cello, strijkorkest en film, met Argentijnse celliste Sol Gabetta en het Amsterdam Sinfonietta. In maart 2011 staat een Europese tournee met zes uitvoeringen van dit nieuwe werk gepland.

Hij ontving de Gaudeamus Prijs (1999), Matthijs Vermeulen Prijs (2004), Siemens Composers Grant (2005), Charlotte Köhler Prijs (2005), en Paul Hindemith Prijs (2006).

Zijn werk wordt uitgegeven door Boosey & Hawkes.

Bron: Michel van der Aa


Het leek me een aardige binnenkomer: “Iedereen speelt altijd maar Mahler.” Die uitspraak was afkomstig van collega-componist Otto Ketting, die het genoegen mocht smaken dat het Brabants Orkest onlangs een heuse Otto Ketting Driedaagse had georganiseerd. Kom daar vandaag de dag maar eens om, met de gure wind rond de eigentijdse muziek die al geruime tijd ons in de meeste concertzalen tegemoet waait. Niet zo vreemd dus dat Ketting, inmiddels 75, uitgesproken somber is gestemd over de toekomst van het hedendaagse componeren. De hoofdmoot van het probleem schuilt volgens hem in het volslagen gebrek aan durf en initiatief van musici en programmamakers om het hedendaags Nederlands repertoire een ruimhartige, maar vooral blijvende plaats in het muziekbedrijf te gunnen. Ketting wond er geen doekjes om: er zou al veel gewonnen zijn als er een algemeen verbod zou komen op de uitvoering van de symfonieën van Mahler en Sjostakovitsj. Al die visies op Mahler, dat hebben we zo langzamerhand toch wel gehad, we kunnen ze dromen. Daar moet hedendaagse muziek voor in de plaats komen! Maar dat gebeurt niet. Dat doet twijfel rijzen aan de toekomst van de huidige componistengeneratie. Sterker nog, volgens Ketting is die toekomst er niet, die componisten vormen een uitstervend ras. En om het nog erger te maken: de jongere generatie zwijgt. Ketting: “Wij schreven allemaal, Peter Schat schreef zich rot, ik ook, in kranten en tijdschriften.” Dat durven ze tegenwoordig niet meer, componisten storten zich niet in het publieke debat, ze zijn er als de dood voor, omdat ze een negatieve uitstraling ervan vrezen voor hun eigen werk. Interessant om het oor eens te luisteren te leggen bij een zeer succesvolle hedendaagse componist, maar ik word in eerste instantie niet veel wijzer. Voor Michel betrof het slechts de mening van een persoon: “Iedereen denkt daar weer anders over.”

Ik probeer het nog een keer, maar nu via een omweg: zou men niet moeten streven naar een veel avontuurlijker programmering, maar dan op basis van sterke thematische verbondenheid? Bijvoorbeeld Rihm naast Bruckner, Maderna naast Josquin of Monteverdi, Beethovens Egmont naast Hartmanns Zesde symfonie? Dat gebeurt toch veel te weinig?
“Dat gebeurt wel, maar dat heeft ook met het publiek te maken. Het is van elkaar afhankelijk. Als er avontuurlijk wordt geprogrammeerd, maar er komt vrijwel niemand op af, dan wordt het zeker in onze tijd van marktwerking, economie en commercie een toch wel erg lastig verhaal. Men wil uiteindelijk wel een goed gevulde zaal, maar soms is er wel degelijk sprake van een succesvolle avontuurlijke programmering, zoals die van de ZaterdagMatinee, waar het regelmatig juist wel lukt.”

Dat lijkt in zekere zin pure luxe. Een omroeporkest dat dagen kan werken aan zo’n programma dat dan hooguit één keer wordt uitgevoerd: op de Vrijdag van Vredenburg of op de ZaterdagMatinee. Daarmee is de uitvoeringskoek gewoon op. Men zou ermee verder het land in moeten trekken, maar dat gebeurt niet.
“Het is inderdaad een meer lokale aangelegenheid. Misschien zou dat veranderd moeten worden, maar aan de andere kant is er voor dat soort programma’s slechts een beperkt publiek te vinden.”

