Componisten/werken

Lost & Found

Vijfentwintig jaar Leo Smit Stichting

 

© Eleonore Pameijer, juli 2020

 

Vijfentwintig jaar Leo Smit Stichting, het onderzoek naar 35 vervolgde Nederlandse componisten, introductie van een nieuw Kennis Centrum.

Graag wil ik 35 Nederlandse componisten, die vervolgd werden tijdens de Tweede Wereldoorlog, aan u voorstellen. De meesten van hen waren joods, maar ook anderen werden vervolgd bijvoorbeeld wegens hun politieke denkbeelden of vanwege hun verzetswerkzaamheden. Dit zijn hun namen: Daniël Belinfante, Martha Belinfante-Dekker, Johanna Bordewijk-Roepman, Henriëtte Bosmans, Fania Chapiro, Lex van Delden, Sem Dresden, Marius Flothuis, Géza Frid, Jan van Gilse, Simon Gokkes, Bob Hanf, Paul Hermann, Julius Hijman, Mischa Hillesum, Dick Kattenburg, Leo Kok, Hans Krieg, Hans Lachman, Bertus van Lier, Ignace Lilien, Israel Olman, Wilhelm Rettich, Nico Richter, Andries de Rosa, Samuel Schuijer, Paul Seelig, Leo Smit, Theo Smit Sibinga, Martin Spanjaard, Zoltán Székely, Marjo Tal, Max Vredenburg, Franz Weisz en Rosy Wertheim,

Zij allen schreven muziek die na 1945 niet of nauwelijks meer tot klinken kwam. Hun stijl was uiteraard twintigste eeuws en zeer divers: romantisch, neoklassiek, impressionistisch, expressionistisch, jazzy, (weinig) twaalftoons, bijna altijd tonaal. Joodse elementen in de muziek zijn niet of nauwelijks aan te wijzen. De joodse componisten waren geassimileerd en schreven voornamelijk muziek voor de concertzaal. Ze hielden zich over het algemeen niet bezig met muziek voor eredienst of met volksmuziek.

In Lost & Found beschrijf ik hoe de muziek van deze componisten verloren raakte en hoe deze, soms op spectaculaire wijze, werd teruggevonden. Aan het eind van dit hoofdstuk wil ik een nieuw digitaal kenniscentrum bij u introduceren. Datgene wat verloren raakte werd grotendeels teruggevonden en zal nu, via dit digitale kenniscentrum, voor iedereen vindbaar zijn.

 
 

Leo Smit in 1923

Leo Smit (1900-1943), zonnige muziek in C-groot
Laten we beginnen bij Leo Smit, de componist bij wie het voor mij allemaal begonnen is. Leo Smit wordt geboren in 1900. Hij stamt uit een welgestelde, niet-religieuze joodse familie. Hij heeft een groot muzikaal talent en maakt een mooie carrière. Op de eerste foto die ik van hem zag, is Smit 23 jaar oud. Hij kijkt lachend in de camera, een kleine man met grote wijduitstaande oren en onregelmatige tanden. Onder zijn arm draagt hij een grote leren schooltas, ongetwijfeld zijn partituren bevattende. Hij heeft ook alle reden om te lachen: hij studeert cum laude af aan het Conservatorium van Amsterdam en korte tijd later, in 1925, voert het Concertgebouworkest zijn werk Silhouetten uit onder leiding van dirigent Cornelis Dopper. Dit orkest zal vaker werk van hem uitvoeren: zijn balletmuziek Schemselnihar wordt in 1929 uitgevoerd door Pierre Monteux, zijn harpconcert, geschreven voor de beroemde harpiste Rosa Spier, wordt in 1934 in première gebracht door Eduard van Beinum.

