CD-recensie

 

© Maarten Brandt, februari 2014

 

Britten: War Requiem op. 66

Anna Netrebko (sopraan), Ian Bostridge (tenor), Thomas Hampson (bariton), Coro e Voci Bianche dell'Accademia Nazionale di Santa Cecilia (Roma) en Orchestra dell'Accademia Nazionale di Santa Cecilia (Roma) o.l.v. Sir Antonio Pappano.

Warner Classics 6 15448 2. • 80' •

Live-opname: 25-26/28-29 juni 2013,
Sala Santa Cecilia, Auditorium parca della Musica, Rome

www.warnerclassics.com

   

Wie had in de jaren zestig van de vorige eeuw kunnen denken dat het War Requiem nog eens bijna even populair zou worden als een Mozart- of Verdi-Requiem? Decennia lang werd het discografische landschap uiteraard bepaald door de studiovastlegging voor het eertijds prestigieuze Decca-label onder supervisie van de componist zelf en met de uit Galina Vishnevskaja, Peter Pears en Dietrich Fischer Dieskau bestaande droombezetting. Een productie die keer op keer in diverse formats werd heruitgegeven, nog zeer onlangs in Blu ray/audio. Nadien zijn er, zij het aanvankelijk zeer geleidelijk, meer andersoortige maar evenzeer voortreffelijke vertolkingen verschenen, zoals die onder Rattle (EMI), Hickox (Chandos, met de legendarische Heather Harper, die ook tijdens de vuurdoop onder Britten in de kathedraal van Coventry zong om Visjnevskaja te vervangen en welke uitvoering nu eindelijk op Testament is verschenen, naast een nieuwe uitgave op het Signum-label die ik recent besprak.

Opera zonder toneel
Britten zelf heeft niet onder stoelen of banken gestoken dat in zijn War Requiem tal van invloedsferen een rol spelen, met die van Mozart en Verdi voorop (maar, zo zouden we er aan kunnen toevoegen: ook die van Berlioz, Mahler en Berg). Op gevaar af teveel in clichés te belanden, met dien verstande dat die soms ook waar kunnen zijn, Pappano wekt Brittens vocale Opus Magnum op een manier tot leven die mij bij herhaling aan dirigenten als Toscanini en Serafin deed denken. Het is niet in de eerste plaats de vergeestelijking van het War Requiem maar de net zo goed in dit werk opgesloten theatraliteit die in de benadering van deze dirigent het volle pond krijgt. En hoe! Het is alom drama van vlees en (veel) bloed dat ons hier tegemoet klinkt en dit niet zelden in al zijn ongereptheid met - toegegeven - een koorzang (sopranen!) die een enkele keer qua intonatie en perfectie ietsje te wensen overlaat. Pappano gaat hier, kortom, voor een opvatting van het War Requiem in de geest van een opera zonder toneel en wat meer is: een geheel dat dikwijls zindert van de hartstocht. Maar het heeft me geen moment gestoord, want - laten we eerlijk zijn - indien een compositie eenmaal tot de gevestigde canon behoort (en dat laatste is met het War Requiem absoluut het geval) bestaat het gevaar van een teveel op de automatische piloot musiceren en daardoor het ontstaan van een te gemakkelijke, gladde en gelikte perfectie. In dit opzicht valt de receptiegeschiedenis van Brittens unieke dodenmis heel goed te vergelijken met die van bijvoorbeeld Stravinsky's Le sacre du printemps. Nee, het War Requiem is geen stuk om bij te klaverjassen (en een neiging daartoe kon ik niet altijd onderdrukken bij het beluisteren van de Challenge-vastlegging onder het duo Van Zweden/De Leeuw) maar een muziek die je van begin tot eind op de punt van je stoel moet houden en bij de strot moet grijpen. En dat lukt Pappano op zijn manier net zo voorbeeldig als Britten, Hickox en McCreesh.

