Componisten/werken

Beethoven: de strijkkwartetten (9)

Nr. 16 in F, op. 135

 

© Aart van der Wal, november 2005

 

In september 1825 hoopte de Weense muziekuitgever Moritz Schlesinger op twee kwartetten van Beethoven: op. 130 en 132, maar door een misverstand bleef het bij op. 132, dat Beethoven op 22 april 1826 in een brief ophelderde en tevens meldde dat "uiterlijk binnen twee tot drie weken een nieuw kwartet gereed zou zijn, tegen de prijs van 80 dukaten." De precieze ontstaansdatum van dat nieuwe kwartet (in F, op. 135) is ongewis gebleven, maar uit een vraag van Karl Holz in het conversatieschrift van juli (1826) kan in ieder geval worden afgeleid dat Beethoven in de zomermaanden eraan werkte. Holz: "In welke toonaard? — Maar dat is dan het derde in F. Er is er geen in d. — Het is eigenaardig dat er geen enkel Haydn Kwartet in a is."

De Kohlmarkt in Wenen, ca. 1800 (gravure van L. Beyer). Rechts de winkel en het kantoor van de kunst- en muziekuitgeverij Artaria & Comp., waar Beethovens op. 1-8 werd uitgegeven.

Gneixendorf

Eind september (1825) bezocht Johann zijn broer in Wenen en herhaalde daarbij zijn aanbod om de nog steeds kwakkelende componist een tijdelijk onderkomen te geven op het landgoed 'Wasserhof' in Gneixendorf bij Krems. Ook neef Karl, die was hersteld van de verwondingen na een zelfmoordpoging en op 25 september het ziekenhuis had verlaten, was welkom. Hoewel Beethoven een uitgesproken hekel had aan zijn schoonzuster en hij alleen al daarom een eerder bezoek aan het landgoed zoveel mogelijk uit de weg was gegaan, stemde hij nu toch in. Daar voltooide hij ook zijn laatste kwartet, volgens de autograaf op 30 oktober, de dag waarop Johann het manuscript naar Schlesinger bracht, die het overigens pas na Beethovens dood publiceerde. Het werk werd opgedragen aan de welgestelde stoffenhandelaar en ruimhartige begunstiger van het Schuppanzigh Kwartet, Johann Nepomuk Wolfmayer, die grote bewondering had voor Beethovens muziek en voor de zich niet goed verzorgende componist een nieuwe mantel placht te maken die hij dan bij Beethoven thuis omruilde tegen het tot de draad afgedragen kledingstuk. Hij was het die de componist 100 dukaten bood voor een requiem, dat Beethoven hem ook toezegde, maar vervolgens in goede bedoelingen bleef steken.

Johann van Beethoven (1776-1848) (schilderij van Leopold Groß)

Hoe het er daar in Gneixendorf aan toe ging komt naar voren in een artikel in de Deutsche Musikzeitung uit 1862: Beethoven in Gneixendorf. Het geschetste beeld kennen we ook al uit andere bronnen: Beethoven, de wat ruwe zonderling die snel was aangebrand, lastig in de omgang en niet iemand die zich sociaal gemakkelijk wist aan te passen. Op een dag moest Johann voor een zakelijke transactie naar notaris Sterz in Langenlois en Beethoven vergezelde hem. Tijdens de bijeenkomst, die veel tijd in beslag nam, bleef Beethoven als een zoutpilaar in de deuropening staan, zonder een woord te zeggen. Toen het tijd was om afscheid te nemen, boog de notaris meerdere malen diep voor de vreemdeling. Nadat het gezelschap weer was vertrokken, vroeg Sterz aan zijn bediende Fux: "Weet je wie daar in de deuropening stond?" Fux antwoordde: "Omdat u hem zo beleefd tegemoet trad moet hij wel een bijzonder belangrijke persoon zijn, maar anders houd ik hem voor een imbeciel." De ontsteltenis van de klerk zal ongetwijfeld groot zijn geweest toen hij van zijn baas vernam dat het Beethoven was...

Een zonderling

Beethoven stond vroeg op, zo rond half zes, zette zich dan aan de tafel en begon te componeren, waarbij hij luidruchtig de melodie zong en met handen en voeten de maat sloeg. Om half acht was er het gezamenlijke ontbijt, waarna hij er als een haas vandoor ging, dwars door de velden, luid roepend en met zijn armen zwaaiend, waardoor hij de beesten in het land op hol joeg, maar dan weer stil en kalm voortlopend, onderwijl invallen noterend in het zakboekje dat hij altijd bij zich droeg. Rond half een was hij dan weer terug van zijn wandeltocht, waarna de maaltijd werd opgediend. Vervolgens trok Beethoven zich tot de klok van drieën terug in zijn kamer, om vervolgens weer een stevige tocht te maken, ditmaal tot zonsondergang. Na het avondeten van rond half acht ging hij weer terug naar zijn kamer en werkte daar tot tien uur, om dan het bed op te zoeken.

Beethoven moet tijdens zijn wandelingen een vreemde indruk hebben gemaakt. Boeren beschouwden hem in het begin zelfs als een ongevaarlijke gek, tot zij ontdekten dat hij een broer was van de landeigenaar en zij hem beleefd groetten, zonder dat hij - meestal diep in gedachten verzonken - dat in de gaten had.

