Dirigenten

Bernard Haitink (1929~2021)

en de kunst van het weglaten

 

© Niek Nelissen, oktober 2021

 

Indien Bernard Haitink zijn necrologieën nog had kunnen lezen, had hij zich ongetwijfeld uiterst ongemakkelijk gevoel bij de vele superlatieven. Hij hield niet van loftuitingen en al helemaal niet van de kwalificatie ‘groot dirigent'. Nooit stond hij voor orkesten als ‘de maestro' die zijn wil ging opleggen, maar altijd als Bernard. Hij stond niet tegenover een orkest, maar te midden van de orkestleden. Steeds ging het hem om de muziek, niet om zijn eigen ego. Als contrast met het beeld van de traditionele, autoritaire dirigent is hij dan ook getypeerd als een ‘anti-dirigent'. Toch valt niet te ontkomen aan de vaststelling dat hij behoorde tot het selecte gezelschap van de belangrijkste dirigenten ooit. De verleiding is groot hem te plaatsen in de reeks wereldberoemde collega's, maar door een geheel eigen manier van musiceren vormde hij een klasse apart. De uitzonderlijke kwaliteiten daarvan hangen samen met de klank die hij wist op te roepen, zijn permanente zoektocht naar het meest natuurlijke verloop van muziek en zijn unieke talent om te communiceren met musici.

Foto David Montgomery

Groot musicus en bijzonder mens
Liever dan de obligate necrologie te bieden, met de bij de meeste muziekliefhebbers toch al bekende biografische gegevens, zou ik willen ingaan op bovenstaande kwaliteiten en op wat Haitink tot een groot musicus en een bijzonder mens maakte. Af en toe zal ik citeren uit de gesprekken die ik in de periode 2012-2014 met hem mocht voeren en die hebben geleid tot het boek Als je het een beroep kunt noemen, Gesprekken met Bernard Haitink over zestig jaar dirigeren (THOTH, 2014). Maar liefst 26 gesprekken voerden wij, vaak met een tijdsduur van anderhalf uur. Ofschoon hij nog volop actief en vaak op tournee was, schonk hij me zonder enige restrictie alle tijd die ik nodig dacht te hebben. Toen ik eens mijn verbazing daarover uitsprak, zei hij dat de gesprekken voor hem nog een andere betekenis hadden dan alleen het boek waar wij aan werkten: hij wilde nog een keer reflecteren over het verloop van zijn loopbaan.

Perfecte timing
In die gesprekken leerde ik andere kanten kennen van de op sommigen schuw overkomende Haitink, namelijk zijn hartelijkheid en zijn aparte gevoel voor humor. Hij formuleerde niet altijd makkelijk, maar kon een bepaalde situatie en zijn eigen aandeel erin geestig samenvatten, soms met een zelfbedachte uitdrukking, een sprekend beeld of een van de anglicismen die zijn taalgebruik gingen doorspekken naarmate hij minder Nederlands sprak. Voor iemand die schuchter leek, kon hij ad rem reageren en net als in het musiceren had hij daarbij een perfecte timing. Bij een openbaar interview in de Kleine Zaal van het Concertgebouw werden hem enkele batons voorgelegd van beroemde dirigenten, die op een zolder van het gebouw waren gevonden. Haitink nam een opvallend lange en dikke stok in zijn handen, liet hem een paar keer van zijn ene hand in de andere glijden, precies lang genoeg om de spanning in de zaal te doen oplopen, en sprak vervolgens tot hilariteit van het publiek: ‘Ik zou niet weten wat ik ermee moest doen.'