Net als veel andere Nederlandse componisten voelt hij zich aangetrokken tot de nieuwe Franse muziek en in 1927 vertrekt hij naar Parijs, waar hij negen jaar zal blijven. Hij dompelt zich onder in het Franse muziekleven, geniet van uitvoeringen van componisten als Ravel, Stravinsky, Milhaud, Honegger en Poulenc, en schrijft hier het grootste deel van zijn oeuvre. Zijn stijl is neoclassicistisch, met een voorliefde voor de toonsoort C groot, hetgeen zijn muziek een zonnig karakter geeft. In verschillende werken is de jazz een inspiratiebron: jazz-achtige ritmes en harmonieën getuigen van zijn fascinatie voor deze in die tijd nieuwe muzieksoort. In 1937 keert hij, inmiddels getrouwd, naar Amsterdam terug. Daar vestigt hij zich als docent piano, muziektheorie en compositie. Na de Duitse invasie in mei 1940, volgen er al snel anti-joodse maatregelen. In 1941 mogen joodse musici niet meer in het openbaar optreden, later mogen ze zelfs hun vak helemaal niet meer uitoefenen. Bij Leo Smit blijven de niet joodse leerlingen geleidelijk weg. In december worden hij en zijn vrouw Lientje de Vries gedwongen te verhuizen naar een joods getto in Amsterdam- Oost. De jodentransporten zijn begonnen. Ondanks de moeilijke situatie blijft Smit componeren. Hij besluit zijn partituren en een groot deel van zijn meubels op te slaan, hij doet dit op naam van een niet joodse leerling. Voor de veiligheid knipt hij eigenhandig zijn naam van alle partituren af, zodat die niet meer als joods te herkennen zijn. Begin april 1943 worden Leo Smit en zijn vrouw via de Hollandsche Schouwburg op transport gesteld naar doorgangskamp Westerbork. Van daar vertrekken de treinen naar de concentratiekampen.

Smits leven eindigt in 1943 in de gaskamer van concentratiekamp
Sobibor.

Leo Smit ondervond tijdens zijn leven grote waardering, maar na zijn dood in 1943 werd het stil, totaal stil. Zijn muziek was tijdens de oorlog verboden, maar ook na de oorlog werden zijn werken niet meer uitgevoerd. Wat waren hier de oorzaken van? Ik zal proberen die vraag te beantwoorden.

In de eerste plaats was de componist zelf niet meer aanwezig om zijn werk onder de aandacht te brengen, zijn professionele contacten te onderhouden en nieuwe contacten aan te gaan. Zijn muziek was voor het grootste deel niet uitgegeven. Het muziekleven in Nederland was tijdens het laatste oorlogsjaar stil komen te liggen. Dit moest eerst weer opgebouwd worden. Andere en jongere componisten sprongen gretig in het gat dat was ontstaan door het verlies van een groep componisten die de oorlog niet overleefd hadden. Ook de stijl en de esthetiek van de muziek veranderden na de oorlog razendsnel. Abstracte atonale muziek kwam in zwang en de tonale, neoklassieke, speelse en jazzy muziek van de 'twenties' en 'thirties' werd afgedaan als ouderwets, oubollig en uit de tijd. Was het ook schaamte of gêne, die maakte dat het stil bleef rond de tijdens de oorlog vervolgde en vervolgens vermoorde componisten? Nederland was na de oorlog kapot, voedsel was nog jarenlang op de bon, de infrastructuur moest opnieuw worden opgebouwd. Men keek liever vooruit: de gedachten aan vijf jaar oorlog, de hongerwinter, het laten wegvoeren en ombrengen van ruim 100.000 Joden, waren te pijnlijke herinneringen.

Gelukkig werden de handschriften van Leo Smit door zijn leerling Frits Zuiderweg na de oorlog uit de opslag gehaald, nadat bleek dat Smit niet meer terugkwam. Zuiderweg bracht de manuscripten naar Smits zuster Nora die de oorlog overleefd had door onder te duiken. Zij zorgde ervoor dat Smits muziek bij het Nederlands Muziek Instituut terecht kwam.

Ikzelf kwam voor het eerst met de muziek van Leo Smit in aanraking in het najaar van 1994. Het Joods Historisch Museum in Amsterdam verzocht om een concert met werken van Joods- Nederlandse componisten. Joods-Nederlandse componisten? Dat was voor mij geheel onbekend terrein, iets waar ik nog nooit over had gehoord of nagedacht. Mijn toenmalige pianist Frans van Ruth, een groot kenner van Nederlandse muziek, droeg de werken aan van Leo Smit, Rosy Wertheim en Ignace Lilien.

