Column

Dood tij in de Maasstad (1)

 

© Maarten Brandt, maart 2013

 

Dat het Rotterdams Philharmonisch Orkest wat zijn klankcultuur betreft samen met het Koninklijk Concertgebouworkest en het Radio Filharmonisch Orkest tot de beste symfonische keurtroepen in ons land behoort is zo duidelijk als wat. Ook helaas, en daarin verschilt het ensemble in negatief opzicht van beide andere genoemde orkesten, tot de saaist programmerende gezelschappen. En dit al sedert jaar en dag. Ook het komende seizoen belooft wat dat betreft weinig goeds. Pierre Boulez heeft ooit terecht opgemerkt dat de toporkesten een wezenlijke functie hebben waar het aankomt op het geven van het goede voorbeeld inzake het op de bres staan voor eigentijdse muziek. Hij ziet dat duidelijk als een morele verplichting. Dit indachtig de wetenschap dat de grote muzikale traditie er in diepste wezen altijd een van vernieuwing is geweest. De componisten die nu tot het ijzeren repertoire behoren, dus Bach, Haydn, Mozart, Beethoven, Wagner, Bruckner, Mahler, Debussy en noem maar op, waren stuk voor stuk grensverleggers en even baanbrekend als nadien Stravinsky, Schönberg, Webern, Messiaen, Boulez, Xenakis, Ligeti en wie al niet.

Verleden als brandstof
Wil men de symfonische cultuur in de ruimste zin van dit woord levend houden dan zal men zich onherroepelijk rekenschap moet geven van deze onbetwiste realiteit. En vooral dat het koesteren van het verleden als een gestolde entiteit geen soelaas biedt, maar dat, integendeel, datzelfde verleden zodanig moet worden ingezet dat het kan gaan fungeren als de onontbeerlijke brandstof voor vernieuwing. Juist door de confrontatie van de geaccepteerde canon met de verworvenheden van de muziek uit de 20 ste en 21 ste eeuw komt in het ondergaan van de meesterwerken van weleer de altijddurende actualiteit boven water. Dan blijkt opeens hoeveel ongehoords en ongekends het vermeende bekende nog voor ons in petto heeft omdat dankzij de al genoemde confrontatie andere en diepere lagen hoorbaar worden en onvermoede perspectieven worden geopend. Blijft die confrontatie uit, wat nu bij veel orkesten in en buiten den lande en wel heel sterk bij het RphO geschiedt, dan ontaarden de concerten in niets meer of minder dan sleetse rituelen die, metaforisch gesproken, vergelijkbaar zijn met het gebeuren in de Graalburcht voor de komst van de door medelijden wijs geworden Parsifal.

Crisis
Wie zijn blik laat glijden over het nieuwe seizoen dat het orkest in de Maasstad voornemens is de muziekliefhebber aan te bieden, kan tot geen andere conclusie komen dat het, om nog even in overdrachtelijke termen te blijven spreken, broodnodig is dat er een Parsifal langskomt om het dode tij te keren. Natuurlijk ben ook ik mij ervan bewust dat we in een crisistijd leven, maar - en nu komt het - dat zou juist eens te meer een aanleiding moeten zijn om de bakens geducht te verzetten. Kunst in casu muziek is bijna altijd de creatieve uitkomst van een crisis. Want zoveel is - althans voor mij en vele anderen - ook duidelijk en dat is dat de zogenaamde financiële crisis slechts het topje van de ijsberg is van een nog veel grotere en bovenal spirituele crisis. Een crisis die voel- en zichtbaar maakt dat de wereld zoals zij thans functioneert dreigt te verworden tot een domein waarin de mens op zijn best een economische futiliteit is, een speelbal in een bestaan waarin alle andere zaken volledig ondergeschikt zijn geworden aan niets anders dan dat economische belang. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het fundamentalisme van de zogenaamde vrije marktwerking met als gevolg dat kunst en cultuur bijkans geheel zijn gedegradeerd tot een bedenkelijke vorm van 'verMacDonaldisering' om niet te zeggen prostitutie. Terwijl de intrinsieke functie van kunst en muziek juist schuilt in het tastbaar maken van wat ons wezenlijk innerlijk beweegt. Kunst en muziek vertolken ook onze - al dan niet verstoorde - verbondenheid met de oerbron van het bestaande, het mysterie van het leven in de meest singuliere zin of om het even welke naam men daaraan ook wil geven.

Tijden van weleer
Uit de toonzetting van de nieuwe seizoensbrochure en ook het YouTube filmpje (klik hier) waarop chefdirigent Yannick Nézet-Seguin zijn 'product' aanprijst, als zou het gaan om een programmering zonder precedent, blijkt dat er bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest bar weinig besef bestaat van de deplorabele situatie waarin de symfonische cultuur zich daar bevindt. Laat staan dat de noodzaak wordt ingezien tot het voeren van een inhoudelijk debat, of dat überhaupt ook maar bij benadering wordt gevoeld dat het een andere kant op moet, wil er ook op langere termijn in Rotterdam nog sprake zijn van een bloeiend symfonisch muziekleven. Let wel, we hebben het hier over een orkest dat in de tijden van weleer onder een van zijn voormalige chefdirigenten, Eduard Flipse, karrenvrachten aan Nederlandse muziek op de reguliere abonnementsseries liet uitvoeren maar ook bijvoorbeeld het Tweede pianoconcert van Béla Bartók tot leven wekte met niemand minder dan de componist zelf achter het klavier. Maar ook in de vele jaren toen wijlen artistiek adviseur Willem Vos voor de totstandkoming van de programmering tekende, was de koers dikwijls heel avontuurlijk met onder andere componistenoptredens van Luciano Berio, Witold Lutoslawski en Krzysztof Penderecki. Dat was deels ook de tijd van het chefdirigentschap van Edo de Waart die een van de meest fascinerende schandaalconcerten in Nederland ooit dirigeerde met de vuurdoop van Interpolations van Jan van Vlijmen, een componist van wie nu in ons land al jaren lang geen noot meer wordt gespeeld.