Het is en blijft verbazingwekkend dat zelfs muziek die intussen meer dan zeventig jaar oud is, niet of nauwelijks wordt gespeeld. Hoeveel composities van de Tweede Weense School worden niet genegeerd! Het is toch van de zotte dat de liefhebber van modern en eigentijds repertoire zijn heil voornamelijk moet zoeken bij de omroeporkesten die nota bene met opheffing worden bedreigd? En dan zitten we ook nog met een kabinet dat in zijn komende beleid duidelijk het ‘music for the millions’ principe hoge prioriteit wil geven. Als klap op de vuurpijl komt er misschien ook nog een btw-verhoging aan, van 6 naar 19 procent. Toe maar! Toch zijn het toch steeds weer de musici die vinden dat het publiek moet worden ‘opgevoed’, opdat de interesse in eigentijdse muziek echt wordt gestimuleerd. Het klinkt zo afgesleten. Meer woorden dan daden, denk ik dan.
“Het is aan ons, makers van muziek, om op een natuurlijke manier een taal te vinden waarmee zoveel mogelijk mensen worden bereikt, zonder dat je náár het publiek toe gaat schrijven. Ik vind het als componist belangrijk dat mensen mijn stukken willen horen en zien. Ik schrijf iets wat ik zelf graag in de concertzaal of in het theater zou willen horen. Dat klinkt misschien als het intrappen van een open deur, maar ik vind dat als je een stuk schrijft dat echt integer en eigen is, helemaal gestoeld op jouw eigen vocabulaire, je er als componist alles aan mag doen om het daarna naar het publiek toe te krijgen. Dan moet je bereid zijn om er promotie voor te maken, sociale media ervoor in te zetten, kortom je moet op een slimme manier proberen het publiek ermee te vinden en er warm voor te maken. Daarover heb ik veel nagedacht en dat is ook een van de redenen dat ik met een eigen label, Disquiet, ben begonnen.”

Een eigen label

Was een van de redenen om zelf een label te starten het gevoel dat je je intenties bij een ander, reeds bestaand label niet voldoende zou kunnen realiseren? Je zou toch denken dat dat toch iets is dat een Challenge Records, Harmonia Mundi of Onyx ook voor elkaar kunnen krijgen? Bovendien hebben ze niet alleen verstand van productie en marketing, maar ook van distributie. Voor hen is dat allemaal ‘gefundenes Fressen’ zogezegd. Je bent naar zeggen een echte ‘control freak’ die graag alles in eigen hand wil houden, maar dat heeft uiteraard wel zijn praktische beperkingen.
“Het zelf in de hand houden is zeker een reden, hoewel mijn muziekuitgever, Boosey & Hawkes, lang heeft gepraat met de grotere labels, Sony Music, Universal Music. Die laten de eigentijdse muziek echter meer en meer vallen. Ze wilden wel een cd produceren, maar zeker geen serie. Het moest toch wat dat betreft vooral niet te druk worden. Dat vond ik eigenlijk wel jammer. En ik zag er niet veel in dat verschillende labels, grote en kleinere, cd’s van mij zouden gaan uitbrengen. Dat versnippert me te veel, is te fragmentarisch, het mist dan bovendien een duidelijk profiel. Ik vind het met mijn eigen label prettig dat ik mijn eigen visuele identiteit kan ontwerpen en dat mensen die in de cd-bakken bladeren, Disquiet direct herkennen. Dat het een bepaalde uitstraling en kwaliteit heeft, terwijl het uitermate lastig is om dat door een ander label te laten doen.”

Je hebt vier jaar aan het conservatorium in Den Haag opnametechniek gestudeerd. Op dit gebied zal niemand je veel nieuws kunnen vertellen. Je weet wat dat betreft eveneens van de hoed en de rand.
“Ik voelde me zeker gesterkt door mijn ‘vorige leven’ als opnametechnicus. Dankzij die achtergrond had ik daarvoor de juiste contacten en dus heb ik me maar in het avontuur gestort. Met veel energie en eigen investeringen zijn er nu twee cd’s uitgebracht en volgt in januari/februari mijn eerste dvd.”

Dat van die dvd had ik wel gedacht, want wie Van der Aa zegt, zegt tevens multimedia.
“Inderdaad, dat stond mij van meet af aan voor ogen: dat het niet alleen bij audio zou blijven. Er moet ook beeld bij. Met live disquiet.tv, een nog avontuurlijker tak van het label, gaan we hopelijk in de lente interactieve televisie maken. Een label is wat mij betreft meer dan alleen maar cd’s maken, het gaat ook om die visuele dingen. Met dan via internet het aanbieden van downloads van complete opera’s, het streamen van muziek, die eerst kan worden beluisterd alvorens je het koopt, want de ervaring leert dat als mensen het mooi vinden, ze het kopen. Dat zag je al eerder bij de popmuziek, maar in de klassieke-muzieksector begint dit langzamerhand ook door te dringen. Ik denk trouwens niet dat daarmee de cd op zijn eind loopt. Een mooie typografische verzorging, goede liner notes en dergelijke zullen het fysieke product aantrekkelijk houden. Maar goed, er zijn dus drie mogelijkheden: het doosje, de download, of het streamen.”

 
  Foto Ben van Duin (2004)

Zie je een kloof tussen datgene wat je hebt gemaakt en de belangstelling ervoor?
“Eerlijk gezegd had ik er tevoren absoluut geen verwachtingen van. Ik wist het gewoon niet. Wel was ik me ervan bewust dat het een ongelooflijk kleine markt is, klassieke muziek zonder de grote namen überhaupt al, laat staan de hedendaagse muziek die zich in een nichemarkt bevindt. Binnen die niche goede verkoopcijfers halen is geen eenvoudige opgave. Voor mij is het een enorme investering waarvan ik hoop dat ik op een gegeven moment quitte kan spelen. Vooralsnog zie ik het puur als promotie, als extra.”