 
De ingangspoort van Johann van Beethovens landgoed 'Wasserhof' in Gneixendorf bij Krems.   Het huis op 'Wasserhof', waar Beethoven te gast was.
     
 

De kamers waar Beethoven verbleef en die zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat zijn gelaten. De wandschilderingen zijn origineel. De meubels behoren echter niet tot de oorspronkelijke inventaris maar stammen wel uit de eerste helft van de negentiende eeuw.

Het landleven, de natuur en de rust moeten Beethoven zeker goed hebben gedaan, al was er soms de behoefte aan enig 'vertier' in een grotere plaats zoals Krems, wat echter in de weg werd gestaan door Johanns rijtuig dat al geruime tijd werkloos op stal stond en nodig moest worden gerepareerd. Karl bezorgde zijn oom schrijfmateriaal uit Krems en speelde met hem (Beethoven was ook niet stokdoof, maar zeer hardhorend) vierhandige pianomuziek, waaronder marsen van Lannoy, hoewel er tussen de twee regelmatig spanningen waren. Sommige passages in de conversatieschriften getuigen daar ook van.

De conversatieschriften bevatten geen aanwijzingen omtrent Beethovens gezondheidstoestand in deze periode. Wel leek zijn gezichtsvermogen erop vooruit te zijn gegaan (door een zalfje van broer Johann, die eens apotheker was in Linz?), maar de schriften getuigen ook van slecht bereid voedsel. Beethoven at nog maar nauwelijks en beperkte hij zich veelal tot zachtgekookte eieren. De wijnconsumptie nam echter fors toe, wat weer tot diarree leidde. Er was ook sprake van een behoorlijk toegenomen buikomvang (door zwellingen?) die hem dwong tot het langdurig dragen van een tailleband. Het werd er niet beter op toen na het fraaie herfstweer winterse kou en regen hun intrede deden. Begin december verloor hij vrijwel geheel zijn eetlust, was hij voortdurend dorstig en klaagde hij over buikpijn en opgezwollen voeten. De al geruime tijd sluimerende leverziekte stond op het punt door te breken.

Terug naar Wenen

Beethoven en Karl hadden het plan opgevat om op maandag 27 november (1826) terug te keren naar Wenen. Een aantekening van Johann in het conversatieschrift bevestigt dat: "Als je op maandag wilt vertrekken, moet het rijtuig op zondag worden besteld." Nergens wordt gerept van Johanns rijtuig, dat blijkbaar inmiddels weer in reisvaardige staat verkeerde, want niet lang daarvoor was zijn vrouw daarmee naar Wenen gereisd en Johann zou haar vrij spoedig volgen zodra hij zijn financiën op orde had.

Voor Beethovens en Karls terugreis is zeker over het vervoer gesproken. In het schrift wordt daarover door Karl opgemerkt: "Er gaat geen postkoets naar Wenen, maar wel naar St. Pölten — van hier zijn er geen mogelijkheden behalve de diligence." Waarmee beide reizigers uiteindelijk zijn gereisd is onduidelijk gebleven, maar na een nachtelijke tussenstop in een onverwarmde, winderige en tochtige herberg kwam het gezelschap op zaterdag 2 december min of meer verkleumd in Wenen aan. Beethoven was uitgeput en had naast koorts en een droge hoest last van hevige steken in de zij. Volgens zijn arts, Andreas Wawruch, was december een gure, nevelige en vrieskoude maand en was Beethovens kleding daarop niet berekend, en zeker niet voor zo'n tocht in een Leiterwagen.

De ellende begint

Direct na thuiskomst in het Schwarzspanierhaus werd naarstig naar een arts gezocht. Braunhofer vond de afstand te groot en Staudenheim beloofde wel te komen, maar kwam uiteindelijk niet opdagen. Professor Wawruch van het Weens Algemeen Ziekenhuis kwam wel direct, maar toen was het inmiddels 5 december. Beethoven had koorts en ademhalingsproblemen en hij spuwde bloed, wat Wawruch als 'ernstige symptomen van longontsteking' diagnosticeerde. De pijn in de zij verhinderde het liggen op de rug. Al enige dagen na de eerste toediening van de voorgeschreven medicijnen leek het herstel in te zetten en binnen een week kon de componist zowaar het bed verlaten en ging hij weer lezen en schrijven. De vreugde was echter van korte duur want enige dagen later, waarschijnlijk rond half december, trof Wawruch de componist aan die geel zag over zijn gehele lichaam. Wawruch memoreerde dat Beethoven zware koorts had en kermde van pijn in de ingewanden, hij klapte bijna dubbel en zijn voeten waren enorm opgezwollen. Hij ontwikkelde waterzucht en de urineproductie nam schrikbarend af, de lever vertoonde bij het uitwendige onderzoek harde plekken en de geelzucht nam nog verder toe. Zijn gezondheidstoestand ging schrikbarend achteruit, met bovendien nachtelijke benauwdheidsaanvallen en een dusdanige toename van het lichaamsvocht dat het uiteindelijk moest worden afgetapt.