Zodoende speelde ik toen voor de eerste keer de Fluitsonate van Leo Smit. Bij het instuderen werd ik gegrepen door de kwaliteit van de muziek. Deze is zeer Frans van signatuur, muzikaal te plaatsen tussen componisten als Ravel, Poulenc en Stravinsky. Maar waarom zijn deze componisten wereldberoemd en ontmoette ik bij de naam Leo Smit slechts ontkennend hoofdschudden, zelfs bij de meest ontwikkelde musici en musicologen? Ik ontdekte dat de Fluitsonate Leo Smit's laatste voltooide compositie was. Het middendeel, het prachtige Lento, voltooide hij in februari 1943. Twee maanden later leefde Smit niet meer. Nederland was beroofd van een van zijn grootste muzikale talenten. Na de oorlog werd het stil rond Leo Smit.

De Leo Smit Stichting
In januari 1996 richtte ik samen met Frans van Ruth de Leo Smit Stichting op, en in hetzelfde jaar begonnen we met een maandelijkse concertserie 'De Uilenburger Concerten' in de pas gerestaureerde Uilenburger Synagoge in de oude Amsterdamse jodenbuurt. Al snel bleek dat vele andere componisten hetzelfde lot hadden ondergaan als Leo Smit. Vervolgd, vermoord, vergeten. Terwijl Duitse en Oostenrijkse componisten na 1933 geen mogelijkheden meer hadden om hun muziek uitgevoerd te krijgen ofwel anderszins in het muziekbedrijf werkzaam te zijn en uitweken naar Zwitserland, Frankrijk, Engeland of de Verenigde Staten van Amerika, werd het kleine Nederland in mei 1940 na vijf dagen bittere strijd bezet door de Duitse troepen. De regering en de koninklijke familie vluchtten naar Engeland. De grenzen waren dicht en niemand kon meer weg. De Nederlandse componisten zaten als ratten in de val.

In de afgelopen 25 jaar heeft de Leo Smit Stichting onderzoek gedaan naar de 35 Nederlandse componisten die tijdens de oorlog vervolgd werden. De meeste van hen waren Joods. Hun muziek mocht tijdens de oorlog niet meer worden uitgevoerd, ze mochten niet optreden, dirigeren of lesgeven. Velen van hen doken onder of sloten zich aan bij het verzet, een aantal werd opgepakt, verraden en gearresteerd.

Ze werden naar de concentratiekampen getransporteerd, vandaar was er geen weg meer terug. Van de 35 componisten hebben er veertien de oorlog niet overleefd.

Tussen 1996 en 2016 hebben wij ruim 150 concerten geproduceerd, altijd met werken van vervolgde componisten, zowel uit Nederland als daarbuiten. Deze concerten zijn allemaal opgenomen, waardoor wij een geluidsarchief verkregen van zo'n 800 composities.

Dikwijls wordt mij de vraag gesteld: hoe zijn de composities van deze vergeten componisten teruggevonden? Daarover kan ik urenlang vertellen. Ik zal hier nader ingaan op een aantal van de meest spectaculaire vondsten.

Dick Kattenburg (1919-1944), een wonderlijke ontdekking op een zolder
Dick Kattenburg kwam in 1919 in Amsterdam ter wereld in een joods gezin. De familie verhuisde enige jaren later naar Bussum. Dick kreeg vanaf jonge leeftijd een gedegen muzikale opleiding, de violist-componist Hugo Godron was één van zijn docenten. Dick studeerde vervolgens muziektheorie en viool aan het conservatorium in Brussel en later ook in Den Haag, waar hij les had van de componist Willem Pijper. In 1941 slaagde hij voor het staatsexamen en behaalde tevens het praktisch pedagogisch diploma.

Kort na zijn examen moest Kattenburg onderduiken. Nederland was inmiddels bezet en hij was als jood niet meer veilig. Hij kon terecht bij een vriendin in Utrecht. Zijn schuilplaats werd echter verraden, en in de jaren die volgden, zwierf Kattenburg langs verscheidene adressen. Op 5 mei 1944 werd hij opgepakt, waarschijnlijk tijdens een razzia in een bioscoop. In kamp Westerbork zag hij nog kans een briefje naar zijn oom en tante in Amsterdam te sturen. Kort daarna, op 19 mei 1944, werd hij naar Auschwitz gedeporteerd. Dick Kattenburg stierf op 30 september 1944 ‘ergens in Oost-Europa’, waarschijnlijk tijdens een van de dodenmarsen.