Financiële risico's

Je voornaamste inkomsten komen uit compositieopdrachten, auteursrechten en misschien nog aanpalende vergoedingen. Mecenassen zoals in de tijd van Beethoven zijn er niet meer. De Paul Sachers trouwens evenmin.
“Er zijn ook partijen, zoals bepaalde fondsen, bij wie ik kan aanvragen of die ik kan vragen of ze willen meedoen, zoals bij het Fonds Podiumkunsten voor een project van disquiet.tv. We zijn volledig afhankelijk van de uitkomsten daarvan, want zonder subsidie gaat het feest niet door: dergelijke projecten zijn veel te duur om van A tot Z zelf te financieren. Maar tot op zekere hoogte kan ik er eigen geld instoppen. Mijn spaargeld is wel zo’n beetje op nu.”

Je loopt zelf financiële risico’s.
“Daarom moet ik het ook echt voorzichtig aandoen, desnoods eerst maar wat sparen voor een nieuwe productie. Hoe dan ook, ik zie het als een puur promotionele investering, waarbij ik het prettig vind dat het op een goede manier gedocumenteerd is en mensen ernaar kunnen luisteren en kijken.”

Je bent niet het type van de eenzame componist die vanaf zijn spreekwoordelijke zolderkamertje de wereld wil veroveren. Je hebt een gezin, een mooi huis en dus ook een verantwoordelijkheid die veel verder strekt dan alleen jezelf. Voel je daarvan een zekere druk die je creativiteit soms remt?
“Ik ben in de gelukkige positie dat ik genoeg werk heb. Ik kan verschillende klussen tegelijkertijd doen, soms is er sprake van meerdere opdrachtgevers voor een werk, waardoor ik nog wat meer lucht heb, langer over een stuk kan doen en mijn gezinsleven kan combineren met het componeren. Bovendien is mijn vrouw violiste, wat eveneens een inkomstenbron betekent.”

Luisteren en kijken

Het is waarschijnlijk de combinatie van het auditieve en het visuele die je veel succes heeft gebracht.
“Helemaal zwart-wit ligt dat niet, maar ik denk wel dat je in het algemeen kunt stellen dat onze huidige generatie in een beeldcultuur is opgegroeid, vaak met de hele dag de tv aan, en zo. Maar ook via het internet, zoals bijvoorbeeld YouTube. Als je het beeld op een integere manier inzet, in het verlengde van, als aanvulling op de muziek, is daar niets mis mee, vind ik. Voor mij werkt het in ieder geval zo, hoewel ik me realiseer dat dit niet voor iedere componist geldt. Trouwens, je kunt je niet zomaar in beeldproducties storten, of gaan regisseren. Dat is echt een vak.”

Je hebt ervoor gestudeerd, onder meer in New York. Misschien zit het je wel in het bloed!
“Ik vind de combinatie van concertmuziek en theatermuziek een heel interessante. Ik zou overigens niet alleen multimediastukken willen maken. Zo componeerde ik bijvoorbeeld de liedercyclus Spaces of Blank (2007) voor Christianne Stotijn en het Koninklijk Concertgebouworkest. Of een opera, en nu weer een stuk voor de celliste Sol Gabetta en Amsterdam Sinfonietta, waar dan wel een film aan is gekoppeld. Het hangt met name van het idee af. Dat is er ook eerst, en daarna kijk ik hoe ik dat kan gaan vormgeven. In die volgorde. Voor het ene idee heb ik genoeg aan een strijkkwartet, voor het andere moet er video of film aan te pas komen, en misschien wel een enscenering. Dat vind ik een heel erg belangrijk vertrekpunt.”

Wat moet ik me bij die film met Gabetta en Amsterdam Sinfonietta voorstellen?
“Het is een project dat overeenkomsten vertoont met Passage, een film die ik in New York heb gemaakt. Daarin wordt een oudere man geconfronteerd met zijn eigen sterfelijkheid, een groot thema. Iets soortgelijks ga ik doen in de film voor Up-Close, die gaat over een oudere vrouw, een alter ego van Sol, die leeft in een gespiegelde werkelijkheid. Het draait om eindigheid en om verschillende generaties, op een heel abstracte manier.”

Het is misschien niet zo’n fraai woord, maar het lijkt op multifunctionaliteit.
“Afhankelijk van het idee dus. Ik probeer mijn creatieve vocabulaire zo breed mogelijk te maken en zo uit te breiden met de visuele kant dat ik meer ideeën aan kan. Sommige ideeën kunnen nu eenmaal niet alleen in klank worden gevat en is er beeld bij nodig, in welke vorm ook.

Gesamtkunstwerk

Misschien kun je zelfs het libretto schrijven om zodoende een heus ‘Gesamtkunstwerk’ tot stand te brengen...
“Daar ben ik absoluut niet goed in. Ik heb het een keer gedaan bij One en dat lukte nog wel omdat de tekst meer als een soort klankbron werd gebruikt en geen verhaallijn had, maar dit is niet mijn forte. Ik vind het belangrijk om te weten wat ik wel en wat ik niet moet doen.”