Beethovens huishoudster Thekla (volgens Thayer kwam zij uit Gneixendorf) werd wegens haar onbetrouwbaarheid al snel afgeserveerd, maar de andere huishoudster, Sali, zorgde toen goed voor hem. Ook Johann kwam in december herhaalde malen bij zijn broer op bezoek. De ex-apotheker meende zijn bijdrage te kunnen leveren aan de adviezen omtrent wat voor de zieke het beste was. Ook neef Karl liet zich niet onbetuigd en fungeerde zo'n beetje als de liaison tussen Beethoven en Wawruch. Holz was inmiddels getrouwd en zijn bezoeken waren minder frequent geworden, maar hij bekommerde zich om de correcties en de publicatie van Beethovens laatste composities, en zorgde ervoor dat het geld binnenkwam. Ook Schindler wist de weg naar Beethoven weer te vinden en werd 'beloond' met allerlei klusjes. Stephan von Breuning (de auteur van Aus dem Schwarzspanierhause) was zelf herhaaldelijk ziek en had bovendien allerlei verplichtingen, maar zijn dertienjarige zoon Gerhard gaf wel acte de présence, hoewel niet tot ieders vreugde, want het ventje had weinig manieren en roddelde naar hartenlust over de privézaken van zijn vader.

Hopeloze strijd

Op 20 december vond de 'operatie' plaats door de hoofdchirurg van het ziekenhuis, dokter Seibert. Nadat de incisie was gemaakt en de buis was ingebracht, spoot het vocht eruit, waarbij Beethoven niet zonder humor opmerkte: "Professor, dit herinnert mij aan Mozes die met zijn staf op de rots slaat." Wawruch schreef in het conversatieschrift: "Godzijdank, het is gelukkig over! | Als u zich ziek voelt moet u mij dit zeggen. | Was de incisie pijnlijk? | Vanaf nu zal de zon hoger klimmen. | God save you! | Lauwe amandelmelk. | Blijf rustig op uw zij liggen. | We zullen snel de hoeveelheid vocht meten. | Ik hoop dat u vannacht beter zult slapen. | U hield zich kranig. | (In Wawruchs verslag wordt melding gemaakt van 25 pond, maar dat was alleen de eerste golf. Wat daarna volgde was minstens vijfmaal zoveel.)

Op 8 januari (1827) werd voor de tweede maal liters vocht afgetapt en kreeg hij het advies, ditmaal van dokter Malfatti (de oom van Therese Malfatti, aan wie Beethoven in 1810 tevergeefs een huwelijksaanzoek had gedaan) om bevroren fruitpunch tot zich te nemen en de buik met ijskoude kompressen te wrijven. Volgens de arts had dit een soortgelijke patiënt 'genezen'. De 'behandeling' gaf enige dagen soelaas, maar Beethoven nam meer en meer punch tot zich dan de arts had voorgeschreven en zijn gedrag werd onvoorspelbaar, hij begon te raaskallen, kreeg keelontsteking, werd hees en verloor zelfs zijn stem. Het ijskoude goedje veroorzaakte bovendien nog kolieken en diarree. Het werd tijd hem het middel te onthouden want zo was het erger dan de kwaal.

Dan was er nog steeds dokter Wawruch die een stortvloed van medicijnen voorschreef en de componist volgens Schindler aan de rand van de vergiftiging bracht. Beethoven had al 75 flessen met van alles en nog wat ingenomen, nog afgezien van de talloze poeders die speciaal voor hem waren bereid, terwijl het eerder slechter dan beter ging. Schindler probeerde Malfatti voor zich te winnen ten koste van Wawruch, maar de arts weigerde: "Zeg tegen Beethoven dat hij, als de meester der harmonie, moet begrijpen dat ik ook in harmonie met mijn collegae moet leven." Kort daarop besloot Malfatti weliswaar alsnog om de medicijnen die Wawruch had voorgeschreven, terzijde te schuiven en een geheel andere behandeling in te zetten, maar van harte ging het niet. Malfatti's zorgverlening bleef min of meer beperkt tot ongeregelde en vluchtige bezoeken om daarmee op de hoogte te blijven van Beethovens toestand, wat weer tot gevolg had dat Wawruch vrijwel dagelijks aan het ziekbed stond, dit tegen de wil van de patiënt.

Hoe dan ook, de moeizame relatie tussen Beethoven en Malfatti leek zich in de loop van februari dusdanig hersteld te hebben dat van een voorzichtige vriendschap mag worden gesproken. Thayer - voorzichtig als altijd - merkt daarbij op dat het Malfatti al vanaf het begin duidelijk moet zijn geweest dat Beethoven niet genezen kon worden en dat het om die reden voor de hand lag om te streven naar zowel een tijdelijke verlichting van de klachten als het aanwakkeren van de hoop dat het wel weer goed zou komen. De bevroren punch - mits niet in vloeibare vorm en uitsluitend in de juiste dosering toegediend (volgens Schindler een glas per dag) - had een beter effect op Beethovens constitutie dan de voorraadschuur met medicijnen die Wawruch had voorgeschreven.