Gedurende zijn korte leven, schreef Kattenburg een dertigtal composities. Een groot deel daarvan kwam tijdens de oorlog tot stand. Hij schrijft uiterst aanstekelijke muziek met mooie warme melodieën. Zijn werken hebben dikwijls een jazzy karakter, enigszins vergelijkbaar met de stijl van George Gershwin. Opvallend is dat Dick, die niet religieus was opgevoed, zich in de oorlog steeds sterker bewust lijkt te worden van zijn joodse afkomst. Er verschijnen Hebreeuwse letters in zijn partituren en hij schrijft een bundel Palestijnse liederen die zionistisch van karakter zijn en het beloofde land bezingen. Israël werd in die tijd immers Palestina genoemd. De muziek van Kattenburg kon door de oorlogsomstandigheden niet in de concertzaal worden uitgevoerd. Wel is aan de aantekeningen in de partituren te zien dat hij met vrienden zijn werken doorspeelde op kamermuziekavonden.

De Sonate voor fluit en piano schreef Kattenburg in 1937 voor een meisje waarop hij verliefd was, Ima van Esso. Net als Kattenburg kwam zij in de oorlog in Auschwitz terecht, maar zij overleefde het kamp. Ze bewaarde Kattenburgs manuscript haar hele leven en stuurde het in 2000 naar mij. Getroffen door de kwaliteit van het werk en door het verhaal er achter, voerde ik het in de jaren die volgden regelmatig uit. Voorzover bekend was dit de enige compositie van Kattenburg die bewaard was gebleven.

In 2004 deed Joyce Bergman-Van Hessen, dochter van Dick Kattenburgs zuster Daisy, een wonderbaarlijke ontdekking. Na het zien van een aankondiging op internet van een concert waarin Eleonore Pameijer en pianist Marcel Worms de fluitsonate van Dick Kattenburg zouden vertolken, klom zij in een plotselinge impuls naar de zolder om de dozen uit de nalatenschap van haar moeder te doorzoeken. De vondst die ze deed was spectaculair: een stapel manuscripten met een schat aan muziek van Dick Kattenburg kwam tevoorschijn. De Sonate voor fluit en piano bleek geen uitzondering: ook de andere composities zijn van hoge kwaliteit. Een indrukwekkende ontdekking was ook dat Kattenburg tijdens de onderduik nog les had van Leo Smit.

Bij de stapel partituren vonden we brieven van Kattenburg aan Leo Smit met vragen en antwoorden en daarbij, op notenpapier, een schriftelijke compositieles. Het is huiveringwekkend en ontroerend om te lezen hoe deze twee componisten schriftelijk met elkaar spraken, twee stemmen uit het verleden die opeens weer klonken.

Hans Lachman (Heinz Lachmann) 1906-1990, een compleet oeuvre in een sinaasappelkist
Een van de meest saillante vondsten van de afgelopen jaren kwam uit een tuinschuurtje. Hans Lachmans zoon Michel bewaarde de partituren van zijn vader gedurende vele jaren. In de kleine doorzonwoning in Alphen aan de Rijn stond het werk uiteindelijk in de weg en Michel besloot zijn vaders partituren naar het tuinschuurtje over te brengen. Daar vond ik het terug op 21 april 2008. Een onvergetelijk beeld op mijn netvlies is de houten sinaasappelkist met het complete compositorische oeuvre van Hans Lachmann.

Vanwege het verblijf in het schuurtje voelden de partituren enigszins vochtig. Bovenop de handgeschreven partituren lagen diverse kartonnen doosjes met daarin bandopnames van Lachmans werken. Ik besloot de gehele dag bij de familie Lachman te blijven om de inhoud van de kist te inventariseren en te beschrijven.

Wat een vondst was dat! Ik trof aan: een opera, zes orkestwerken, zeven concerti, een Requiem, liederen met orkest, twee radiofonische cantates, werk voor groot ensemble, sonates voor strijkers, sonates voor blazers, acht kamermuziekwerken voor uiteenlopende bezettingen van trio tot sextet en tenslotte negen strijkkwartetten. Bij het bestuderen van de werken bleek dat Lachman goed geschoold was in contrapunt. Bach was duidelijk een inspiratiebron voor hem. Hij schreef zeer kundig voor de diverse instrumenten en maakte dikwijls gebruik van een klassieke vorm. De composities staan nog stevig in de tonaliteit, met veelvuldig gebruik van chromatiek, hetgeen soms aan Hindemith of aan Reger doet denken. Het maakte me erg nieuwsgierig naar het leven van Hans Lachman. Via zijn familie kreeg ik zijn biografische gegevens en enkele foto’s.

