Column

Dood tij in de Maasstad (2)

 

© Maarten Brandt, maart 2013

eerder gepubliceerd in Mens en Melodie 2002

 

Het debat dat geen debat was, oftewel een nieuwe episode
in de 'never-ending story' van het recente RPho

Ik schreef al in mijn vorige bijdrage (klik hier) voor deze rubriek hoe verbazingwekkend het was dat uitgerekend het slechtst en meest conservatief programmerende orkest van Nederland, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het in zijn hoofd heeft gehaald een debat (toegegeven, men noemt het een symposium, maar toch) te organiseren met de veelzeggende titel The Orchestra in the 21 st Century. Inmiddels, om precies te zijn op de avond van de 14 de september jongstleden, heeft dit evenement plaatsgevonden, en wel in een mager gevulde Jurriaanse-zaal van de Doelen. De beide voorste, voor genodigden gereserveerde, rijen waren grotendeels leeg. Verder was de zaal gevuld met enkele orkestdirecteuren, artistiek directeuren en dito adviseurs alsmede een vaste kern van echte belangstellenden. Ook het feestvarken waarom het allemaal begonnen was en in welk kader het Festival werd gehouden, de inmiddels 50 jaar oude en wijd en zijd bewierookte Valery Gergiev was - heel even - aanwezig en gaf hoog op over zijn orkestbedrijf zonder daarbij evenwel ook maar één seconde op de software, lees: de muziek, in te gaan.

Geluid
En dat was een van de karakteristieken van de ellenlange avond, waarin de muziek, of exacter geformuleerd, het repertoire en de wijze waarop men dat zou dienen te programmeren ternauwernood aan de orde kwamen. Hoezeer de crisis inzake de belangstelling van het publiek ook van diverse zijden werd belicht, dat er een crisis zou zijn in de programmering is een geluid dat, althans van achter de tafel waar het panel gezeten was, niet werd vernomen. Om slechts een voorbeeld te noemen: de vraag of het normaal is dat vele belangrijke composities van Bartók, Stravinsky, Schönberg, Webern, Berg en Varèse nog steeds geen wezenlijk deel van het standaardrepertoire uitmaken, werd niet geopperd, laat staan wat er terecht is gekomen van de integratie van de 'klassieken' uit de tweede helft van de twintigste eeuw*.

Het panel in kwestie bestond uit Dennis Marks, voormalig hoofd van BBC Television en als zodanig verantwoordelijk voor heel wat spraakmakende en dikwijls bekroonde muziekproducties, Clive Gillinson, directeur van het London Symphony Orchestra, Costa Pillavachi, President van de cd-maatschappij Decca, Pierre Audi, regisseur en artistiek leider van de Nederlandse Opera plus Michael Zeeman die als gespreksleider fungeerde. Als die laatste term al juist is, want als hij iets niet deed, was dat het leiden van het gesprek. Namelijk omdat er helemaal geen gesprek was. De avond had eerder het karakter van een serie veel te lang uitgevallen monologen waar met geen mogelijkheid een speld tussen viel te krijgen. Pas toen de eerste drie uur voorbij waren, ontstond er achter de tafel van het panel enige interactie die echter vrijwel terstond - dit was de enige keer dat de niet geheel van narcisme gespeende Zeeman leiding gaf, maar zij het dan op een wijze die geen 'prix d'excellence' verdient - door de voorzitter in de kiem werd gesmoord. Ook overduidelijk zichtbare signalen uit de zaal werden door hem niet opgemerkt, dan wel - maar dat laat ik daar - opzettelijk genegeerd. Hoe dan ook "het gesprek kan verder gaan onder het genot van een glaasje", aldus Zeemans afsluitende woorden waarmee de aanwezigen naar huis werden gezonden.

Onbaatzuchtige grondhouding
Samenvattend kan worden gesteld dat als de festivalleiding al iets heeft bereikt met dit debat/symposium het wel het zodanig doodpraten van het thema is, dat elke aanzet tot een wezenlijke en inhoudelijke discussie totaal wordt gefrustreerd. Dit terwijl een echt debat of symposium juist moet leiden tot actieve deelname, tot een bezinning die speciaal ook in de praktijk vruchten afwerpt. Het organiseren van een debat dient dan ook vanuit een onbaatzuchtige grondhouding te geschieden. Vier inleiders? Prima, maar onder voorwaarde dat elk van de sprekers zijn of haar betoog niet langer laat duren dan maximaal 10 minuten. Daarna kunnen de panelleden met elkaar in discussie gaan. Let wel: dit laatste niet als een doel op zichzelf, maar ter stimulering van het in de zaal aanwezige publiek dat in dit geval, het zij nogmaals onderstreept, voor een aanzienlijk deel uit nauw bij het onderwerp betrokkenen was samengesteld, niet in de laatste plaats uit lieden die ook in professionele zin met het wel en wee van het orkestbedrijf hebben te maken. Een debat is een debat en geen evenement waarbij je het publiek beledigt door het volstrekt te negeren.