Nadat voor de derde maal was afgetapt, liet Malfatti emmers met warm water aanslepen die in een grote tobbe werden leeggegoten, waarna Beethoven daarin moest plaatsnemen, gezeten op een dikke laag van speciaal daarvoor gehaalde berkenbladeren en met een handdoek over het hoofd. Malfatti probeerde daarmee te bereiken dat de huid daarop positief zou reageren en dat de aangedane organen zich dan door een 'productief' zweetproces althans enigszins zouden herstellen, maar het tegendeel gebeurde. Het lichaam nam zoveel water op dat het zichtbaar opzwol en er wederom zou moeten worden afgetapt.

Op 27-28 januari vinden we in het conversatieschrift een aantekening over het bad: "Het droge-hooizaadbad is ervoor bedoeld om u te laten zweten, en Malfatti zegt dat dit moet worden geprobeerd, aangezien de inwendige medicijnen niet het gewenste effect hebben. | Het is niets anders dan hooizaad in twee stapels die op warme kruiken moeten worden gelegd; het eerste bad mag echter niet langer duren dan een halfuur." Er kwam ook andere goedbedoelde raad die ook al veel weg had van kwakzalverij, zoals het gebruik van een speciale thee en het onbestemde afkooksel van allerlei zaden.

In januari probeerde Beethoven de zinnen te verzetten met de partituren van Händel die hij in december had ontvangen. Het moet de zieke goed hebben gedaan, want op 8 februari schreef hij aan de gulle gever, Johann Andreas Stumpff, een geboren Thüringer die woonachtig was in Londen en die Beethoven in 1824 in Baden had bezocht, een dankbrief: "Mijn waardigste vriend! Welk een enorm plezier heeft u mij bereid door mij de werken van Handel als geschenk toe te zenden - voor mij een koninklijk geschenk! Dit is iets dat ik met mijn pen niet kan beschrijven [...]" Beethoven repte daarin ook over zijn geldzorgen ("alles moet worden betaald, dokter, chirurg...") De Londense Philharmonic Society (die bij Beethoven de Negende symfonie had besteld en ontvangen) maakte een genereus gebaar en stelde prompt 100 pond (1000 florijnen) ter beschikking, die medio maart door Beethoven nog dankbaar in ontvangst werd genomen.

Titelpagina van de Negende symfonie in Beethovens handschrift

Op 2 februari werd voor de derde keer afgetapt. Uit een aantekening van Schindler in het conversatieschrift blijkt nog eens zonneklaar dat de lever als de grote boosdoener wordt beschouwd: "Want een goede lever is de sleutel van de gehele ziekte."

Op 27 februari werd voor de vierde maal vocht afgetapt. De ziekenkamer was in grote wanorde, de componist had zich al gedurende lange tijd niet meer geschoren en het beddengoed was nodig aan verschoning toe (Sali was blijkbaar niet meer in beeld) en tijdens het aftappen stroomde het vocht in grote hoeveelheden over de vloer naar het midden van de kamer. In het conversatieschrift wordt melding gemaakt van doorweekt beddengoed en het advies van de arts om oliedoek over de bank te spreiden. Het moet toen eenieder, ook Beethoven, duidelijk zijn geworden dat de kans op genezing verkeken was. Beethoven zei tegen Wawruch: "Mijn werk is hier ten einde. Als er een dokter zou zijn die mij kon helpen, zal hij Wonderful worden genoemd" (een verwijzing naar de relevante passage in Händels Messiah). Volgens Johann waren de artsen er op 16 maart van overtuigd dat de toestand van zijn broer hopeloos was.

De laatste dagen

Op 22 februari dicteerde Beethoven een brief aan muziekuitgever Schott's Söhne in Mainz met het verzoek om hem op doktersadvies zeer goede, oude Rijnwijn te zenden. Op 8 maart verzond Schott inderdaad twaalf flessen Rüdesheimer Berg (oogst van 1806) en nog eens apart vier flessen wijn waarvan er twee waren vermengd met de door de arts voorgeschreven kruiden, als medicijn. De zending kwam echter pas op 24 maart aan, drie dagen voor Beethovens overlijden.

Beethoven leed in deze periode onder neerslachtigheid en depressies. Zijn gezondheidstoestand bleef zorgwekkend en de wond die was ontstaan door het aftappen sprong soms spontaan open, waardoor het opgehoopte vocht over de grond plonsde. Half maart werd besloten om de druk op de organen te verminderen en dus de wond maar open te houden, opdat het vocht gemakkelijk zijn weg naar buiten kon vinden.

Zijn belangstelling in muziek verliet hem echter niet. Hij ontving via Schindler partituren van Franz Schubert en zou - althans volgens Schindler, een vaak onbetrouwbare bron - na het inzien van 'Ossian's Gesänge, Die Bürgschaft, Die junge Nonne, Die Grenzen der Menschkeit', etc. hebben uitgeroepen: "Waarlijk, in Schubert huist een goddelijke vonk!" In de Theaterzeitung van 3 mei 1831 ging Schindler nog eens uitvoerig daarop in. Beethovens grote waardering voor Schubert wordt echter ook door Anslem Hüttenbrenner bevestigd, in een brief van 21 februari 1858 aan Ferdinand Luib ("Beethoven zei eens over Schubert: "In die man huist de goddelijke vonk!" Zo'n acht dagen voor zijn dood bezochten professor Schindler, Schubert en ik de zieke en kondigde Schindler ons bij hem aan met de vraag wie hij het eerst wilde ontvangen, waarop Beethoven zei: "Laat Schubert eerst binnenkomen!")."