Keerzijde
Er is veel geschreven over de kansen die Bernard Haitink al vroeg in zijn loopbaan gehad heeft. Zelf was hij daar ambivalent over, zoals hij over veel dingen in het leven ambivalent kon zijn. Meestal sprak hij dankbaar over de vele mogelijkheden die hij had gekregen, bijvoorbeeld toen hij op 7 november 1956 als zeer onervaren dirigent bij het Concertgebouworkest mocht invallen voor Carlo Maria Giulini. Kort daarop volgde hij de overleden Paul van Kempen op als chef-dirigent van het Radio Filharmonisch Orkest (RFO). Niet lang na het overlijden van Eduard van Beinum in 1959 werd hij gevraagd als eerste dirigent van het Concertgebouworkest, een functie die hij 27 jaar lang zou vervullen. Op andere momenten legde Haitink uit dat degenen die telkens weer die vele kansen memoreerden zich onvoldoende realiseerden dat het evenveel kansen waren geweest om alles te verprutsen. Bovendien hadden de vroege successen voor hem ook een keerzijde gehad. Een trauma uit zijn begintijd was de door velen uitgesproken twijfel of deze jonge, onhandige dirigent wel de juiste keuze was. Die twijfel voedde zijn eigen, eeuwige onzekerheid, zodat hij met gemengde gevoelens bleef terugdenken aan de worstelingen om zich staande te houden in die beginjaren. De weerstand die hij jarenlang in Nederland ervoer, was een belangrijke reden om vanaf 1967 zijn functie bij het Concertgebouworkest te combineren met het dirigentschap van het London Philharmonic Orchestra, een orkest van een ander niveau maar waar hij zich meer geaccepteerd voelde dan in Amsterdam.

Uitzonderlijk talent
Er is wel gedacht dat Haitink in de aanloop van zijn loopbaan het geluk heeft gehad op het juiste moment op de juiste plaats te zijn. Geluk brengt echter geen talent voort en dat talent is al vroeg gezien, namelijk in 1954 op het slotconcert van een dirigentencursus in Hilversum, toen hij het Radio Filharmonisch Orkest (RFO) mocht dirigeren in Vorspiel und Liebestod van Wagner. Het was nota bene zijn eerste optreden met een professioneel orkest. Adriaan Bonsel, de solo-fluitist, vertelde me in 2006: ‘Ik had meteen het gevoel dat dit een uitzonderlijk talent was. Na die uitvoering ben ik naar de vader van Haitink toegegaan en heb gezegd: “Uw zoon wordt een groot dirigent.”' Wat de RFO-leden snel opviel, was dat Haitink een eigen klank wist op roepen. In zijn 65-jarige loopbaan zou die klank gekenmerkt blijven door rondheid, transparantie en genuanceerdheid. De typische Haitink-klank was nooit zwaar of massief en voegde zich als een handschoen naar het repertoire, of het nu ging om Franse muziek dan wel om Midden-Europees repertoire (Beethoven, Brahms, Bruckner, Mahler en Richard Strauss). Zijn klank was veel flexibeler dan de wat zware, kamerbrede Karajan-sound. Toen Karajan eens ter sprake kwam, zei Haitink: ‘Ik was diep onder de indruk van wat hij wist te bereiken. Tegelijkertijd had ik het gevoel dat dit iets was wat ik nooit zou kunnen en ook nooit zou willen evenaren. Het was een andere, onbereikbare wereld, die mij vreemd was.'

Bernard Haitink in de beginjaren van zijn dirigentschap

Feilloze intuïtie
Een ander kenmerk van Haitinks musiceren was dat hij bij het bestuderen van een partituur zocht naar een natuurlijk verloop, de juiste dynamiek en grote spanningsbogen. Daarbij werd hij geholpen door een feilloze muzikale intuïtie, een perfect gevoel voor timing en zijn vermogen als geen ander om klankkleur, dynamiek en expressie subtiel te doseren. Hij had een grote afkeer van elke vorm van overdrijven, ook in de muziek. Een volstrekt natuurlijke manier van musiceren was iets wat hij sterk had bewonderd in Eduard van Beinum, zijn voorganger bij het Concertgebouworkest, die de ideale uitvoering eens omschreef als: ‘Een vertolking is pas goed als men de vertolker eigenlijk niet meer opmerkt, maar alleen Muziek ervaart.' Ook Haitink wilde zo min mogelijk tussen de componist en de luisteraar staan.

