DVD-recensie

Slecht onderbouwde Puritani-mix

 

© Paul Korenhof, juni 2019

 

Bellini: I puritani
Anna Durlovski (Elvira), René Barbera (Arturo Talbot), Gezim Myshketa (Riccardo Forth), Adam Palka (Giorgio Valton), Diana Haller (Enrichetta di Francia), Roland Bracht (Gualtiero Valton), Heinz Görig (Bruno Robertson)
Staatsopernchor Stuttgart
Staatsorchester Stuttgart
Dirigent: Manlio Benzi
Regie: Jossi Wieler & Sergio Morabito
Toneelbeeld: Anna Viebrock
Naxos NBD0093V (BD)
Opname: Stuttgart, 17 en 24 juli 2018

 

Van een chefdramaturg van de Staatsoper Stuttgart die zo nauw samenwerkt met regisseur Jossi Wieler, dat zij gezamenlijk tekenen voor een enscenering, zou je mogen verwachten dat hij zijn huiswerk doet. Nee dus! Refererend aan de Napolitaanse en de Parijs versie van I puritani schrijft Sergio Morabito in het dvd-boekje dat hier 'voor het eerst' in één voorstelling 'alles klinkt wat Bellini voor de Parijse première geschreven heeft'.

Om te beginnen bevat een tien jaar eerder door Decca uitgebrachte voorstelling uit Bologna met Nino Machaidze en Juan Diego Flórez uit Bologna evenveel muziek, maar ernstiger is dat Morabito er klakkeloos van uit gaat, dat de Napolitaanse versie een bewerking is van de opera die Bellini voor Parijs heeft geschreven. Volgens hem heeft Bellini voor Napels gewoon de rol van Riccardo omgewerkt voor tenor, de tweede akte ingekort en met de derde akte samengevoegd, en in de vocale lijnen wat variaties aangebracht ten behoeve van Maria Malibran. Daarbij poneert hij ook nog dat het duet Riccardo-Giorgio (slot II) kennelijk op last van de censuur in de Napolitaanse versie gesneuveld is. Onjuist: pas nadat de Napolitaanse versie voltooid was, is dat fragment voor Tamburini en Lablache aan de Parijse versie toegevoegd met als gevolg dat de tweede akte voor Parijs werd gesplitst in een tweede en derde bedrijf. Nieuw voor Napels was volgens Morabito alleen een in de Parijse versie ontbrekend recitatiefdeel!

Zoals ik in eerder over 'de twee Puritani's' heb aangetoond (klik hier) liggen de feiten ietwat anders. Grote delen van Bellini's laatste opera zijn origineel Napolitaans, geschreven voor Malibran en daarna bewerkt voor de iets hogere tessitura van Grisi in Parijs, en niet omgekeerd. Daarnaast zijn behalve dat ene recitatief ook twee andere delen uitsluitend in de Napolitaanse versie te vinden: het tweede deel van het terzet Enrichetta-Arturo-Riccardo en een deel uit het liefdesduet. De slotscène werd bovendien drastisch omgewerkt om Maria Malibran in het centrum te plaatsen, zowel in het ensemble 'Credeasi misera' als in de finale met een solo-cabaletta, terwijl in Parijs de tenor Rubini muzikaal meer aandacht kreeg.

De grote fout die Morabito maakte, was dat hij zich niet realiseerde dat de partituur die hij aanzag voor de 'Parijse versie' in feite een 'complete werkpartituur' is, vervaardigd voor de theaters van nu die - waarschijnlijk vooral vanwege 'Suoni la tromba' - een versie met Riccardo als bariton prefereren. Hiervoor werd de 'Napolitaanse muziek' aan de Parijs versie toegevoegd, zij het met enkele aanpassingen. Daartoe behoort mogelijk ook (op dit punt ontbreekt mij de juiste informatie) een slotcabaletta voor sopraan en tenor samen om de finale meer in evenwicht te brengen met de leidende tenorrol in 'Credeasi misera'. In zowel het manuscript als de partituuranalyse van Roman Vlad is de originele cabaletta echter duidelijk te vinden als Napolitaans fragment waarvan de eerste strofe nadrukkelijk genoteerd is als solo voor Elvira, te zingen 'con lo slancio il più tenero' (in de tederste vervoering), en pas bij de herhaling voegt Arturo zich bij haar.

Katholieken versus protestanten
Onder het motto 'Elvira's droomfabriek' is het grootste deel van Morabito's inleiding gericht op de interpretatie van Bellini's opera door het Stuttgarter regieduo en dat is geen overbodige luxe. Weer slaagt Morabito er echter in om met veel omhaal van intellectueel aandoende woorden niets duidelijk te maken (zie ook mijn bijdrage over mythe en realiteit). Sommige politici zouden hem dat niet verbeteren en ook nu begrijp ik er weinig van, terwijl het weinig verheldert van wat ik op het Stuttgarter toneel zie gebeuren.

Dat Wieler en Morabito de handeling verplaatsten naar onze tijd is weer niet het grootste probleem, al passen de grauwe en overwegend kleurloze toneelbeelden van Anna Viebrock niet echt bij Bellini's zuidelijke muziek. Ernstiger is weer dat zij fictie en historische feiten door elkaar husselen. Toen Meyerbeer Les Huguenots schreef, had hij als Duitser nog wel enig inzicht in het 16de-eeuwse mentaliteitsverschil tussen katholieken en protestanten, maar voor een Siciliaan was zoiets terra incognita, en dat gold voor fundamentalistische groeperingen als de cromwelliaanse 'puriteinen'.