We beschikken over een ooggetuigenverslag van de Duitse componist en dirigent Ferdinand Hiller (1811-1885), auteur van Aus dem Tonleben unserer Zeit met vele anekdotes over belangrijke tijdgenoten. Hij bezocht samen met de Oostenrijkse componist Johann Nepomuk Hummel (1778-1837) Beethoven op 8 maart in zijn woning in het Schwarzspanierhaus:

"Via een ruime voorkamer met hoge kasten en daarop grote stapels muziekpapier, bereikten we - en hoe bonkte mijn hart! - Beethovens woonkamer en waren daarbij niet weinig verbaasd toen we de meester in een gemakkelijke houding op een stoel voor het raam zagen zitten. Hij droeg een opengevallen lang, grijs nachtgewaad en hoge laarzen die tot aan zijn knieën reikte. Vermagerd door zijn lange en ernstige ziekte leek hij mij eerder lang van gestalte, hij was ongeschoren, met zijn dikke, halfgrijze haar wanordelijk over de slapen. Zijn gezicht klaarde op toen hij Hummel ontwaarde, en hij scheen buitengewoon verheugd te zijn om hem te ontmoeten. De beide mannen omhelsden elkaar allerhartelijkst. Hummel introduceerde mij bij Beethoven, die buitengewoon vriendelijk was en mij toestond tegenover hem te gaan zitten."

"Het is bekend dat gesprekken met Beethoven deels op schrift plaatsvonden; hij sprak, maar zijn gesprekspartners moesten hun vragen en antwoorden opschrijven. Voor dit doel lagen er grote stapels gewoon schrijfpapier en diverse potloden binnen handbereik. Hoe pijnlijk moest het niet zijn voor de levendige, ongeduldige patiënt om noodgedwongen op ieder antwoord te wachten en het gesprek steeds weer te moeten onderbreken en dat, zoals nu ook bleek, de gedachtevorming [daardoor] tot stilstand kwam! Hij volgde steeds met hongerige ogen de hand van de schrijver en probeerde in een oogwenk te vatten wat werd neergeschreven, in plaats van het in zijn geheel te lezen. Natuurlijk werd de levendigheid van het gesprek verstoord door het voortdurende geschrijf van de bezoeker [...]"

Op 13 maart brachten Hiller en Hummel wederom een bezoek aan Beethoven die toen in een aanmerkelijk slechtere toestand verkeerde. Hij lag in bed, had veel pijn en kreunde diep, ondanks het feit dat hij veel en levendig sprak. Het derde bezoek was precies een week later, op 20 maart. Beethoven was zeer verzwakt, kon nauwelijks praten en al evenmin overeind zitten. "Ik zal ongetwijfeld spoedig naar boven gaan," fluisterde hij. Desalniettemin leek er toch nog een sprankje hoop in hem te zijn, want hij repte zelfs over een reis naar Londen en het componeren van een grote ouverture en symfonie voor de Philharmonic Society. Het laatste bezoek was op 23 maart, maar gesproken werd er niet. Beethoven kon geen woord uitbrengen en het zweet parelde op zijn voorhoofd.

Beethovens laatste noten

Testament

Naarmate het einde naderde werd de noodzaak dringender om de aardse zaken te regelen. Op 23 maart maakte de jurist Stephan von Breuning (hij was intussen tot Karls voogd benoemd) in overleg met zijn collega dr. Johann Baptist Bach een concept van slechts drie alinea's voor Beethovens laatste wilsbeschikking. Uitgangspunt daarbij was dat Karl weliswaar Beethovens gehele vermogen zou erven, maar uitsluitend uit de opbrengsten daarvan kon putten. Na zijn overlijden zou het kapitaal dan toevallen aan Karls wettige erfgenamen: "Mein Neffe Karl Soll alleiniger Erbe seyn, das Kapital meines Nachlasses soll jedoch Seinen natürlichen oder testamentarischen Erben zufallen." Daardoor werd voorkomen dat Karl althans een deel van het kapitaal zou kunnen aanwenden om de aanzienlijk schuld aan zijn moeder af te lossen. Beethovens wilsbeschikking van januari, waarin Karl tot enige erfgenaam was benoemd ("von allem meinem Hab u. Gut worunter hauptsächlich 7 Bankactien"), werd aldus aangepast.

Gerhard von Breuning heeft gememoreerd dat het Beethoven de grootste moeite kostte om onder de verschillende stukken zoals de wilsbeschikking en het voogdijschap zijn handtekening te zetten. Het betekende in de praktijk dat de doodzieke en niet meer volledig bij bewustzijn zijnde man moest worden opgetild en in de kussens gezet, waarna uiterst traag en met bevende hand de handtekening werd gezet, waarbij hij soms een letter vergat (de ene keer de 'h', een andere keer de 'e').