Verfijnde smaak
Haitink begon zijn voorbereidingen, ook voor een werk dat hij al vaak had gedirigeerd, met in de partituur, liefst een gloednieuw exemplaar, te zoeken naar grote lijnen en punten waar hij naartoe moest werken. Omdat hij muziek voor zich wilde laten spreken, kreeg hij wel eens het verwijt van saaiheid, net als Eduard van Beinum overigens. Zijn verfijnde smaak belette hem iets aan de muziek op te leggen wat er vreemd aan was. Hij moest niets hebben van spierballenvertoon of epateren. Het publiek moest zijn interpretaties nemen zoals ze waren. Als zijn aanpak succesvol was, en dat was hij vaak, ervoer je ook de langste stukken als één vanzelfsprekend en adembenemend verhaal. In 2015 hoorde ik Mahlers Derde symfonie in een uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder leiding van Daniele Gatti. Voor mijn gevoel had Gatti al na tien minuten zijn kruit verschoten. Na afloop klaagde degene met wie ik het concert bijwoonde dat het een hele zit was geweest. Een jaar later hoorde ik kort na elkaar twee uitvoeringen van deze symfonie onder Haitink, één met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks in Keulen en een paar maanden later in Londen met het London Symphony Orchestra (LSO) in de Proms. Beide keren vloog de ruim anderhalf uur voorbij, zo gefascineerd bleef ik van begin tot eind luisteren.

De kunst van het weglaten
Haitink noemde juist deze kenmerken, de klank en het natuurlijke verloop, om de grootsheid van Van Beinum te benoemen. Hij legde me eens uit dat Van Beinum een meester was geweest in ‘de kunst van het weglaten' en lichtte dit toe: ‘Daarmee bedoel ik zijn weigering om bombastisch te zijn en het altijd kiezen voor eenvoud. Hij had een bijzonder goede smaak en wist wat goed was, wat esthetisch was. Daardoor was hij nooit banaal. Hij voerde wel eens muziek uit waar hij geen zin in had en dat kon hij soms ook uitstralen. Maar als hij het op zijn heupen had, dan was het, in al zijn eenvoud, groots wat hij deed.' Na dit gesprek realiseerde ik me dat Haitink onbewust zijn eigen dirigeren had getypeerd. Net als alle grote kunstenaars (van Michelangelo tot Mondriaan) beheerste ook Haitink de kunst van het weglaten: de luisteraar niet afleiden met details, hoe aantrekkelijk ook, en alles in dienst van het grote geheel. Dat was wat de uitvoeringen van Mahlers Derde symfonie tot één meeslepend verhaal hadden gemaakt.

Eduard van Beinum (1900-1959)

Steeds soberder
Rond zijn 70ste verjaardag in 1999, die in het Concertgebouw is gevierd met de serie Carte blanche voor Bernard Haitink, waarbij hij voor elk van de zes concerten een orkest mocht kiezen dat voor zijn loopbaan belangrijk was geweest, werd de kunst van het weglaten ook meer en meer zichtbaar in Haitinks gestiek. Op dit punt heeft zijn dirigeren een grote ontwikkeling doorgemaakt. Filmbeelden van de jonge Haitink tonen een heftig gesticulerende dirigent, die zowel in woord en als in gebaren erg veel moeite moest doen om te bereiken wat hij wilde. Die grote gebaren zijn nog te zien in de televisieregistratie van het sublieme herdenkingsconcert van het bombardement op Rotterdam in 1990, waarbij hij het Rotterdams Philharmonisch Orkest leidde in Mahlers Tweede symfonie. In de laatste twintig jaar werd zijn directie steeds soberder. De gebaren werden kleiner, eenvoudiger en doeltreffender.