Zo'n libretto dat je van A tot Z bevalt lijkt me voor geen enkele auteur een gemakkelijke opgave.
“Het komt in mijn geval neer op veel research, veel lezen, zoeken, en dan meestal parallel aan mijn andere werk dat gewoon doorgaat. Het is een van de lastigste klussen om zowel een onderwerp voor een opera te vinden als daar de juiste librettist bij te vinden. Met het libretto valt of staat het stuk. Als de chemie niet goed zit, of als het fout gaat, dan kun je als componist een aantal jaren met een groot probleem worden geconfronteerd. Vanaf het begin is grote zorgvuldigheid echt een eerste vereiste. In het geval van After Life (klik hier voor de recensie) was het nogal makkelijk omdat een film me de inspiratie gaf en ik zelf met het filmscript aan de gang kon. Dan heb je veel in eigen hand.”

Althans een deel van het publiek zal moeite hebben gehad met het, overigens bewust door jou gezochte, sterk fragmentarische karakter van After Life. Bovendien zijn er buitengewoon lastige intervalreeksen en de wisseling tussen live-orkest en geluidsband. Alleen voor Aiden heb je een goed herkenbaar klankdiscours gecreëerd, dat bij wijze van spreken als een rots in de branding fungeert. De gekozen structuur binnen het gehele werk lijkt wel de contouren van een hogere orde te hebben waardoor juist de sterke gedaanteverwisselingen optimaal tot hun recht komen. Een wonderlijke, maar bijzonder goed werkzame paradox.
“De gehele opzet van het werk is vanuit de film gedacht. After Life is filmisch. De scènes zijn bewust zeer kort gehouden, er zijn heel veel locatiewisselingen, maar tezamen vormen ze een grotere, maar consistente verhaallijn. Zo is het in de film ook, waarbij ik niet koos voor de documentaire lijn van bijvoorbeeld tien minuten luisteren naar een verhaal van slechts een persoon, maar ik het juist wilde verdelen over de noten over de zangers.”

Margriet van Reisen (Ilana), Claron McFadden (Chief) (Foto Hans van den Bogaard/DNO-Holland Festival 2006)

Zie je een toekomst als filmcomponist?
“Nee, dat is echt een ander vak. Ik zie mezelf eerder als filmmaker dan als componist, maar niet als maker van filmmuziek. Het is een prachtig vak, je verdiend er honderd keer meer mee dan met wat ik doe, maar het heeft mijn belangstelling niet. Het gaat niet om geld, het is een heel ander ding. Het lijkt een beetje op die éénminuut-operaatjes voor De Wereld Draait door. Er is heel weinig tijd om zoiets te maken, er is altijd dat ontzettende deadline-gedoe, de componist heeft misschien nog maar twee drie weken vanaf de laatste editfase om er muziek bij te bedenken en het allemaal klaar te spelen. Een hogedrukketel, zoveel stress, verschrikkelijk!”

Vaak is filmmuziek niet boeiend, niet meeslepend, maar gewoon functioneel.
“Precies. Het heeft een ondersteunende functie. Opera of muziektheater zoals ik het probeer te maken is heel anders: film- en muzieklaag wisselt voortdurend van voor- en achtergrond, ze mickey mousen elkaar niet. Ze bestaan naast elkaar omdat ze elk iets unieks vertellen.”

Hedendaagse muziek

Kijk je ook naar het verleden, duik je in de muziekgeschiedenis?
“Niet zoveel. Ik ben meer geïnteresseerd in hedendaagse kunst.”

Hoe staat het met je belangstelling voor componisten als Henze, Zimmermann en Rihm?
“Thuis zet ik niet zo snel een cd met hedendaagse muziek op, maar ik ga wel veel naar concerten en hoor ook vanuit mijn professie natuurlijk heel veel moderne stukken. Ik ga sowieso naar concerten waarop mijn muziek geprogrammeerd staat; en dan kom ik vaak tevens in contact met daaromheen geprogrammeerde hedendaagse muziek. Ik ga liever naar het Stedelijk dan naar het Rijksmuseum, zeg maar. Dan begrijp je een beetje waar mijn interesses liggen. Ook waar ik mijn inspiratie vandaan haal. Meer gericht op de toekomst dan op het verleden.”

In je muziek hoor ik niet of nauwelijks iets terug van de voorafgaande eeuwen. Soms wel als je bijvoorbeeld iets voor een barokorkest hebt gecomponeerd, zoals voor het Freiburger Barockorchester, maar dat was dan op basis van een concrete opdracht.
“Natuurlijk zit er een residu van de hele muziekgeschiedenis in mijn werk. Ik heb ook mijn opleiding gehad. Er zijn invloeden, maar dat zijn dan bouwstenen van een grotere structuur. Het gaat me niet om originaliteit ter wille van de originaliteit, maar ik probeer wel om in mijn eigen taal het publiek te vinden. Omdat ik gebruik maak van multimedia, elektronica en hedendaagse onderwerpen kan ik een publiek bereiken dat daarvoor belangstelling heeft. Dat is een aardige bijkomstigheid van de stukken die ik maak: dat er blijkbaar redelijk veel mensen zijn die daar iets mee kunnen. Ik zou het verafschuwen om stukken te componeren waarvan ik me al van tevoren afvraag of ze bij het publiek goed zullen vallen. Ik kan dat niet genoeg benadrukken. Ik leef en adem nu en hoop alleen maar dat het publiek er ook op zo’n manier in staat. Door een idioom te gebruiken dat te maken heeft met deze tijd, hoe ik ben opgegroeid en wat ik om me heen hoor en zie, hoop ik dat dit raakvlakken heeft met het publiek.”