In Beethovens laatste weken had hij een gemakkelijk verplaatsbare schrijftafel naast zijn bed, waaraan hij ook drie dagen voor zijn dood uiterst moeizaam de laatste hand legde aan het testament. In het uitgeklapte vak had de componist waarschijnlijk zijn brief aan de 'Onsterfelijke Geliefde' bewaard.

 

Beethoven gebruikte de aangekochte obbligatis vaak als onderpand voor leningen die hij dan later weer afloste. Daarnaast genoot hij het dividend van in totaal ongeveer 30 gulden per jaar, dat tweemaal per jaar werd uitgekeerd. Dan was er nog aanvullend dividend op basis van de financiële resultaten van de bank over het afgelopen boekjaar. De waardetoename was aanzienlijk. In 1819 kocht Beethoven de obbligati voor 500 gulden en in maart 1825 was de waarde gestegen tot 1202 gulden. Aangezien de waardestukken uiteindelijk voor neef Karl waren bestemd, maakte Beethoven liever schulden dan dat hij het liet aankomen op vermogensverlies. Toch was hij in 1821 door lage inkomsten (hij was toen geruime tijd ziek) gedwongen om een obbligati te verkopen.
Beethovens nalatenschap bestond voor 73% uit obbligatis en mede dankzij een spaarzaam leven liet hij een aanzienlijk vermogen na. Uit onderzoek is gebleken dat slechts 5% van de Weners zich toen in een vergelijkbare of betere financiële situatie bevond (77% kon slechts bogen op 1/10 daarvan of nog minder). Roman Sandgruber maakte de nodige berekeningen en kwam - met de nodige voorzichtigheid en op basis van omrekeningsfactoren - op een vermogen dat op rond de € 145.000 kan worden begroot. Ter vergelijking, de Hofkapellmeister Antonio Salieri liet het drievoudige na en Joseph Haydn het dubbele.

De stelling is gerechtvaardigd dat Beethovens voortdurende geklaag over zijn financiële situatie eerder voortvloeide uit de omstandigheid dat hij geen vaste aanstelling had en dientengevolge onzekerheid troef was. Pas veel later in zijn leven kon hij zich werkelijk onafhankelijk voelen, met de nadruk op zijn onafhankelijkheid als kunstenaar.

Het einde

Dokter Wawruch had, alvorens zich op de geneeskunde toe te leggen, met de gedachte gespeeld om priester te worden. Aan Beethovens sterfbed besloot hij om in de meest delicate termen de vraag voor te leggen of hij de ziekenzalving wenste te ontvangen. Beethoven las bedachtzaam de notitie, reikte Wawruch plechtig de hand en zei: "Laat de priester roepen." Nadat hij van de geestelijke de sacramenten volgens de rite van de rooms-katholieke kerk had ontvangen, reageerde hij dankbaar: "Ik dank u, eerwaarde! U heeft mij troost gebracht!"

Op 24 maart arriveerde de door Schott's Söhne op 8 maart verzonden zending wijn. Schindler plaatste de flessen naast het bed, Beethoven keek ernaar en murmelde: "Jammer, jammer, te laat!" In de loop van de middag en vroege avond kreeg hij nog een beetje wijn op een lepel toegediend, zolang hij nog kon slikken. In de loop van de avond verloor hij het bewustzijn en begon de agonie, zwaar ademhalend en reutelend. Hij stierf op 26 maart, kort na vijven 's middags, tijdens een hevige bliksemslag, ongebruikelijk voor de tijd van het jaar, in stormachtig weer en met de sneeuw nog in de straten.

 
Beethoven op de dag na de door dr. Johann Wagner op 27 maart uitgevoerde autopsie waarbij de slaapbeenderen werden verwijderd (litografie naar een eigen tekening van Joseph Danhauser).   Danhauser nam in de ochtend van 28 maart ook het dodenmasker af. De jonge schilder heeft Beethoven nooit in levende lijve ontmoet.

Op 29 maart om drie uur vond de begrafenis plaats. Een grote menigte (er is een schatting van 30.000 mensen) had zich voor het sterfhuis verzameld en eenieder die in de kunst en de literatuur ook maar enige naam had was aanwezig. De belangrijkste musici van Wenen droegen de kist. Het lichaam werd bijgezet op het Währinger kerkhof, maar tijdens de ruiming overgebracht naar een nieuw graf op de algemene begraafplaats van de stad, waar het nog steeds rust.

Beethovens begrafenis (aquarel van F. Stöber). Op de achtergrond rechts, naast de kerk, het Schwarzspanierhaus.