Essentie
In de loop van 65 jaar dirigeren kwam hij toe aan de essentie van zijn vak. Aan een half woord of zelfs maar een oogopslag had hij genoeg om zijn bedoelingen kenbaar te maken. Parallel daaraan nam zijn vertrouwen in het vakmanschap van de musici sterk toe. Hij hoefde niet meer elke fout te corrigeren. Als een inzet ongelijk was, hadden de musici het zelf al gehoord. Bij de tweede keer doorspelen bleek het euvel gecorrigeerd zonder ingrijpen van zijn kant. Waar hij wel moest bijsturen, vertrouwde hij steeds meer op zijn handen, die het meest noodzakelijke aangaven. Een violist van het LSO zei eens tegen me: ‘He may seem insecure, but those hands know exactly what they want.' Een dag later kwam de violist erop terug en vulde aan: ‘It's not only his hands, but his whole body language.' In die ‘body language‘ deed zijn gezicht overigens nauwelijks mee. Toen ik hem vroeg waarom hij buiten zijn oogopslag betrekkelijk weinig gebruik maakte van de expressiemogelijkheden van zijn gelaat sprak hij: ‘Bij mij werkt dat niet. Ik kan mezelf er niet van bewust maken dat ik bij een bepaalde passage ernstig of juist vrolijk moet kijken', om er zoals altijd weer relativerend aan toe te voegen: ‘Maar ik spreek alleen voor mezelf.'

Geen pantomime
Een terugkerend onderwerp in onze gesprekken was de vraag wat dirigeren nu eigenlijk is, een vraag die hem sterk bezighield, ook door wat hij in zijn dirigentencursussen wilde doorgeven aan jonge dirigenten. Eén van zijn definities was: ‘Het is de kunst van de communicatie met een orkest. Je moet een barrière afbreken die tussen jou en het orkest staat. Mijn credo is dat je door minder te doen meer kunt bereiken. Er zijn te veel dirigenten die iets laten zien dat er fantastisch uitziet, maar dat ingestudeerd lijkt voor een spiegel. Dat is misschien interessant voor het publiek, maar orkestmusici geven daar weinig om.' In februari 2013 was ik bij zijn uitvoering van Beethovens Zevende symfonie met het LSO. De finale werd gespeeld in een duizelingwekkend tempo, maar vanaf de plaats waar ik zat, leek het alsof Haitink amper bewoog. De volgende dag vroeg ik hem waarom hij nauwelijks met de muziek had meebewogen, waarop hij sprak: ‘Dat is volstrekt overbodig, omdat de musici te druk zijn met spelen. Ze hebben daarbij geen pantomime van de dirigent nodig. Je moet zorgen dat er voldoende spanning en dynamiek in blijft en verder kun je ze gerust laten spelen. Dat is een vast onderdeel van wat ik de laatste jaren probeer duidelijk te maken tijdens mijn dirigentencursussen in Luzern: de dingen die je als dirigent juist niet moet doen.'

Master Class in Luzern

Rommelig
In de twee jaar van onze gesprekken probeerde ik zijn werk zo goed mogelijk te volgen. Ik woonde niet alleen veel van zijn concerten bij maar ook bijna alle repetities die eraan voorafgingen. Wat mij van al die weken het meest is bijgebleven zijn de repetities, eveneens in februari 2013 in Londen, voor Bruckners Negende symfonie in The Barbican. De eerste repetitie, op donderdag 14 februari, begon zo rommelig dat menig dirigent er wanhopig van was geworden. Tien orkestleden ontbraken door een vastgelopen metrolijn. De laatste die binnendruppelde, was Gareth Davies, de solo-fluitist. Davies was door het half uur opgesloten zitten in ‘the tube' zo geagiteerd geraakt, dat hij met een klap zijn instrumentkoffer op de eerste rij in de zaal legde en met driftige passen naar zijn plaats liep. Haitink tikte af en sprak: ‘Gareth, good to see you. Feel at ease.' Toen het orkest eenmaal compleet was, bleek dat de klank elke Bruckneriaanse allure miste. In de pauze van de repetitie hoorde ik van een orkestlid dat het LSO de vorige dag had gespeeld in meerdere kleine formaties. Om financiële redenen kan dit orkest zich niet permitteren om welke klus dan ook te weigeren. Een deel van de musici had in een studio onder een matige dirigent muziek opgenomen voor een videogame. Nu het LSO weer in grote formatie serieus repertoire speelde, was het zoeken naar de juiste klank.

