CD-recensie

 

© Aart van der Wal, oktober 2019

Schumann: Ouverture Genoveva op. 81 - Symfonie nr. 4 in d, op. 120 (oerversie 1841) - nr. 2 in C, op. 61

London Symphony Orchestra o.l.v. John Eliot Gardiner
LSO Live LSO0818 • 69' • (sacd)
Live-opname: 11 en 15 maart 2018, Barbican, Londen

   

Is er, wat het symfonische oeuvre van Robert Schumann betreft, nog een wereld te winnen? Laat ik eerst vaststellen dat teveel dirigenten dit oeuvre eerder benaderen vanuit het beeld dat zij van Brahms dan van Mendelssohn hebben. Met dan ook nog een groot uitgevallen orkest. Niet dat het kamerorkest de oplossing is voor alle kwalen. Sterker nog, een van de mooiste uitvoeringen van de Vierde symfonie staat op naam van Wilhelm Furtwängler, en zelfs met meerdere orkesten (klik hier). En dan ook nog in onvervalst mono. Wie er kennis mee maakt zal versteld staan van het groots opgezette momentum dat eruit spreekt.

Dat neemt niet weg dat Schumann wel vaart bij de typische lichtheid die de muziek van Mendelssohn zozeer kenmerkt. En er valt bovendien veel voor te zeggen om Schumanns orkestwerken toe te vertrouwen aan een kamerorkest van zij het ietwat ruimere proporties. Dit sluit in ieder geval de (wel of niet gevoelde) noodzaak tot retouchering uit. Retouches die voortvloeien uit het dogma dat Schumann niet zo bedreven was in het instrumenteren. Dat hij te 'dik' instrumenteerde. Dat begon al bij Mahler, die er niet tegenop zag om stevig in Schumanns orkestwerken in te grijpen. Wanneer echter wordt gekozen voor een orkestbezetting van bescheiden omvang zullen zaken als doorzichtigheid en klankbalans bijna als vanzelf ontstaan. Wie kamermuzikaal met deze werken omgaat (en dat betekent voor de orkestleden tevens: goed naar elkaar luisteren!) hoeft niet te retoucheren, zonder dat er concessies hoeven te worden gedaan aan klankvolume en dynamisch spectrum. Goede voorbeelden van die kamermuzikale aanpak bieden Michael Schønwandt met de Radio Kamer Filharmonie (klik hier) en Yannick Nézet-Séguin met het Chamber Orchestra of Europe (klik hier). Goed voorbeeld doet goed volgen, zal ik maar zeggen.

Alweer twee decennia geleden kwam Gardiner met zijn eerste Schumann-cyclus, toen met het door hem geknede Orchestre Révolutionnaire et Romantique. De titel sprak boekdelen: ‘Schumann Revealed'. Gebaseerd op de laatste inzichten, speeld op replica's van historische instrumenten en in een bescheiden gehouden orkestbezetting boden deze uitvoeringen een hoge mate van doorzichtigheid en zal het dan ook bij vrijwel niemand zijn opgekomen dat Schumann ‘dik' instrumenteerde. Nu, met het London Symphony in een weinig toeschietelijke ruimte als het Londense Barbican leken de kaarten al bij voorbaat anders te liggen, maar toch wist Gardiner met zijn bescheiden gehouden ensemble ware wondertjes te verrichten en krijgen we de zozeer gewenste transparantie in de orkestklank als het ware op een presenteerblaadje aangereikt.

Interessant is ook dat Gardiner het merendeel van zijn musici staande liet musiceren: alleen de bassisten, cellisten en de paukenist mochten zitten. Volgens Gardiner biedt het staande musiceren - het past in de Leipziger Gewandhaus-traditie* van weleer - het voordeel van aanzienlijk grotere betrokkenheid en beduidend meer expressiviteit. Het lijkt een een nogal merkwaardige redeneringm maar misschien wil het oog ook wat? Tenminste, bezien vanuit het publiek? Het valt van deze cd niet af te lezen. Of anders gezegd: het valt niet aan te tonen omdat we niet weten hoe er zou zijn gemusiceerd in uitsluitend zittende positie. Wat overigens niet wil zeggen dat de uitvoeringen expressiviteit tekort zouden komen. Integendeel zelfs: staand of zittend, er wordt op het scherp van de snede gemusiceerd, in tempi die net zo perfect zijn als de geraffineerde timing dat is, met de afwerking van frases, dynamiek en ritmiek zo vlekkeloos als die maar kan zijn. Een winstpunt is ook dat het Adagio uit de Tweede symfonie gevrijwaard blijft van het snel tegenstaand, opgelegd segment en dat het Scherzo uit dezelfde symfonie dankzij het uitbundige speelplezier en daarbij horende snedige ritmische articulatie uitmondt in een waar klankfeest. De Vierde symfonie klinkt indringend gedifferentieerd maar toch als uit een stuk. Kortom, Gardiners grote interpretatieve kwaliteiten staan borg voor ronduit schitterende vertolkingen. In die zin kunnen ze zonder meer de vergelijking met de zeer succesvolle Mendelssohn-cyclus onder zijn leiding door hetzelfde orkest en in dezelfde zaal zeker doorstaan.

Toch een puntje van kritiek (hoewel ik besef dat niet iedereen het daarmee eens zal zijn): ik begrijp werkelijk niet waarom nog steeds allerwegen en ook door Gardiner wordt vastgehouden aan de oerversie van de Vierde. Daardoor missen we - anders dan in de tweede versie - die ongekend spannende transitie van het Scherzo naar de Finale (net zo'n geniale vondst als in Beethovens Vijfde). Maar los daarvan: Schumann werkte natuurlijk niet voor niets die oerversie om.

Dat Gardiner voor de Duitse opstelling koos (eerste en tweede violen strikt links en rechts gescheiden, de contrabassen linksachter) is uiteraard terecht: zo is het door de componist bedoeld geweest. Dat het in de loop der tijd is verwaterd tot de Amerikaanse opstelling heeft alles te maken met gemakzucht.

__________________
*Het staande musiceren is ook te zien op een foto, gemaakt in Meiningen in 1882. Het door Hans von Bülow gedirigeerde orkest musiceerde staande, zoals blijkt uit de stand van de lessenaars:


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links