Het laatste kwartet

Thayer acht het waarschijnlijk dat de canon 'Muss es sein?" en de eerste schetsen voor het kwartet in vrijwel dezelfde periode zijn ontstaan, maar de volgorde kan niet worden achterhaald. De aanleiding tot de canon was wederom een misverstand. Ignaz Dembscher, een ambtenaar bij het ministerie van Oorlog, gaf thuis regelmatig kwartetsoirees, waar het Schuppanzigh Kwartet ook Beethovens kwartet in a, op. 132 uitvoerde. Er werd ook gesproken over de uitvoering van het kwartet in Bes, op. 130 en het leek Dembscher een goed idee dat dit dan ook bij hem thuis zouplaatsvinden. Hij vroeg Beethoven dan ook om de partituren, maar de componist voelde er niets voor omdat hij meende dat Dembscher een - in de ogen van Beethoven zeer belangrijk - concert door het Schuppanzigh Kwartet willens en wetens had verzuimd. Velen waren er getuige van dat die 'beschuldiging' breed werd uitgemeten en Dembscher in grote verwarring bracht. Hij begreep er terecht niets van en vroeg Holz om bij Beethoven het pad voor hem alsnog te willen effenen. Holz stelde gekscherend voor dat Dembscher dan eerst aan Schuppanzigh 50 florijnen zou betalen ter dekking van de kosten van het Schuppanzigh-concert, waarop Dembscher lachend antwoordde: "Muss es sein?" Toen Holz aan Beethoven over dit voorval berichtte, had de componist er duidelijk in plezier in en schreef hij spontaan de canon: 'Es muß sejn — ja es muß sejn — Heraus mit dem Beutel!," tempoaanduiding Schnell im Eifer... Uit deze grap groeide ten slotte de finale van het laatste kwartet, met de toevoeging 'Der schwer gefaßte Entschluß' (het moeilijke besluit).

Beethovens handschrift van het kwartet in F, op. 135, het begin van de finale, met de beroemde passage "Muß es sejn? Es muß sejn".

Het is wonderlijk dat de stijl van dit laatste kwartet zo sterk afwijkt van die van de daaraan voorafgaande laatste kwartetten. Er doet zich het verschijnsel (of fenomeen?) voor dat we ook kennen van Beethovens symfonische oeuvre: de puur 'klassieke' Achtste symfonie van Haydneske afmetingen, ingeklemd tussen de Zevende en Negende. Ook in op. 135 lijkt Beethoven weer terug te keren naar de 'klassieke' stijl.

Op de bescheiden afmetingen van dit kwartet wordt al door Holz tegenover Schlesinger gezinspeeld, kort voor Beethovens vertrek naar Gneixendorf. Schlesinger vroeg naar het kwartet, waarop Holz antwoordde dat Beethoven eraan werkte: "U zult hem [Beethoven] er niet voor bestraffen wanneer het [kwartet] kort is. Zelfs al zou het slechts drie delen bevatten, dan zou het nog steeds een kwartet van Beethoven zijn en zou het bovendien niet zoveel kosten om het te laten drukken." In diezelfde periode klaagde Beethoven in een brief aan de Parijse uitgever dat het hem grote moeite kostte om het kwartet te voltooien en dat hij bij gebrek aan een kopiist de partijen nu zelf moest uitschrijven.

Er verliepen ruim zevenentwintig jaar tussen Beethovens eerste kwartet in F (op. 18) en zijn laatste, eveneens in F (op. 135), er werd een leven geleefd en een wereld doorschreden. Niet Beethovens terugkeer naar het klassieke idioom is het kernpunt, maar de enorme hier samengebalde ervaring op het gebied van de kamermuziek. Is het openings-allegretto (2/4), delicaat en fijn besnaard maar in de doorwerking vol energiek contrapunt, het daarop volgende scherzo (vivace, 3/4) heeft de bewondering opgewekt van Bartók en Stravinsky, meesters in de ritmische behandeling van motieven en thema's. Stravinsky - zeker niet scheutig met loftuigingen - beschouwde de motiefherhalingen als een van Beethovens meest gedurfde en verrassende uitingen, en daarmee tevens een model voor Stravinsky's eigen composities, waaronder de Symfonie in C. Het is dan ook een voortrazend en werkelijk uit zijn voegen barstend parcours dat hier wordt afgelegd, waarna de rust pas weerkeert als het hoofdthema weer tot kalmte maant en de dimuendo-akkoorden de lucht doen opklaren. Ook het trio is bijzonder, met zijn lange ostinato tussenspel van niet minder dan zevenenveertig maten, waarin elementen uit de Boheemse volksmuziek zijn verwerkt.

Uit de nagelaten schetsboeken blijkt dat het lento assai, cantat e tranquillo (in bes, 6/8), het laatste is dat Beethoven voor het strijkkwartet heeft gecomponeerd. In de schetsen komen benamingen voor als Friedensgesang en Süßer Ruhegesang. Aan de gekozen variatievorm ligt Luthers Lobe den Herren ten grondslag. De enharmonisatie zou de Tweede Weense School niet hebben misstaan! Het beeld is doorgaans sereen, terugblikkend, het verliest zich in de eindeloosheid.

De finale bevat dan de beroemde woorden 'Muß es sejn? Ja es muß sejn' en 'Der schwer gefaßte Entschluß'. Vraag en antwoord zijn muzikaal vormgegeven. De vraag in het inleidende Grave ma non troppo tratto (in As, 3/2), dat steeds dwinger wordt en in fortissimo uitbarst; het antwoord vervolgens in het losbarstende allegro. Na de doorwerking, waarin de motieven tussen a-klein en D-groot zelfs Ländler-karakter aannemen, wordt het Grave-gedeelte herhaald, met vraag en antwoord in luide uitbarstingen en grommende tremoli. Het slot is eerder zorgeloos en humoresk, tegen de serenade leunend.