Haitink bleef er onverstoorbaar onder, mede door zijn vertrouwen in de professionaliteit van de musici. Hij wist dat dit ongelooflijk hard werkende orkest alles op alles zou zetten voor een goed resultaat. Wel viel me op dat hij meer dan anders gericht was op details en eraan bleef schaven, soms aan één akkoord, dat een bepaalde uitstraling moest krijgen. Zoals altijd ging de meeste aandacht naar de dynamiek: ‘Make more difference between piano and pianissimo'. Hij beperkte zich tot korte aanwijzingen, bijvoorbeeld voor de violen: ‘give it more air'. In de finale zei hij één keer tegen de strijkers ‘no attack' en meteen werd de klank op deze en vergelijkbare plaatsen immateriëler. Bij een expressieve strijkerspassage in het Adagio sprak hij: ‘Now it's too civilised. Give it a little bit more'. De strijkers reageerden onmiddellijk, waarop hij afbrak: ‘Too much! For Mahler this is okay, but Bruckner…'

In vier repetities ging de kwaliteit met sprongen vooruit. De generale repetitie op zondagochtend was schitterend en bij het concert die avond deed Haitink er nog een schepje bovenop, bijvoorbeeld door het tempo in de coda van het eerste deel iets langzamer te nemen, wat een indrukwekkend resultaat opleverde. Zelden hoorde ik met zoveel intensiteit musiceren als op die zondagavond. In zijn recensie in The Guardian schreef Martin Kettle de volgende dag dat het publiek met zoveel concentratie had geluisterd dat een muis, die door een van de gangpaden trippelde, wel werd opgemerkt, maar amper afleidde van de muziek.

Klein wendbaar jacht
Kort voor dit concert had Haitink Bruckners Negende ook uitgevoerd met de Wiener Philharmoniker. Toen ik hem vroeg naar de verschillen sprak hij: ‘Bij de Wiener Philharmoniker zit Bruckner natuurlijk meer in het bloed, maar daar staat tegenover dat het aanpassingsvermogen van het LSO veel groter is en dat de Londense strijkers actiever zijn.' Vanwege dit aanpassingsvermogen, de gemotiveerdheid en het snelle werken had hij een zwak voor het LSO. Een ander favoriet orkest voor hem was het Chamber Orchestra of Europe, dat hij ‘een klein, wendbaar jacht' noemde, vergeleken bij de ‘oceaanstomers' van de grote symfonieorkesten. Het LSO bracht veel opnamen onder Haitink uit op LSO-Live, het eigen cd-label, onder meer van bovengenoemd concert met Bruckners Negende. Van de Mozart-, Beethoven-, Brahms-, Schumann- en Schubert-cycli met het Chamber Orchestra of Europe is helaas nog bar weinig op cd verschenen, ofschoon ze enkele van zijn meest geslaagde uitvoeringen bevatten. Het is te hopen dat in de kluizen van dit orkest nog geluidsopnamen liggen, die Haitinks toch al aanzienlijke fonografische nalatenschap in de komende jaren nog aanzienlijk kunnen uitbreiden.

Met het Chamber Orchestra of Europe

Zelfrelativering
Sommigen zagen Bernard Haitink als een moeilijke man. Moeilijk was Haitink echter vooral voor zichzelf. Voortdurend leed hij onder zijn twijfels, ook aan eigen kunnen. Door zijn telkens weer opstekende zelfrelativering hadden eerbewijzen voor hem slechts een betrekkelijke waarde. Pronken met zijn vele titels en eredoctoraten, zoals professor doctor Willem Mengelberg, kwam zelfs niet bij hem op. Ook de vele complimenten na afloop van een concert deden hem weinig, omdat hij meestal het gevoel had dat het beter had gekund. Typerend in dit verband is een anekdote die hij graag vertelde over Bruno Walter. Als adolescent had Haitink kort na de bevrijding een concert bijgewoond van het Concertgebouworkest onder Walter, waarin Mozarts symfonie in g klein ging (KV 550). Terwijl enthousiast werd geapplaudisseerd na afloop van deze symfonie zag de jonge Haitink dat Walter iets zei tegen enkele violisten, onder wie Charles van de Rosière, Haitinks vioolleraar. In de eerstvolgende vioolles vroeg hij zijn leraar wat Walter had gezegd. Het antwoord luidde: ‘Wieder nicht gelungen', een uitspraak waarin Haitink later veel zou herkennen.