Spanningsveld
"Het publiek wil niet" is een vaak gehoord argument om alles maar bij het saaie oude te laten; alsof de zalen nu met die saaie programma's altijd vol zitten. De realiteit in en buiten Rotterdam wijst uit dat dit lang niet altijd het geval is, integendeel en ik durf de stelling aan dat het tonen van visie en kwaliteit - wel te verstaan: hoge kwaliteit ; men vergelijke op dit punt het beleid van chefdirigent Simon Rattle (destijds een regelmatige geziene gast in Rotterdam) bij de Berliner Philharmoniker - in de programmasamenstelling uiteindelijk beter gevulde zalen zal doen ontstaan dan het zonder meer blijven voortgaan op deze voorspelbare weg. In alle grote kunst draait het immers altijd om het intrigerende spanningsveld tussen voor- en onvoorspelbaarheid. Dan komt het avontuur naar boven dat uitdaagt en waardoor het blikveld wordt verruimd. Daarbij is het voor zowel de dagelijkse als de artistieke leiding onontbeerlijk om geloof in je beleid uit te stralen. Geloof kan bergen verzetten, ook in orkestland. Dat hebben Marius Flothuis, Willem Vos en Piet Veenstra keer op keer bewezen. En Kees Vlaardingerbroek, Jan Zekveld en Marcel Mandos doen dat nog steeds. Wat deze programmeurs met elkaar delen is niet alleen dat ze op de vraag inspelen maar er ook voor zorgen dat aan de afnemerskant nieuwe vragen ontstaan. Dat heet creatief beleid! En, last but not least verstaan ze de kunst ook buitenlandse dirigenten tot het uitvoeren van Nederlandse muziek te bewegen. En nu ik het over dat 'bewegen' heb: men leze het interview met de onlangs overleden Otto Ketting op onze site (klik hier), waarin hij onder meer opmerkte: " Op weg naar het conservatorium in Rotterdam (Codarts) ging ik langs de Doelen en bladerde daar door de nieuwe seizoensbrochure van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Er was slechts één stuk van één Nederlandse componist in te vinden: een ouverture van Johan Wagenaar, gecomponeerd in 1905. Verbaasd was ik er niet over want in het afgelopen decennium leek dat toch wel de gouden regel: vooral geen eigentijdse Nederlandse muziek op de lessenaars."

Boycot Nederlandse muziek
Betekent dit nu dat het ijzeren repertoire de kast in moet? Geenszins. Het is aan geen enkele twijfel onderhevig of we Beethoven, Bach, Haydn, Berlioz, Dvorák en al de andere 'warhorses' blijven spelen, maar wel dient de vraag te worden gesteld hoe. Natuurlijk is het niet allemaal kommer en kwel bij het RphO. Zo is er de wereldpremière van het Pianoconcert van Mark Anthony Turnage, bijvoorbeeld. En is er de - prima - combinatie van de Fantastique met L'arbre de songes van Henri Dutilleux onder supervisie van oud chefdirigent Valery Gergiev. Maar het zijn en blijven schaarse uitzonderingen. In een van de series wordt men tweemaal na elkaar op Mahler getrakteerd van wie achtereenvolgens de Zesde en de Vijfde symfonie worden gespeeld. Wat is de toegevoegde waarde hiervan in een tijd dat de muziek van deze componist bijkans volledig is doodgespeeld? Of neem zo'n gedrocht van een programma onder leiding van de nieuwe vaste gastdirigent van het Rotterdamse orkest, Jiri Belohlavek waarop na elkaar Dvoráks Ouverture Carnaval, het niet bijster boeiende Tweede vioolconcert van Martinu, Die Moldau van Smetana en de Sinfonietta van Janácek klinken. Een erg papieren programma, maar werkt het in de realiteit ook? En waarom bij de kinderconcerten altijd weer Peter en de Wolf ? Een gemiste kans, want juist jongeren die nog niet op deze of gene wijze zijn geconditioneerd staan open voor alles. Dus waarom geen Varèse, Berg, Berio, Goebaidoelina of Lutoslawski (wiens honderdste geboortedag in 2013 wordt gevierd, dus dat had een extra reden kunnen zijn)? Maar het meest schokkende is, en niet voor niets citeerde ik hiervoor Otto Ketting, dat er het komende seizoen werkelijk geen enkele noot Nederlandse muziek bij het RphO op de lessenaars staat. Alsof deze volledig is geboycot. Er klinkt zelfs geen Piet Hein Rapsodie. Onbegrijpelijk! Nederland oftewel: Rotterdam "let op uw saeck!"

Klik hier voor deel 2


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links