De kritiek

In de Berlijnse Allgemeine Musikalische Zeitung van 1829 recenseerde Adolf Bernhard Marx (1795-1866) [*] Beethovens op. 135 als volgt:

Die neuesten Quartette Beethovens, und namentlich das hier genannte, sind jetzt die wichtigste, aber zugleich schwierigste Aufgabe für alle guten Quartettvereine. Immer mehr verhallen die Stoss-Seufzer und das Murren der Wenigen, die Beethoven nicht einmal verstehen wollen, unter den Ausrufen der allgemeinen Bewunderung; und es ist interessant, zu vernehmen, wie sogar das Pariser Publikum mit Verehrung und bewunderndem Antheil sich dem tiefsinnigsten deutschen Tondichter zuwendet - natürlich mit ungleich mehr Emphase und Eclat sein Interesse kund gebend, als der mehr in sich gekehrte Deutsche.

Dieser mag sich nie gern an der äusserlichen unbestimmten Bewunderung begnügen; und wenn unter uns noch so mancher Kunstfreund und Künstler sich gegen Beethovens neueste Werke zu sträuben scheint: so liegt es eben in der an sich edlen Unbefriedigung an einer nicht bis in die Tiefe dringenden Auffassung.
Bei einem in seiner Isolirung so ganz eigenthümlich vollendeten Geiste giebt es in der That zwischen vollkommenem Verstehen und oberflächlichem Ueberhinfahren auch noch die Möglichkeit eines vollkommenen Missverstehens.

Das vorliegende Werk kann dies veranschaulichen. Wenn z. B. im Vivace eine Figur in dreidoppelten Oktaven von der zweiten Geige, Bratsche und vom Violoncell über funfzigmal hintereinander wiederholt wird als Begleitung einer eben so merkwürdigen Obermelodie: so muss dies barock, ja widrig erscheinen, sobald man nicht eine höhere Idee erkannt hat, die allen seltsamen, scheinbar oft widersprechenden Zügen Bedeutung und Zusammenhang erteilt. Beethoven selbst hat in der letzten Zeit von sich bekannt (was seit länger als fünf Jahren in dieser Zeitung behauptet worden), dass er nicht leicht ein Stück ohne bestimmte Vorstellung, ohne klar gedachte Grundidee verfasse. Sobald man diese erkannt hat, verbreitet sie über das Ganze ein helles Licht, und man gewahrt die Folgerichtigkeit, die Einheit, die Harmonie der bis dahin disharmonisch erschienenen Züge.

Der Inhalt der letzten Werke scheint innigst an die Subjektivität und an die besondre Lage Beethovens geknüpft; man begreift, wie dieser Ideengang einem kalt abgeschlossenen, nur aussen verweilenden Betrachter als Verwirrung und Verirrung erscheinen kann, - während sich in die Brust des theilnehmenden, nachfühlenden Freundes die tiefste innigste Seele des Tondichters in allem Reichthum seiner Empfindungen, Erinnerungen und Schmerzen ergiesst.

So erscheint uns das vorliegende Quartett als wehmüthige Erinnerung an eine entflohne schönre Zeit. In den abgerissenen Melismen, aus denen der erste Satz sich webt, meint man bald Seufzer nach jener Vergangenheit, bald, in Selbsttäuschung schmeichlerisches Zurückrufen, bald ein wahres „täium vitä, das unmuthvolle Dahinschleppen des abgeblühten Lebens, der Lebenslast, zu vernehmen. Wer fühlt es nach dem Verständniss dieses Satzes nicht, dass die Lustigkeit des zweiten eine erzwungene ist: „lasst uns wieder jung sein, und in unbekümmerter Frohheit und Thorheit hinschlendern!" Bis zur Wildheit, bis zur Gränze des Wüsten dringt diese Lustigkeit, nicht bis zur Lust, zur natürlichen ungezwungenen Lust der Jugend; sie führt nur zu der unwiderstehlichern Erinnerung, zu der unverhaltenen wehmuthvollsten und zartesten Klage des dritten Theils. Der vierte spricht denn das Entsagen, das „Sich drein ergeben" aus, mit seinem Gemisch tiefsten Schmerzes und scheinbar gleichgültigen Dahingehens, das sogar die Miene der Fröhlichkeit annehmen kann - und dabei die herbe Frage: „Muss es sein?“ nie verwindet – überwindet.
Vielleicht befestigt sich diese Auffassung mehr, wenn er Leser ihr selbst in die einzelnen Züge nachfolgt, als wenn wir sie bis dahin entwickeln.

Herr Schlesinger würde sich vielen Dank erwerben, wenn er die Partiturausgabe fortsetzte. Von den ältern Werken hat er erst das C-dur Quintett gegeben. Das grosse C-dur-Quartett wäre gewiss einer der willkommensten Gaben.

[*] Adolf Bernhard Marx (1795-1866), musicoloog en oprichter van de Berlijnse Allgemeine Musikalische Zeitung. Hij was daarnaast verbonden aan de Berlijnse universiteit en werd bekend door zowel zijn vele publicaties over muziek als zijn in 1859 verschenen Beethoven-biografie.


terug naar index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links