 
 

Marius Flothuis (1914-2001)

Conflicten
Veel publiciteit kregen enkele conflicten die Haitink had met orkestmanagers. In relaties met anderen was vertrouwen voor Haitink de basis van alle contact. Mensen die hij vertrouwde, kregen veel van hem gedaan. Hij volgde zelfs graag hun voorstellen, liever dan zelf iets voor te stellen. ‘Ze moeten me vragen', zei hij vaak. Marius Flothuis, de artistiek leider van het KCO in zijn begintijd, deed hem veel voorstellen, soms voor stukken waar Haitink zelf niet op was opgekomen, iets wat hij ruiterlijk toegaf. Het leidde in programmatisch opzicht tot een van de boeiendste perioden in de geschiedenis van het KCO. Wie denkt dat Haitink voornamelijk Bruckner en Mahler heeft gedirigeerd, kent niet het brede scala aan composities dat Flothuis hem liet dirigeren, met veel eigentijdse en Nederlandse muziek (klik hier). Vergelijkbaar was zijn relatie met Tony Fogg, de artistiek leider van het Boston Symphony Orchestra, die hij omschreef als ‘een man met een uitstekende smaak, een soort wereldser Flothuis, als je begrijpt wat ik bedoel'. Wanneer er echter iets misging in het contact met een artistiek leider of orkestdirecteur, door beleid dat hij afkeurde of als hij zich slecht behandeld voelde, dan was het ook goed mis. Zijn aanvankelijke vertrouwen kon dan omslaan in een diepgevoeld wantrouwen. De twee crises in zijn ruim 62-jarige relatie met het KCO, namelijk in de jaren 1985-1988 en in 2014, zijn deels te herleiden tot problemen met de respectievelijke orkestdirecteuren, met wie hij voor zijn gevoel op een bepaald moment niet meer door een deur kon.

Hoge eisen
Zoals gezegd was hij vooral moeilijk voor zichzelf. Hij legde zichzelf hoge eisen op. In zijn laatste decennium als dirigent viel het reizen naar de Verenigde Staten hem steeds zwaarder door de lange vliegreis en de jetlag. Bij een van zijn laatste optredens in Chicago stond Mahlers Zevende symfonie op het programma. Toen ik hem vroeg waarom hij niet had gekozen voor een lichter programma, luidde zijn antwoord: ‘Je hebt helemaal gelijk, maar juist die Zevende van Mahler is zo'n stuk dat je hoopt nog eens één keer werkelijk goed te kunnen doen.' Toen ik hem wees op de vele uitstekende live- en plaatuitvoeringen die hij van die symfonie had gegeven, wuifde hij dit weg: ‘Ach, ik weet niet of dat allemaal zo goed was.'

 
 

Otto Ketting (1935-2012)

Klaverjassen...
Haitink moest altijd de zekerheid hebben dat hij met een compositie uit de voeten kon. Een van de weinige stukken die hij zou dirigeren maar dat bij nader inzien toch heeft geweigerd was Collage 9 van Otto Ketting (1935-2012), een typisch jaren-zestig-stuk dat begint met musici die bezig zijn met klaverjassen en uitvoerig stemmen, zodat het publiek in onzekerheid blijft of het stuk al is begonnen. Toen ik hem ernaar vroeg, zei hij: ‘ Ik vond het te gewild. En in ieder geval wist ik niet wat ik ermee aan moest. Het is niet dat ik als een verwend kind zoiets had van dat wil ik niet, daar houd ik niet van. Mijn ingebouwde onzekerheid vertelde me: daar kun je helemaal niets mee doen. Daar heb ik geen overtuiging voor.' Haitink dirigeerde overigens wel vijf andere composities van Ketting, naar grote tevredenheid van de componist. Haitinks radio-opname van zijn Eerste symfonie bleef voor Ketting een van de beste die dit werk had gehad.

