CD-recensie

Een on-Franse Franse opera

 

© Paul Korenhof, augustus 2019

Gounod: Faust

Aljaz Farasin (Faust), Carlo Colombara (Méphistophélès), Marjukka Tepponen (Marguerite), Diana Haller (Siébel), Ivana Srbljan (Marthe), Lucio Gallo (Valentin), Waltteri Torikka (Wagner)
Kroatisch Nationaal Theater Rijeka
Dirigent: Ville Matvejeff
Naxos 8.660456-58 (3 cd's)
Opname: Rijeka (Kroatië), 2-11 november 2016

   

Een muziekdrama met grote diepgang is Faust niet, maar door zijn aansprekende romantiek en zijn overvloed aan melodische vondsten werd het wel een van de populairste opera's aller tijden. Het was vaak ook de laatste reddingsboei van een gezelschappen met financiële problemen. Dreigden de gages niet meer betaald te kunnen worden, dan werd Faust van stal gehaald en prompt zat de zaal weer vol met enthousiast meedeinende operaliefhebbers.

In de vorige eeuw verloor Faust echter zodanig terrein, dat Gounod's populairste opera zelfs naar stoffige archieven verbannen dreigde te worden. Dat laatste gebeurde nog net niet, maar wel kwam het werk steeds minder tot zijn recht. De 'typisch Franse' muziek van Gounod vraagt om een idiomatisch Franse uitvoering, in de klank en de frasering van koor en orkest, maar vooral in de zang, en dat is inmiddels een groot probleem geworden. Natuurlijk was Faust indertijd ook populair bij Italiaanse, Engelse, Duitse en ook Nederlandse gezelschappen, maar die brachten het werk wel in de eigen landstaal. Het resultaat was dan een 'Italiaanse', 'Duitse' of 'Nederlandse' opera (in Duitsland zelfs onder de titel Margarethe ) en ook die stilistische eenheid werkte wonderwel.

De toenemende internationalisering na W.O.II, toen steeds meer theaters het ensemblesysteem lieten varen, werkte echter negatief. Een uitvoering met een Italiaanse tenor, een Bulgaarse bas en een Duitse sopraan die de specifiek Franse zangstijl (en vaak ook de Franse taal) niet beheersten, benadrukten de dramaturgische zwakte nog eens extra en het resultaat maakte Faust zelfs tot misschien wel de meest geparodieerde opera uit het hele repertoire.

Franse zangstijl
Een eerste vereiste om de kwaliteiten van deze partituur ten volle hoorbaar te maken is een stilistisch volledig Franse uitvoering. Behalve een dirigent met de juiste antenne, een Frans klinkend orkest en een goed getraind koor is daarvoor natuurlijk een idiomatisch Franse bezetting nodig. De zangers moeten niet alleen de taal met al haar nasalen en klanknuances beheersen en begrijpen, maar ook de op verstaanbaarheid gerichte manier waarmee deze zang gerealiseerd worden.

Uitgangspunt van 'Franse zang', ongeacht of het opera, liederen of chansons betreft is te allen tijde verstaanbaarheid. Het is een zangstijl waarin de kernmomenten gerealiseerd worden als spreektaal op conversatieniveau die toevallig gezongen wordt. En dan moet de zang ook technisch 'typisch Frans' zijn. Zo moet de tenor zijn hoge tonen kunnen realiseren in een vloeiende overgang naar de voix mixte, terwijl de bas niet mag klinken als een Italiaanse of Duitse bas met een brede, granieten laagte, maar als een elegante, bijna naar de bariton neigende basse-chantante. 1)

De uitvoering die Naxos drie jaar geleden in Kroatië opnam, blijkt in alle opzichten on-Frans en internationaal. Dat begint al meteen met de jonge Finse dirigent Ville Matvejeff die hier geen overmaat aan gevoel voor het Franse muzikale idioom demonstreert. Hij pakt de partituur aan alsof er een stevige Midden-Europese opera op de lessenaar staat, maar het wordt niet duidelijk in hoeverre de wat hoekige, niet overmatig genuanceerde orkestklank aan hem is wijten is of aan de kwaliteiten van het orkest uit Rijeka (misschien beter bekend onder de Italiaanse naam Fiume).