In zekere zin een collage.
“Dat geloof ik niet zo. Ik probeer heel spaarzaam te zijn met het materiaal dat ik gebruik. Als ik aan een collage denk, zie ik toch meer een veelkleurigheid in het materiaal.”

Een schilder kan, door een paar kleuren te mengen, alle kleuren maken Eerst monochroom beginnen en dan verder exploreren. Dat kan in de muziek ook.
“Bijna al mijn stukken beginnen ook heel kaal. Ik vind het heel interessant, maar dat is misschien typisch Nederlands, om daarin heel zuinig te zijn.”

Maar de ‘taal’ die je spreekt is internationaal! Trouwens, de muziek van Peter Schat, Louis Andriessen, Tristan Keuris of Otto Ketting klinkt evenmin typisch Nederlands.
“Nee. Misschien wel Nederlandse invloeden, maar muziek heeft sowieso geen nationaliteit.”

Een stapje dichter bij huis kunnen wel bepaalde stromingen worden herkend. Bijvoorbeeld Franse invloeden in de muziek van Rudolf Escher. Wat ik in jouw muziek herken heeft tegelijk iets fascinerend ongrijpbaars. Zij hoort nergens thuis en daardoor is zij overal thuis, al is zij sterk West-Europees georiënteerd.
“Ik kan er zelf niets over zeggen want ik zit er te dichtbij, er eigenlijk helemaal in. Het enige dat ik kan doen is iets maken waarvan ik denk dat het waardevol is en dan maar hopen dat andere mensen dat ook zo vinden. Het klinkt heel simpel maar volgens mij is dat de taak van iedere maker. Eerst jezelf overtuigen en dan pas verder.”

 
  Foto Marco Borggreve (2008)
   

Totaalconcept

Werk je gaandeweg, nadat het idee is ontstaan, of vanuit een al bedacht totaalconcept?
“Ik moet eerst een duidelijk totaalconcept voor ogen hebben dat ik dan verder kan gaan invullen. Soms maak ik een tekening: hier wil ik deze gebeurtenis plaatsen, daar die, daar climax zus en daar climax zo, en dan ga ik heel langzaam al die afzonderlijke dingen als het ware aan elkaar schrijven. Ik begin zelden echt aan het begin van een stuk. Vaak begin ik met een climax en werk ik terug. Het idee van het stuk, in zijn meest extreme vorm, daar beginnen en dan terugwerken vind ik vaak veel eenvoudiger. Als ik eenmaal weet waar ik uiteindelijk wil uitkomen is voor mij het aflopen van de berg makkelijker dan eerst die berg op. Voor mij werkt dat zo.”

Zit het constant in je hoofd, als je met een project bezig bent? En dan ook als je bij Albert Heijn gaat shoppen?
“Dat hangt af van de fase waarin dat project zich bevindt, maar er zijn wel lange perioden in het maakproces waarin ik er de hele tijd mee bezig ben; en helemaal nu bij zo’n film als met Gabetta. Dan kan er plotsklaps een nieuw beeld naar boven komen borrelen of krijg ik ineens een vondst die mogelijk het proberen waard is.”

Je raakt ook geïnspireerd door het muzikale charisma van de musicus, zoals in dit geval van Sol Gabetta?
“Ik stel me voor hoe het klinkt als zij mijn stuk speelt, ook in samenhang met de film. Hoe het zowel auditief als visueel eruit gaat zien. Daar stel ik me heel veel van voor en natuurlijk inspireert mij dat. Dat geldt overigens niet minder voor een opera, de zangers voor wie je schrijft. Zo heeft in After Life Claron McFadden in de rol van Chief een bepaalde klank en engelachtigheid die ik in mijn hoofd had toen ik de partij voor haar schreef. Voor haar schrijf ik andere noten dan voor Christianne Stotijn met haar warme, goudbruine stem. Het speciaal voor haar geschreven Spaces of Blank is danook een heel ander stuk dan bijvoorbeeld Here trilogy voor Claron McFadden (klik hier voor de recensie). Maar ik kom er toch weer op terug: dat het idee het eerst ontstaat, en dat ik me dan vervolgens afvraag wie dat het beste kan uitvoeren, wie past er goed bij.”