 
 

Willem Mengelberg (1871-1951)

Eerste en laatste Matthäus-Passion
Als kind maakte een uitvoering van Bachs Matthäus-Passion onder Mengelberg indruk op Haitink. De muziek raakte hem diep, maar vijftig jaar lang zag hij er tegenop die zelf te dirigeren. De jaarlijkse Palmpasen-uitvoeringen van de Matthäus Passion door het Concertgebouworkest liet hij lange tijd over aan Eugen Jochum en later aan Nicolaus Harnoncourt. De komst van Harnoncourt voedde zijn twijfel verder, omdat de historische uitvoeringspraktijk hem te ver ging, maar hij ook niet meer wilde gaan voor een traditionele uitvoering. Pas in 2008 dirigeerde hij op voorstel van Tony Fogg zijn eerste uitvoering van Bachs meesterwerk in Boston. De reacties waren gemengd en vermoedelijk vond hij het zelf ook geen succes, zodat het bleef bij deze uitvoering. Ook bij werken uit zijn vaste repertoire kon hij opzien tegen bepaalde delen, de finale van de Zesde symfonie van Bruckner bijvoorbeeld. Toen ik hem in 2014 vroeg om dit werk weer eens uit te voeren, vertelde hij me dat hij nog steeds niet goed raad wist met de finale. In december 2018 zou hij die symfonie na meer dan dertig jaar ook weer uitvoeren in het Concertgebouw. Het werd een van zijn laatste optredens met het KCO. Kort voordat hij naar Amsterdam kwam, mailde hij me: ‘ Na driemaal in München (plus opname) en driemaal Chicago zou het eigenlijk moeten lukken...'

Opera
In de eerste decennia van zijn loopbaan dirigeerde hij ongelooflijk veel en sterk uiteenlopend repertoire. Een verhaal apart, dat hier slechts kort aangestipt kan worden maar door Paul Korenhof elders uitvoerig wordt behandeld (klik hier), is zijn ontwikkeling als operadirigent in de jaren 1972-1998. In die periode had hij de muzikale leiding over respectievelijk de Glyndebourne Festival Opera en het Royal Opera House Covent Garden. Hij leidde er spraakmakende producties, onder meer van opera's van Mozart, Verdi, Wagner, Janácek en Richard Strauss. Na zijn vertrek bij Covent Garden kwam hij nog maar sporadisch toe aan opera, mede door de langdurige en intensieve voorbereidingen en de niet altijd makkelijke samenwerking met eigenzinnige regisseurs en ontwerpers.

Versmald repertoire
Haitink wist waar zijn sterkste kanten lagen. Vanaf 2000 versmalde zijn repertoire zich meer en meer tot de symfonische muziek waarin hij excelleerde: orkestwerken van Ravel en Debussy, waarvoor hij een groot zwak had, en de symfonieën van Mozart, Beethoven, Brahms, Bruckner en Mahler. Ook begeleidde hij graag solisten, waarbij hij uitgesproken voorkeuren had. Bij de pianisten werkten hij het liefst met Alfred Brendel, András Schiff, Murray Perahia, Maria João Pires, Emanuel Ax en Till Fellner. Tot de lacunes in zijn discografie behoren de pianoconcerten van Mozart, waarin hij vaak schitterend begeleidde maar die hij helaas nooit heeft opgenomen.