Wie Bellini's I puritani opvat als een 'historische' opera waarin religieuze en politieke conflicten de sfeer bepalen, slaat op de meest essentiële punten de plank mis. I puritani bevat in de verste verte geen schildering van een religieus of politiek conflict. Het is een typisch 19de-eeuws romantisch drama dat zich naar de mode van die tijd afspeelt in een onbekend land dat in die tijd tot de romantische verbeelding sprak. Dat het renaissancistische Engeland voor veel Europeanen inderdaad aan dat criterium beantwoordde, blijkt uit de vele opera's die zich aan de overzijde van het Kanaal afspelen, en zij hebben ook allemaal één belangrijke overeenkomst: zij vertellen een liefdesverhaal dat zich afspeelt in een 'romantisch' decor.

Wie zo'n romantisch gegeven plaatst in een realistisch spanningsveld vol ideologische, politieke en sociale drijfveren, maakt hooguit spannend theater voor wie op de eerste plaats naar een opera gaat om een actueel drama te zien. Zo'n aanpak werkt echter ten koste van de emotionele conflicten van de personages en in dit geval dus ten koste van de opera zelf. I puritani gaat niet over mensen in een fundamentalistische gemeenschap, maar over verliefde mensen die de pech hebben om te behoren tot vijandige groeperingen. Of dat Capulets en Montagues zijn, Palestijnen en Israëliërs, of katholieken en protestanten, is van ondergeschikt belang. Het ideologische conflict is niet meer dan het decor, zeker in een opera van een componist die weinig wist van de historische feiten en de mentaliteit die daarbij meespeelde.

Elvira's droomwereld
Bij zo'n aanpak dwingt het verhaal echter tot kunstgrepen. Elvira wordt hier niet aan het einde van het eerste bedrijf waanzinnig, maar leeft vanaf het eerste moment in een droomwereld zonder besef van de realiteit, de met haar sympathiserende ook Giorgio kan natuurlijk geen fundamentalist zijn en wordt dus een buitenstaander, een soort sprookjes vertellende artiest (niet helemaal logisch dat hij wel door in dit milieu geaccepteerd lijkt te worden). Arturo komt in het eerste bedrijf aanvankelijk over als een gekostumeerde fantasiefiguur, evenals Enrichetta, die wij al tijdens het voorspel met een oud schilderij zien slepen. Haar rol daar blijft overigens helemaal duister en aanvankelijk is zelfs onduidelijk wie van de twee vrouwen op het toneel Elvira is.

De eerste helft van het tweede bedrijf is een schot voor open doel: Giorgio leest een verhaal (maar hoe bijbels?) voor aan de puriteinse gemeente en daarna zingt Elvira zonder enig gevoel voor realiteit haar waanzinscène. Sfeerrijk is het allemaal niet en Bellini's subtiele psychologie vindt weinig weerklank in de handeling, maar echt problematisch wordt de voorstelling weer bij het duet Riccardo-Giorgio. Dat de ijzervreter Riccardo daar uiteindelijk belandt bij een 'Suoni la tromba', kan ik mij nog voorstellen, maar in de mond van de onmilitaristische Giorgio lijkt zo'n strijdkreet toch wel 'out of character'.

In het derde bedrijf zien we vervolgens Arturo zonder fantasiepakje, als blinde zijn weg zoekend doordat hij (aldus Morabito's synopsis) op het slachtveld het licht in zijn ogen verloren heeft. Elvira zit aanvankelijk opgesloten in een poppenhuis midden op het toneel waarin zij daarna Arturo opsluit, een daad waarvan ik de symboliek wel kan inzien. De relatie van Bellini's liefdesduet met wat wij ondertussen te zien krijgen, ontgaat mij echter volledig en de slotscène is weer kenmerkend is voor het regietheater: als toeschouwer koop je één kaartje voor twee verschillende voorstellingen, één om naar te kijken en één om naar te luisteren. Dieptepunt daarbij is de halve aanranding van Elvira door Riccardo ten overstaan van de hele puriteinen-gemeente, terwijl de opera ondertussen door de puriteinen met een vreugdekoor in Bellini's favoriete D-groot besloten wordt!

Weinig echt bel canto
Afgezien van de vocaal en stilistisch fraaie Arturo van de Amerikaanse tenor René Barbera en de krachtige, maar te 'verdiaanse' en niet echt 'Italiaanse' Riccardo van de Albaanse bariton Gezim Myshketa is de uitvoering muzikaal niet echt opmerkelijk. De Macedonische Ana Durlovski klinkt wat monochroom en rond van timbre ten koste van haar expressiviteit, en daardoor wordt Elvira géén 'romantische heldin' in traditie van Angelina ( La Cenerentola ), Norma, Amina ( La sonnambula ) en Lucia. Wel is er een sympathieke Giorgio van de Poolse bas Adam Palka, maar ook bij hem mis ik affiniteit met Bellini's fraseringen, vooral door een gebrek aan legato. Kortom: wat hier muzikaal ontbreekt is echt bel canto

De Italiaanse dirigent Manlio Benzi kreeg geen biografie in het dvd-boekje, maar maakt over het algemeen ook weinig indruk. Morbidezza of de typische, ietwat weke Bellini-klank met een nooit geaccentueerde, zelfs bijna in vraagtekens opgebouwde ritmiek is ver te zoeken, van de solisten vraagt hij weinig meer dan rechttoe rechtaan zingen en het koor klinkt ongenuanceerd en met weinig italianità. Wel zijn er soms aangrijpende momenten zoals Arturo's meestal gecoupeerde arioso 'Se il destino a te m'invola' aan het begin van het tweede terzetdeel met Enrichetta en Riccardo, maar dat lijkt mij meer te danken aan individuele inbreng van de solisten.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links