 
  Christianne Stotijn neemt een frisse duik

Visuele identiteit

We hadden het al over je streven om alles in eigen hand te houden, een ware control freak te zijn. Dat houdt alleen al wat de cd betreft nogal wat in: van het idee naar de realisatie, de opname, de liner notes, de foto’s voor het boekje, de grafische uitwerking ervan, de productie, promotie en distributie. De uitstraling is daarbij van het grootste belang. Dat proef ik er tenminste uit. Je vroeg voor je cd Spaces of Blank, Mask en Imprint (klik hier voor de recensie) Christianne Stotijn zelfs in het water te springen, om de hoes een bijzonder cachet te geven!
“Christianne deed dat eigenlijk heel spontaan, hier in IJburg. Ik zei tegen haar dat ik een idee had, maar dat ze wel het IJ in moest springen. Goed, zei ze. Blijkbaar vertrouwde ze me. Als ze ergens in gelooft, gaat ze er voor de volle honderd procent voor. Maar er was wel iemand in een duikpak naast haar, hoor! Bovendien had ze een wetsuit aan en we hebben natuurlijk heel goed voor haar gezorgd! Maar het geeft zo’n cd wel een extra aandachtspunt. Bijna elke recensie gaat erover. Dat bedoel ik met visuele identiteit: als mensen zo’n cd mooi vinden is dat ook een aspect van die muziek. Als je naar Spaces of Blank luistert en je hebt het cd-doosje met die foto vóór je, is dat toch een extra laagje wat ik de luisteraar meegeef. Zelfs ‘alleen’ een audio-cd vind ik een totaalproduct dat maximale aandacht vraagt.”

Politieke klimaat

We staan aan de vooravond van ingrijpende bezuinigingen op de culturele instellingen Dat wijst toch op een nogal guur klimaat, met name voor de podiumkunsten.
“Het politieke klimaat helpt bepaald niet en dus zal het steeds moeilijker gaan worden, hoewel ik er steeds meer van overtuigd raak dat het huidige kabinet over een paar maanden weer vertrokken is. Op de een of andere manier zal het kabinet deels wel intact blijven, maar dan misschien via Radio Kootwijk of Overtoom 301, of van dat soort squat-achtige plekken waar mensen met veel passie dingen maken voor twintig bezoekers. We gaan, net als in de VS, misschien wel terug naar kleine, studentachtige kernen, terwijl in de grote zalen de veilige ‘music for the millions’ klinkt. Die scheiding zal nog sterker worden, de kloof tussen kleinschalige experimenten en grootschalige vertrouwde muziek zal verder toenemen.”

Museale functie

Toch een beetje aansluitend op wat Otto Ketting zei: “Iedereen speelt altijd maar Mahler,” is het toch een merkwaardige paradox dat met uitzondering van de in eigentijdse muziek gespecialiseerde ensembles alle grote orkesten die muziek merendeels links laten liggen. Door steeds weer hetzelfde te doen is er geen ruimte voor iets anders. De sandwichformule, wordt slechts mondjesmaat toegepast. Op den duur zal hierdoor de functie en betekenis van het oude en vertrouwde nog verder afnemen.
“Het is een ingewikkeld probleem. Het Rijksmuseum heeft ook bestaansrecht. Het Concertgebouworkest is ook een soort Rijksmuseum waar het erfgoed in uitstekende handen is. We hadden in november 1969 de Notenkrakeractie. Misschien zou zoiets nog een keer moeten worden gedaan, maar we weten inmiddels dat veranderingen binnen dat soort instituten toch niet zullen plaatsvinden. De realiteit is dat als het Concertgebouworkest in de B-serie een groot nieuw werk programmeert, Amsterdam-Zuid zich daar niet prettig bij zal voelen. Het orkest verliest bezoekersaantallen en dus inkomen, misschien gaan de sponsors zich dan roeren, enzovoorts. Bij de A-serie weet men in ieder geval dat er publiek komt dat daarin geïnteresseerd is. Het kan op zich goed werken, specialisatie, specifiek gericht op een bepaald publiek.”

Premièrecultuur

Ik hoorde onlangs iemand zeggen dat de première van een eigentijds stuk tevens de dernière is, want daarna verdwijnt het ergens in een la.
“Dat is al heel lang een probleem, de premièrecultuur. Ik ben in de gelukkige positie dat mijn stukken godzijdank nog weleens gaan, maar ik zou er heel ongelukkig van worden als ik twee jaar aan een opera zou hebben gewerkt en die dan na vijf opvoeringen niet meer op de planken wordt gebracht. Zo mag je misschien niet denken, maar het is natuurlijk hartstikke fijn als een stuk, een groot orkestwerk, een opera wordt hernomen. Dat er door een andere dirigent of een ander orkest met een frisse blik opnieuw naar wordt gekeken. Dat vind ik ook van het Concertgebouworkest. We proberen de samenwerking weer wat nieuw leven in te blazen. Een van de plannen is om Spaces of Blank weer te doen. Het was toentertijd een succes, dus waarom niet? Ik wil best een nieuw stuk voor ze componeren, maar dan vind ik ook dat ze Spaces opnieuw moeten doen. Waarom alleen maar premières? Ze zijn het met me eens, ze willen het ook. Misschien wel minder componisten met nieuw werk en meer bestaande eigentijdse muziek op het programma.
De grote orkesten mogen het dan misschien wat dat betreft laten afweten, er gebeurt op het gebied van de eigentijdse muziek gelukkig genoeg door daarin gespecialiseerde ensembles. Zo was ik gisteren bij een fantastisch concert van musikFabrik (programma van 25 november in het BIM-huis, met Cinnabar en A visible tracé van Rebecca Saunders, en Hiérophanie, een Griekse hymne van Claude Vivier; alleen Cinnabar was ooit eerder in ons land uitgevoerd).”

