Componisten/werken

Beethoven: de strijkkwartetten (4)

Nr. 11 in f, op. 95 (Quartetto serioso)

 

© Aart van der Wal, december 2004

 

Beethoven in 1812, masker door Franz Klein

In oktober 1810 componeerde Beethoven het kwartet in f, 95 dat hij van de titel Quartett[o] serioso voorzag. Hij droeg het werk op aan zijn vriend Nikolaus Zmeskall von Domanovetz. Op de titelpagina: "Quartett[o] serioso 1810 im Monath october Dem Herrn von Zmeskall gewidmet und geschrieben im Monath october von seinem Freunde LvBthvn." De publicatie volgde pas in de zomer van 1816, maar niet zonder Beethovens ergernis over de vele drukfouten waarvoor hij de uitgever, Steiner & Co. in Wenen, verantwoordelijk achtte: "Es war ausgemacht daβ in allen fertigen Exemplaren des quartets etc die Fehler solten korrigirt werden, dessen ohngeachtet besitzt der Adjutant (gedoeld wordt op Steiners partner Tobias Haslinger) die Unverschämtheit selbe uncorrigirt zu verkaufen. Zu wissen ist, daβ wenn ich nicht zwischen heute u. morgen von wärmerm DienstEifer des Adjutanten überzeugt werde, demselben eine zweite schimpfliche Absezung drohet."

Het is geen jaar dat bol staat van de compositorische arbeid. De enige grote compositie naast het kwartet is de tussen oktober 1809 en juni 1810 geconcipieerde Egmont-muziek. Verder zijn er een pianostuk in a, WoO 59 (Für Elise), 24 Engelse liederen voor zangstem begeleid door piano, viool en cello, WoO 155, twee ecosaisses, een polonaise en twee marsen voor militaire kapel en tenslotte de canon Ewig dein WoO 161. Zonder twijfel uitsluitend in opdracht geschreven composities van bescheiden omvang en betekenis.

De zomer van 1810 was niet de inspiratiebron die tevens voor nieuwe energie zorgde. Hij nam ditmaal niet zijn intrek in een behaaglijke woning op het platteland maar gaf de voorkeur aan zwerftochten in de omgeving van Wenen en Baden waar hij dan weer hier, dan daar bij een boer tijdelijk onderkomen vond.

Begin mei schreef hij aan zijn vriend Wegeler, hevig geplaagd door de almaar bruisende 'demon in zijn oren':

Als ik niet ergens had gelezen dat niemand zijn leven vrijwillig moet beëindigen terwijl hij nog nuttige dingen kan doen zou ik lang geleden zelf de dood hebben gezocht. O, het leven is zo schoon, maar voor mij is het voor altijd vergiftigd."

Het lijkt een autobiografische notitie die zowel in Egmont als in het kwartet zijn muzikale weerslag vindt maar de uit dezelfde periode stammende schetsen voor het in maart 1811 voltooide, bruisend energieke pianotrio in Bes, op. 97 (Aartshertog) met zijn olympische grandeur en zijn dansante finale, laten zien dat dit een te simpele voorstelling van zaken is. Wel lijkt het toch onontkoombaar dat de arbeid aan het kwartet niet losgezien kan worden van de afwijzing van het huwelijksaanzoek aan Therese Malfatti. De ongelukkige liefde en de daaruit voortvloeiende radeloosheid brachten Beethoven tot een zoektocht naar zijn ware innerlijk.

Beethoven in 1812, masker door Franz Klein

Wat zeker van dit kwartet kan worden gezegd is dat Goethe's eerste indruk van de componist, opgetekend in juli 1812, geheel wordt bewaarheid: "Zusammengefaβter, energischer, inniger, habe ich noch keinen Künstler gesehen." Goethe mag dan weinig inzicht hebben getoond in Beethovens muziek, hij herkende wel degelijk haar grootheid die hij niet loszag van Beethovens verschijning.

Het kwartet behoort door zijn wezen niet zozeer tot het sluitstuk van Beethovens middenperiode en al evenmin tot de laatste periode. Pas twaalf jaar later, in 1822, zou de componist zich weer aan het componeren van een strijkkwartet zetten.

Ook het begrip 'overgangswerk' schiet tekort omdat hiervan dan ten onrechte zou kunnen worden afgeleid dat van volledig meesterschap geen sprake is.

Wat dit kwartet evenwel zo bijzonder maakt is het enorme soortelijk gewicht, de gravitas die in de zeer compacte vorm van het openingsdeel wordt bereikt. Het is opzienbarend en nog niet eerder vertoond dat de bijna groteske reikwijdte van het openingsdeel in nog geen vijf minuten wordt samengebald en dat de toehoorder desondanks de indruk krijgt van een kolossale architectuur die zich als door een gespannen veer ontlaadt.

De dalende basisfiguur waarmee het allegretto (in vijfdelige liedvorm) begint zou door Bruckner gemodelleerd kunnen zijn, maar het meest treft toch het ontbreken van een vloeiende melodiek en in plaats daarvan de indringende chromatiek in de vier stemmen waarvoor passages uit Bachs Fantasie und Fuge BWV 903 - zo kunnen we althans uit het schetsboek opmaken - als voorbeeld hebben gediend. Maar Beethoven bezat ook het notenmateriaal van het WTK en Kunst der Fuge; en een studiemateriaal van Kirnberger met oplossing voor de chromatische vraagstukken van Das musikalische Opfer BWV 1079.

Het derde deel, allegro assai vivace ma serioso, gestructureerd als rondo met twee trio's is ontdaan van iedere franje en wordt beheerst door een kale figuur van vier noten die van het ene naar het andere instrument wordt geslingerd en waarvan de grilligheid sterke raakvlakken heeft met beheerste woede. Alleen het tweede trio brengt rust door de lange notenwaarden die een koraal suggereren.

De inleiding van slechts zeven maten (larghetto espressivo) fungeert als aanloop voor een meesterlijk afgewogen allegretto agitato in rond-sonatevorm met het zangerige hoofdthema dat gestaag aan kracht wint en uitmondt in de uitbundige, ja zelfs roekeloze vrijheid van het slotallegro (molto leggieramente). De stemming van de beide hoekdelen kan niet verder uit elkaar liggen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links