Met Alfred Brendel

Wat bij de versmalling van zijn repertoire meespeelde, wat dat orkesten hem steeds bleven vragen voor de uitvoeringen van symfonieën van Bruckner en Mahler die het publiek graag van hem wilde horen. Bij sommige orkesten werd de repertoirekeuze echter beïnvloed door originele ideeën van een artistiek leider, bijvoorbeeld die van de Berliner Philharmoniker, die hem ook na 2000 vroeg om behalve het bekende repertoire muziek van Korngold, Martinu, Kurtág en Lutoslawski te komen dirigeren. In Chicago voerde hij eveneens Lutoslawski uit en ook muziek van Turnage en Lieberson. Rond 2010 werden de excentrieke stukken echter nog meer de witte raven in zijn programma's. Tot de laatste behoorde Haydns 60 ste symfonie, bijgenaamd Il Distratto , die hij in zijn laatste jaren voor het eerst instudeerde en die Fogg in 2017 programmeerde bij het Boston Symphony Orchestra.

 
 

Met Herman Krebbers

Laatste contact
Een maand voordat Haitink overleed, hadden we voor het laatst contact. Het resultaat daarvan was typerend voor zijn loyaliteit aan mensen die veel voor hem hadden betekend. De aanleiding om hem te mailen was het plan van Australian Eloquence, de Australische tak van Universal, om in 2023, bij de honderdste geboortedag van Herman Krebbers, een cd-box met diens complete Philips-opnamen uit te brengen. Producer Cyrus Meher-Homji polste mij of we Haitink konden vragen een voorwoord te schrijven voor het boekje. Gezien Haitinks fysieke conditie leek de kans dat hij dit zou doen me zeer gering. Ik wist echter dat het hem indertijd had gestoord dat Philips Krebbers had behandeld als een lokale Nederlandse artiest. Dat bleek wel uit het feit dat in 1973 en 1974 minder opnamesessies voor hem werden uitgetrokken toen hij de vioolconcerten van Brahms en Beethoven ging opnemen met het Concertgebouworkest onder Haitink dan voor Henryk Szeryng, die dat luttele maanden daarvoor óók met Haitink had gedaan. Hij reageerde positief en met hulp van echtgenote Patricia, tevens zijn grote steun en toeverlaat, ontstond in één dag een ontroerend stukje, waarin hij zijn grote waardering uitsprak voor Krebbers als musicus en aangaf dat hij niet alleen in muzikaal opzicht maar ook op menselijk vlak veel van hem had geleerd. Krebbers was in zijn onzekere begintijd, net als solocellist Tibor de Machula, voor hem één van de ‘pilaren' in het orkest geweest, iemand waarop hij altijd kon rekenen. Haitink was er nog altijd dankbaar voor, wat de reden was dat hij een halve eeuw later ondanks zijn zwakke gesteldheid toch de energie wilde opbrengen om dit eerbetoon aan Krebbers op papier te zetten.

Begin en einde
Een vergelijkbaar gevoel van dankbaarheid en trouw maakte dat hij voor zijn laatste optreden in Nederland, dat plaatsvond op 15 juni 2019, niet het wereldberoemde KCO koos, waarvan hij op Mengelberg na de langst zittende chef-dirigent is geweest, maar het RFO, dat hem vanaf 1954 de kans had geboden om zich als dirigent te ontwikkelen. De onlangs bij Challenge verschenen cd-uitgave van de Zevende symfonie van Bruckner uit dat programma is met zijn overlijden een passend ‘In Memoriam' geworden dat met één opname staat voor zowel het begin als het einde van zijn lange loopbaan.

Na het laatste concert (6 september 2019, Luzern)

Het overlijden van Bernard Haitink op 21 oktober jongstleden betekent het verlies van een groot musicus en een heel bijzonder mens. Liefst 65 jaar lang legde hij zijn ziel in uitvoeringen die, om zijn eigen uitspraak over Van Beinum te parafraseren, in al hun eenvoud vaak schitterend waren. De muziek is vervlogen, zodat slechts de herinnering eraan is gebleven voor wie getuige is geweest van zijn concerten. Gelukkig was hij behalve een belangrijk podiumkunstenaar ook een productieve en uiterst succesvolle platendirigent, de eerste overigens die zowel een complete Bruckner- als een Mahlercyclus opnam. Dankzij zijn vele opnamen kunnen niet alleen de huidige maar ook toekomstige generaties blijven genieten van het meesterschap dat hij heeft weten te bereiken in de kunst van het weglaten.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links