Rijk geschakeerde ensemblecultuur

In Duitsland wemelt het bij wijze van spreken van eigentijdse componisten en eigentijdse muziekfestivals. Alsof het daar veel meer leeft.
“Daar heeft cultuur een heel andere plek. Vrijwel elke grote stad heeft een eigen operahuis. Het land is veel groter, er wonen veel meer mensen. Maar laten we niet vergeten dat we dankzij onze rijk geschakeerde ensemblecultuur een veelkleurig aanbod kennen, ook van buitenlandse componisten die zich hier gevestigd hebben. Er komen nog steeds nieuwe ensembles bij. In Duitsland is het toch voornamelijk één ding, met veel minder ruimte voor breed uitwaaierende, nieuwe muziek. Heel erg Duits, of de school van Rihm, of die van Lachenmann, meer monochroom dan in Nederland. Dat is trouwens een gevaar dat ook voor ons op de loer ligt, als de aangekondigde bezuinigingen op cultuur doorzetten. Het zal zich gaan vernauwen, het raakt verkokerd, wat in de eerste plaats ten koste zal gaan van de meer kwetsbare componisten. Nu hebben ze nog de kans om op die zolderkamer mooie stukken te maken. Stukken die belangrijk zijn, maar niet voor grote zalen bestemd zijn. Zij vallen straks misschien gewoon af. Sommigen zullen die mooie stukken blijven maken, maar dan wel met een baan en componeren in de vrije tijd. Het risico is in ieder geval dat we kleuren gaan kwijtraken in Nederland, dat componisten zich elders gaan vestigen. Dat is nooit goed.”

Het klinkt toch vreselijk als je maanden aan een stuk hebt gewerkt, dat je er helemaal in gelooft en dat iemand tegen je zegt dat hij het heeft beluisterd en het ‘best wel leuk’ vond.
“Dat is toch vaak de consequentie van wat wij doen. Eenmaal luisteren en dat is het dan, zeker als het slecht wordt uitgevoerd. Meestal wordt het dan aan dat stuk geweten, want niemand weet hoe het werkelijk had moeten klinken. Dat is voor iedere componist al een enorm probleem. En verder ontbreekt vaak een tweede kans. Over en uit! Voor beginnende componisten is het heel erg ingewikkeld. Als je het geluk hebt dat je een beetje naam hebt en je stukken worden vaker uitgevoerd, wordt het leven een heel stuk gemakkelijker. Je weet dan ook dat je nieuwe werk de kans heeft vaker te worden uitgevoerd. Als je net van het conservatorium komt en prachtige stukken hebt gemaakt, hoe krijg je dan het momentum, die duw? Heel veel mensen componeren, zonder verder te komen. Geluk, charisma, persoonlijkheid, het speelt allemaal mee.”

 
  Foto Bob Bronshoff (2009)

Ambities

Pierre Audi (artistiek directeur van De Nederlandse Opera en het Holland Festival) gaf je een belangrijke kans.
“Hij had mijn opera One gezien, en One heb ik weer kunnen maken omdat Gaudeamus-directeur Henk Heuvelmans heilig in mijn idee geloofde en zei: ‘Ga maar maken, hier heb je een klein potje met geld, doen!’ Dergelijke mensen moeten gewoon op je weg komen. Door One ben ik ook bij Boosey & Hawkes terechtgekomen, waardoor ik weer een ander werk heb kunnen maken. Het hangt een beetje aan elkaar, maar een emmer vol geluk is het nu ook weer niet, want die stukken moeten natuurlijk wel wat zijn. Al die aspecten tellen echter wel degelijk mee, waarbij het nooit ophoudt. Voor mijn volgende opera moeten we weer mensen bij elkaar zien te brengen die het gaan doen. De plannen worden ambitieuzer, er is steeds meer nodig.”

Solisten, koor, orkest, decor, video, verdere entourage. Wie trekt de kar?
“Mijn muziekuitgever en mijn agent. Er is het idee, de librettist, de realisatie. Intermusica in Londen doet het project management. Zij nemen het project onder hun hoede en gaan op zoek naar co-producenten. Dan zijn er uiteraard mijn eigen contacten. Het draait om samenwerking. Als er een prestigieuze partij aan mee gaat doen wil een andere vaak ook wel. Het wordt dan gemakkelijker voor anderen om op de toch al rijdende kar te springen. Een sterke troef leidt al snel tot de volgende. Momenteel werk ik aan een mystery occult film opera, een trillerachtig gegeven. Ik wil – control freak als ik ben – het gehele proces weer zelf in de hand houden, tot en met het toneelbeeld. Ik ga de opera zelf regisseren!”