Tegenstellingen
Dat het totaal van de uitvoering als een zo spannende gebeurtenis op de toehoorder overkomt, valt mede toe te schrijven aan het feit dat het om een gedurende meerdere concerten vastgelegde live-opname gaat. En als er een werk is dat men bij uitstek live moet ondergaan is dat het War Requiem wel. Wat niet wegneemt dat het publiek zich muisstil heeft gehouden, want van enig noemenswaardigs buitenmuzikaal gedruis is niets te horen. En al evenmin heeft het karakter van de opname nadelige gevolgen ondergaan van de omstandigheid dat de concerten in twee verschillende lokaliteiten werden gegeven (zie bovenstaande discografie). Wel is het zaak de volumeknop iets verder open te draaien dan gebruikelijk, omdat het dynamische basisniveau wat laag is. Maar is eenmaal aan deze voorwaarde voldaan, ontstaat een rustig en geconcentreerd klankbeeld waarbinnen de contrasten tussen zacht en hard maximaal zijn aangescherpt. Als proef op de som kan het openingsdeel gelden, waarin het koor de woorden "Requiem eaternam " op een manier fluistert zoals ik nog nooit heb gehoord en die je de adem doet inhouden. Het effect van de climax bij het daaropvolgende "et lux perpetua" is daarom extra beklemmend. Een verhaal apart is de sonoriteit van de diepe tamtam die in veel uitvoeringen niet of nauwelijks hoorbaar is, maar hier zeldzaam suggestief overkomt. In het "Dies irae" zijn de tegenstellingen eveneens bijzonder markant en de transitie van "Be slowly lifted up." naar de rentree van het "Dies irae"-koor heb ik, behalve onder Britten zelf, nooit indringender gehoord dan hier.

Kippenvel
Wat de solistische bezetting betreft, tsja dat is en blijft een kwestie van smaak, speciaal waar het de sopraan Anna Netrebko betreft, iemand die men niet meteen met de muziek van Britten associeert, maar wier aanpak als een handschoen past om Pappano's temperamentvolle aanpak. In het "Liber scriptus" is haar vibrato zeer royaal, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dit bij Vishnevskaja in bijna even hoge mate het geval was. Waarbij nog komt dat mij dit, gezien het onherbergzame en onwrikbare karakter van dit onderdeel, nauwelijks nadelig opviel. Zeer hoge troeven worden door de beide mannelijke protagonisten uitgespeeld. Bostridge tekent hier onder meer voor een "Move hin into the sun" dat mijns inziens qua emotionele zeggingskracht niet onderdoet voor Pears en in het slot van "Strange meeting" bezorgt Hampson je een enorm kippenvel door zijn woorden aan de ene kant perfect af te wegen en anderzijds in een spanningsboog zonder gelijke te vatten. Het hierbij aansluitende "Let us sleep now" verloopt net een fractie minder langzaam dan in de uitvoeringen onder Hickox en McCreesh, maar is wel geheel conform Brittens eigen tempo.

Wapenfeit
En dat brengt mij op de wetenschap dat deze vertolking van tachtig minuten precies op 1 cd past, waaruit bepaald niet de conclusie moet worden getrokken dat het stuk als geheel een overhaaste indruk maakt, integendeel. Op plekken die er toe doen laat Pappano soms indrukwekkende cesuren vallen, en neemt hij ook alle rust (zoals gedurende het afsluitende " Requiescant in pace") voor de fermates. Verder is alle lof op zijn plaats voor het aandeel van het Orchestra delL'Accademia Nazionale di Santa Cecilia dat op zich zeker geen topensemble is, maar zichzelf in deze opname verre overtreft in een perfectiegraad die ik van dit gezelschap niet ben gewend. Iets wat natuurlijk ook het nodige zegt over de grootsheid van Pappano, die hiermee weer een hoogst imposant wapenfeit aan zijn snel groeiende discografie heeft toegevoegd. Rest nog te melden dat alle onderdelen en subonderdelen zijn getracked en het booklet, naast een essay van Stephen Jay-Taylor (met een omissie in de Duitse tekst: de wereldpremière in Coventry was niet op 20, maar op 30 mei 1962; in de andere talen staat deze datum wel juist vermeld), alle gezongen teksten bevat.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links