Hans Lachman studeerde in de jaren twintig wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Berlijn. Maar hij was óók een hartstochtelijk musicus die zich tegelijkertijd een gedegen muziektheoretisch vorming wist te verwerven. Hij speelde verschillende blaas- en toetsinstrumenten en was vanaf 1930 vast verbonden aan Sid Kay's Fellows, de eerste jazzband van Berlijn. Tevens werkte hij in die jaren als musicus en arrangeur bij de Nelson Revue, voor platenmaatschappij Lindström en voor de filmproductiemaatschappij UFA. Na de machtsovername in 1933 kreeg hij, als jood, geen werk meer en verliet Berlijn, samen met zijn vrouw. Zij vestigden zich in Amsterdam. Daar werd hij trombonist en arrangeur in het Tuschinski-orkest van Max Tak. Via Tak kreeg hij tevens opdrachten om muziek te componeren en/of te arrangeren voor een tiental films. Na de Duitse inval volgden al gauw de anti-Joodse verordeningen. Joodse musici werden al spoedig ontslagen. Wel kon hij als trombonist/arrangeur meewerken aan het Joodsche Amusementsorkest en het Joodsch Symphonie Orkest. Daarna moest hij onderduiken. Hij overleefde de oorlog met zijn vrouw en zoontje Michel, verborgen in de bossen bij het Limburgse dorp Grubbenvorst, dankzij de goede zorgen van de muzikale pastoor Henri Vullinghs (1883-1945).

Pastoor Vullinghs, die een groot aantal joden wist te helpen,moest zelf zijn barmhartigheid en menselijkheid met de dood bekopen. Hij werd voor zijn kerk gearresteerd en stierf in concentratiekamp Bergen-Belsen. Na de oorlog componeerde Lachman een Requiem voor pastoor Vullinghs.

Lachmans belangstelling verplaatste zich vervolgens naar de klassieke muziek. Rond 1950 formeerde hij zijn eerste eigen ensemble, het Ensemble Lachman, met blazers uit het Concertgebouworkest, later opgevolgd door Moments Musicaux, met blazers èn strijkers uit dit orkest. Eind jaren vijftig stelde hij zijn muzikale kwaliteiten ook in dienst van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam, waar hij van 1958 tot 1968 orgel speelde en het koor leidde. Lachman overleed in 1990 en liet een gevarieerd oeuvre achter. Na zijn dood raakte zijn muziek spoedig vergeten.

Door een tip van kleindochter Shirah Lachmann en een aanbeveling van de bekende Nederlandse musicus Willem Breuker die mij schreef dat hij in de zestiger jaren een uitstekend strijkkwartet had gehoord van Lachman, werd ik op het spoor gezet. De werken uit de sinaasappelkist bevinden zich nu veilig en droog in het Nederlands Muziek Instituut.

Samuel Schuijer (1873-1942)
Op 11 december 1942 verliest Samuel Schuijer in Auschwitz niet alleen zijn leven. Ook zijn plaats in het Nederlandse muziekleven wordt hem afgenomen. Bij zijn arrestatie wordt de inboedel van zijn woning en muziekschool geplunderd. Zijn kinderen en kleinkinderen overleven de oorlog evenmin. Lange tijd lijken alle sporen uitgewist. Totdat een aantal kinderen in Den Haag, zomaar op straat, een doos met oude papieren vinden, wachtend op de vuilniswagen. Het blijken muziekmanuscripten te zijn: liederen en liedjes, maar ook een werk voor orkest, een piano uittreksel van een muziekdrama en koorpartijen uit een opera. De kinderen nemen hun schat mee naar huis en zetten zo de eerste stap naar de herontdekking van een volledig onbekende componist. De partituren van Samuel Schuijer bevinden zich nu in het Nederlands MuziekInstituut. De Leo Smit Stichting biedt het podium waar werk van Schuijer voor het eerst weer wordt uitgevoerd.