Natuurlijk was het niet allemaal onzin wat te berde werd gebracht. Gillinson bijvoorbeeld memoreerde hoe zijn orkest in een tijd dat het bijna failliet ging toch een imposante reeks concerten onder de noemer Mahler and the 20th century heeft doorgezet ten tijde van het chefdirigentschap van Claudio Abbado, indachtig het credo dat Kunst met een grote K nooit het resultaat is van het compromis maar per definitie van het tegenovergestelde. Pierre Audi wees op het charismatische dat een dirigent kan hebben. Dat is bij uitstek een eigenschap die hem in staat stelt ook met moeilijk en complex repertoire een respectabel tot zelfs groot publiek te bereiken in welk verband Audi niet voor niets nadrukkelijk de naam van Pierre Boulez liet vallen.

Voorbeeld
De naam van een kunstenaar dus, die zich realiseert dat charisma verplicht tot het nemen van artistieke verantwoordelijkheid. Artistieke verantwoordelijkheid ook in de morele betekenis des woords, namelijk door garant te willen staan voor de cultuuroverdracht ook en niet in de laatste plaats waar het de moeilijkst toegankelijke muziek van de afgelopen eeuw betreft. En hier raken we een kardinaal punt, want als iemand over een kolossaal charisma beschikt is het ongetwijfeld Valéry Gergiev. Maar morele verantwoordelijkheid in de geest van Boulez is bij hem ver te zoeken. Zoveel is namelijk zeker: als Gergiev een lans zou breken op de hem bekende en overrompelende wijze voor Xenakis, Varèse, Boulez of Zimmermann, zou dat wel eens een revolutie kunnen betekenen, een aardverschuiving zonder weerga. Om nog eens Boulez te citeren, maar nu in een interview met ondergetekende: "Het zijn de toporkesten en -dirigenten die het goede voorbeeld moeten geven." Maar wat doet Gergiev? Hij dirigeert vooral meer van hetzelfde. Weer Prokovjev en weer Sjostakovitsj (alsof The War Symphonies vorig seizoen nog niet genoeg waren!). Dat heeft niets met artistieke verantwoordelijkheid te maken maar alles met zelfverheerlijking, een zelfverheerlijking waartegen die van Mengelberg zo langzamerhand haast onschuldig afsteekt.

Kern van de boodschap
Wie eigenlijk verrassend goed uit de verf kwam was niet Gergiev maar die andere eregast, onze kersverse Staatssecretaris Cees van Leeuwen, die onomwonden wees op èn het belang van de traditie - de orkesten hebben een belangrijke museumfunctie - èn dat van vernieuwing. Dit laatste zowel in de presentatie als wat de muziek zelf aangaat. In navolging van T.S. Eliot onderstreepte Van Leeuwen dat traditie niet neerkomt op het verheerlijken van de as maar op het doorgeven van de toorts met het vuur, opdat de traditie zich blijvend kan vernieuwen. Een stap verder en je krijgt het beeld dat Boulez van de traditie heeft gegeven als "een grote bibliotheek, die men moet verbranden, opdat de Phoenix (= de traditie MB) vernieuwd en wel uit zijn as kan opstaan." Van Leeuwen was verder de enige die zich aan een korte spreektijd hield, waardoor de kern van zijn boodschap aanzienlijk beter overkwam dan die van de meeste panelleden. Ook aan de balk mag dat Van Leeuwen - maar dat heeft met het onderwerp in engere zin natuurlijk slechts zijdelings te maken - zich principieel teweer heeft gesteld tegen de door de Rotterdamse Gemeenteraad aangekondigde draconische bezuinigingen op Cultuur. Het zou me niets verbazen als de cultuur in het algemeen en de symfonische sector in het bijzonder aanzienlijk betere tijden tegemoet gaat onder Van Leeuwen dan onder zijn voorganger Van der Ploeg. Dit betekent echter niet dat het (let wel: inhoudelijke) debat over die sector en zijn plaats in de nabije en verdere toekomst al is gevoerd. Het valt te hopen dat dit er binnen afzienbare tijd komt, eventueel onder auspiciën van de Raad voor Cultuur en al dan niet in nauwe samenwerking met bijvoorbeeld het Contactorgaan Nederlandse Orkesten. Dit zal dan wel een debat moeten worden boven en met alle partijen, waarin alle hete hangijzers interactief ter sprake kunnen komen en ook een gebeuren waar de praktijk van het bestel wat aan heeft.

 

*) Iedereen zou het nu terecht absurd vinden als tijdens het begin van de twintigste eeuw de muziek van Chopin, Schubert, Beethoven en Brahms niet zou zijn geaccepteerd, maar zo absurd is onze positie ten opzichte van de eerste helft van de twintigste eeuw deels wel degelijk! Een symposium dat dit niet onderkent is alleen al daarom volstrekt zinloos.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links