Het ligt niet voor de hand dat anderen dat later gaan doen.
“Niet op de manier zoals ik werk. Dit is multimedia, met film. Je noemde het een ‘Gesamtkonzept’ (naar Wagner, al schreef die zelf zijn libretti en ontwierp hij zijn eigen operahuis in Bayreuth - AvdW) en dat is het in zekere zin ook. Het is een op een, en dat heeft zijn voor- en nadelen. Er is een artistiek team, zoals de librettist, de dramaturg, de lichtontwerper en allerlei andere artistiek belangrijke mensen, maar ik moet het skelet omhoog tillen en houden. Het grote bouwwerk maak ik zelf, en dan komen er een heleboel mensen bij om daarvan iets meer te maken. Een gekke bezigheid, met meerdere petten op!”

Als je een opdracht krijgt en je schat in dat je daarmee een jaar bezig bent, dan ligt het voor de hand dat de opdrachtgever je een jaar betaalt, of anders een stevig voorschot verstrekt. Van de wind kun je immers niet leven.
“Dat moet dan een bedrag zijn waarvan in ieder geval het brood en de huur, of de hypotheek, kan worden betaald. Bovendien is er later het uitvoeringsrecht. Voor een groot orkestwerk moet het toch wel lukken om er financieel redelijk uit te springen, soms met behulp van ‘co-commissioners’, dus meerdere partijen die de opdracht hebben verstrekt. Het helpt trouwens ontzettend als ik een werk kan schrijven voor meerdere ensembles. Een uitgever als Boosey & Hawkes is dan heel belangrijk.”

Is er dan geen sprake van een forse druk?
“Het gaat de ene dag beter dan de andere. In iedere fase van het componeren slaat de twijfel toe, zie ik het niet meer zitten en denk ik dat het allemaal rotzooi is, dat ik opnieuw moet beginnen. Dat gebeurt bij ieder stuk, maar die kwetsbaarheid is belangrijk omdat je je er sterk van bewust bent dat je risico’s aan het nemen bent en dat elk stuk een bepaalde mate van avontuur moet hebben.”

Werk je op vaste tijden?
“Dat probeer ik wel zo consequent mogelijk te doen, mij discipline op te leggen. ’s Morgens beginnen, tot ik ’s middags de kinderen van school ophaal. En ’s avonds het nodige. Voor mij werkt dat het beste.”

Geen hapklare brokken

Ketting is niet de enige die vindt dat een nieuw muziekstuk al na de eerste beluistering ervan begrepen moet zijn.
“Stukken kunnen een- of tweedimensionaal zijn. Dat zijn dus vaak niet de meest interessante.”

Kunst moet niet in hapklare brokken aangeboden worden. We zitten toch al midden in een overvloed van instantinformatie die iedere dag opnieuw in een bodemloze put valt De ene hype is nog niet voorbij, of men is alweer op weg naar de volgende. De Wereld Draait Door vind ik daarvan trouwens een goed voorbeeld, al realiseer ik me dat het amusementsgehalte daarin wel erg hoog moet zijn. Maar ook daar overheerst dat ademloze.
“Er is toch blijkbaar grote behoefte aan, want DWDD is een fantastisch populair programma. Ik vond het heel erg goed van Jochem Valkenburg om met die éénminuutopera’s te komen en het voor elkaar te krijgen. Voor ons componisten is dat ontzettend belangrijk. Dat moet je niet onderschatten. Gewoon een componist die aan tafel zit! O, leven die nog, componisten? Men weet dat niet, dat er überhaupt nog gecomponeerd wordt. Natuurlijk, film- en popmuziek, liedjes en zo, maar opera’s, orkestwerken? Natuurlijk moet je zo’n operaatje iets zijn dat sneller aanspreekt. Ik ga echt niet een Lachenmann-achtig klankstuk maken, want dan weet ik vrijwel zeker dat ik er echt niemand, of nauwelijks iemand mee bereik. In die zin lijkt het meer op filmmuziek. Je zoekt dan naar een taal en een directheid die onmiddellijk kan overtuigen. Het werken met Adriaan van Dis was bijzonder leuk. De enige reden dat ik dit doe is dat er daardoor in de toekomst misschien weer vijf nieuwe bezoekers een opera van mij bijwonen. Dat ik mijn publiek met een paar mensen kan uitbreiden. Zo moet je het een beetje zien.”

Heb je Adriaan voor je muziek gewonnen?
“Ik stuurde hem mijn eerste cd en toevallig kreeg ik gisteren zijn mailtje dat hij die in de auto verschillende malen had beluisterd en daardoor gegrepen is. Het is precies wat jij net zei, dat dergelijke muziek tijd kost, dat je moet durven erin te verdwijnen.”


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links