Wie is deze vergeten componist? Samuel Schuijer studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en bekwaamde zich in vele vakken, waaronder viool, fagot, piano en theorie. Na zijn studie is hij vooral actief als eerste fagottist in verschillende Nederlandse orkesten. Hij maakt zelfs een tournee door Europa als fagotsolist. Daarna wordt hij als repetitor verbonden aan de Franse opera in Den Haag. Zijn volgende stap is 'eerste kapelmeester’ bij de opera in Gent. Na een kort verblijf in Parijs vestigt hij zich tenslotte definitief in Den Haag. Hij wordt er bekend als dirigent, componist, violist en leraar.

In het eerste decennium van de twintigste eeuw componeert de jonge Schuijer al een respectabel aantal liederen. Regelmatig wordt zijn werk bekroond door het Vlaamse Willemsfonds. Maar ook muziekdrama's en opera's van zijn hand worden in die periode met succes uitgevoerd. In de jaren twintig formeert hij zijn eigen orkest. Met zijn zoon Louis, die inmiddels een succesvol cellist is, vormt hij het Residentie-Strijkkwartet. In december 1925 verschijnt in Het Vaderland de eerste advertentie voor Sam Schuijers Muziekschool. In 1930 wordt zijn Praeludium voor orkest bekroond door de auteursrechtenorganisatie SACEM in Parijs. Intussen wordt hij gekozen als (bestuurs)lid van het Nederlandsch comité consultatif voor de Société (SACEM) en dirigeert hij regelmatig verschillende orkesten, waaronder het Residentie Orkest. Kortom, Sam Schuijer speelt een prominente rol in het Haagse muziekleven voor de Tweede Wereldoorlog. De enige krantenfoto die er van hem bekend is moet uit die tijd zijn. Een knappe en goed geklede man kijkt vol zelfvertrouwen in de camera. Tot 1939 verschijnen er regelmatig berichten in Het Vaderland over nieuwe composities van Schuijer en uitvoeringen van zijn werk. Daarna wordt het stil. Het laatste officiële document is de overlijdensakte waaruit blijkt dat hij in Auschwitz omgekomen is.

Op 19 januari 2009, tijdens het honderdste Uilenburger concert van de Leo Smit Stichting, wordt voor het eerst weer werk van Samuel Schuijer uitgevoerd. Zijn driedelige vioolsonate is geschreven in een romantisch idioom dat in de verte aan het werk van Edward Grieg doet denken. Frits Zwart, directeur van het Nederlands Muziek Instituut, zegt over de manuscripten die hij nu onder zijn hoede heeft: ‘een ontroerende en bijzondere aanwinst.’

Overigen
Over alle bovengenoemde 35 componisten, hun leven, carrière en hun grote problemen tijdens de Tweede Wereldoorlog, zijn fascinerende verhalen te vertellen. Dat zou echter te ver voeren voor deze publicatie. De Leo Smit Stichting zal de komende jaren het onderzoek, de concerten, publicaties en CD-producties voortzetten, steeds meer in samenwerking met onderzoekers uit andere Europese landen, Canada en de VS.

In de drie zomermaanden van 2015 kreeg de Leo Smit Stichting de
uitnodiging zich prominent te presenteren in de grote hal van het monumentale gebouw De Bazel, voormalig hoofdkantoor van de Nederlandsche Handelsmaatschappij en later ABN AMRO Bank, thans het Amsterdams Stadsarchief. Er werd een grote multimediale tentoonstelling gepresenteerd over twintig Amsterdamse componisten, met foto’s, documenten, luisterfragmenten en zes zondagse zomerconcerten waar de muziek van de getoonde componisten live ten gehore werd gebracht.

De tentoonstelling werd geopend door socioloog Professor Abram de Swaan. Daarbij sprak hij deze woorden: ‘De herontdekking en de heropvoering van de muziek van componisten die bruut werden weggehaald en vermoord is een daad van rechtvaardigheid. De bedoeling van de nazi's was hen net als miljoenen anderen te vernietigen en elk spoor van hun individuele werk en van hun gezamenlijke cultuur volledig uit te wissen. Elke herontdekking van een muziekstuk en elke heropvoering ervan is een kleine overwinning op dat kwaad, een kleine, maar beduidende genoegdoening bevochten op het allergrootste onrecht’.