De weinig elegante tenor van Aljaz Farasin lijkt vocaal meer op zijn plaats in 20ste-eeuws repertoire dan als een lyrische Faust, maar de Finse Marjukka Tepponen zingt een degelijke, soms zelfs fraaie Marguerite die zeker succes kan hebben in theaters waar zij haar stem kan terugnemen. Ook de rond en donker getimbreerde Mefisto van Carlo Colombara verdient zeker onze aandacht. Weliswaar klinkt hij als een echte Italiaanse bas, maar in klank en zang is hij al met al beter op zijn plaats dan enkele Slavische bassen uit het verleden. Jammer dat hij niet ook iets van het elegante legato van zijn landgenoot Cesare Siepi in zijn zang kon leggen!

Helaas zet de bariton Lucia Gallo een Valentin neer die meer weg heeft van een Italiaanse generaal dan van een eenvoudige Duitse soldaat, en de Siebel van de mezzosopraan Diana Haller is zelfs een stilistische misbezetting. Dat deze succesvolle Kroatische zangeres voor de opname werd uitgenodigd is vanuit nationalistisch oogpunt te begrijpen, maar als Dame Marthe was zij beter op haar plaats geweest dan als de puber Siebel. Die rol is absoluut niet geschreven voor een volle mezzosopraan, maar voor een slank en lichtgetimbreerd Frans sopraantje. Mijn ideaal blijft Liliane Berton die in deze rol te horen is in twee EMI-opnamen onder André Cluytens en in de MMS-opname onder Gianfranco Rivoli.

Sopraan in travestie
Tegenwoordig heerst echter het misverstand dat de traditionele travestierollen met donkere timbres bezet moeten worden, omdat die 'mannelijker' klinken (Zarah Leander, Marlene Dietrich en Adèle Bloemendaal zouden zich in hun graf omdraaien!). Als gevolg daarvan horen we 'mezzo-alten' niet alleen regelmatig in rollen die officieel voor mezzosopraan (dus 'halve sopraan') geschreven zijn, maar zelfs in officieel voor sopraan geschreven rollen als Cherubino in Le nozze di Figaro en de Komponist in Ariadne auf Naxos. 3)

In die rollen excelleerden vroeger sopranen als Irmgard Seefried, Sena Jurinac en Suzanne Danco, en nog niet zo lang geleden volgde Christine Schaefer op overtuigende wijze hun voorbeeld. In de operawereld wordt op dit punt echter meestal gecast met dovemansoren en dus horen we hier een Siebel die niet gezongen wordt met een helder, zilverachtig Frans timbre, maar door een mezzosopraan die zelfs meer klinkt als een 'halve alt' dan als een 'halve sopraan'.

De degelijk opgenomen uitvoering wordt door Naxos aangeprezen als de Londense versie van 1864, wat neerkomt op de recitatief-versie met de voor Londen nagecomponeerde aria van Valentin, maar nog zonder het later voor Parijs toegevoegde ballet. In de toelichting wordt terecht benadrukt dat Gounod en zijn librettist Jules Barbier de opera niet baseerden op het befaamde toneelstuk van Goethe, maar op de Franse bewerking daarvan door Michel Carré. Het Frans-Engelse libretto werd door Naxos online beschikbaar gesteld.

____________________
1) Zie voor de moderne benadering van de Franse zangkunst ook mijn noot bij de bespreking van Pelléas et Mélisande bij DNO (klik hier).
2) Meer over deze kwestie in 'Hoe de oer-sopraan een alt werd' (klik hier).
3) De lijst 'echte' sopranen die Octavian in Der Rosenkavalier zongen, is schier eindeloos. Na Eca von der Osten, die door de componist zelf werd uitgekozen, waren dat onder meer Sena Jurinac, Lisa Della Casa, Irmgard Seefried en Elisabeth Söderström.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links