Bij deze gelegenheid werd het boek ‘Vervolgde componisten in Nederland - Verboden muziek in de Tweede Wereldoorlog’ gepresenteerd onder redactie van Carine Alders en mijzelf, uitgegeven door de Amsterdam University Press (hier besproken). Het resultaat van twintig jaar onderzoek. Tevens verscheen de 10-CD box ‘Forbidden Music in World War II’ bij het label Et’cetera (hier besproken).

Vindbaar: Introductie Kennis Centrum
De muziek lag vele jaren verloren soms in koffers op zolder, soms in een kast bij erfgenamen, soms in een sinaasappelkist in een tuinhuisje, soms in een archief zonder dat iemand het wist. Dankzij de Leo Smit Stichting is deze muziek nu voor een groot deel teruggevonden. Het gaat om originele partituren, in handschrift, en het grootste gedeelte is niet uitgegeven. Het is onze ambitie deze muziek voor anderen eenvoudig toegankelijk te maken, ook internationaal. Zowel voor wetenschappers, historici, publicisten, journalisten, producenten, dirigenten en musici.

Hoe zou het zijn als de verloren muziek van deze vervolgde componisten vindbaar zou zijn voor bijvoorbeeld een violist die op zoek is naar werken voor strijkinstrumenten? Of voor een programmeur die op zoek is naar muziek die tijdens of rond de oorlog werd gecomponeerd, simpel door te selecteren op jaartal? Of voor de geïnteresseerde muziekliefhebber die informatie over een componist zoekt en diens werken of fragmenten daarvan wil beluisteren. En als bij elk van de werken vermeld zou zijn waar de partituur of het manuscript zich bevindt, en hoe de muziek besteld kan worden? De Leo Smit Stichting heeft aan de vooravond van haar 4de lustrum het startsein gegeven voor de opzet van een internationaal digitaal kenniscentrum om deze muziek wereldwijd ‘vindbaar’ te maken. Het project behelst een volledig doorzoekbaar kenniscentrum. Daarmee zal de verloren gewaande muziek van deze vervolgde Nederlandse componisten weer een plaats krijgen, en kan deze bekend worden op het internationale podium en teruggegeven worden aan de muziekwereld.

Via het digitale kenniscentrum krijgt iedere componist een uitgebreide biografie met fotomateriaal. In een apart kader wordt duidelijk gemaakt hoe het leven van de componist of componiste tijdens de bezetting is verlopen. Een belangrijk onderdeel is de werkenlijst per componist met daarbij de verwijzing naar archief, uitgever of bibliotheek waar de bladmuziek zich bevindt en waar deze besteld, ingezien of gefotokopieerd kan worden. Er komen ook luistervoorbeelden op te staan. O.a. uit het geluidsarchief van de Leo Smit Stichting, waarin zich opnames van 160 concerten bevinden, ongeveer 800 composities. Er wordt (gedeeltelijke) inzage in de partituur geboden, via scans van de bladmuziek.

Wat het kenniscentrum uniek maakt is dat het doorzoekbaar zal zijn als een database. Zo kan de gebruiker zoeken op instrument, combinatie van instrumenten, jaartal enz.

De Leo Smit Stichting hoopt dat door het 'vindbaar' en ‘beluisterbaar’ maken van de bladmuziek het aantal uitvoeringen in binnen- en buitenland aanzienlijk zal toenemen. De Leo Smit Stichting werkt samen met Exil Arte in Wenen, Zentrum für Verfemte Musik in Rostock, Musica Reanimata in Berlijn, LexM in Hamburg, Michael Haas en de Orel Foundation in de Verenigde Staten, die allen gelijke doelen nastreven.

Website: www.forbiddenmusicregained.org

Bronnen:
Carine Alders en Eleonore Pameijer (2015): Vervolgde componisten
in Nederland
, Amsterdam University Press.
Pauline Micheels, Jochem van der Heide, Eleonore Pameijer,
Marcel Worms (2007): Wat bleef was hun muziek. Albersen, Den
Haag i.s.m. de Leo Smit Stichting.
Jurjen Vis (2001) Silhouetten, de componist Leo Smit, Donemus.
Klaus Bertisch (2014) Leo Smit, Unerhörtes Talent. Hentrich &
Hentrich.

***
Steun de Leo Smit Stichting: zie www.leosmitfoundation.org


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links