CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2019

 

Schubert: Winterreise D 911

Thomas Oliemans (bariton), Paolo Giacometti (piano)
Channel Classics CCS 42119 • 72' •
Opname: oktober 2018, Stadsgehoorzaal, Leiden

 

Eerst dit: hoe serieus moeten we, bezien vanuit de ‘historiserende uitvoeringspraktijk', het voor Schuberts liederen bedoelde stemtype en daarmee het toonsoortprobleem nemen? Schubert beschikte zelf over een hoge tenorstem (en volgens zijn tijdgenoten mocht die gehoord worden) en zijn liedpartituren zijn daarvoor ook ingericht. Het antwoord: niet al te serieus.

Schubert zelf is in zijn manuscripten niet altijd duidelijk. Neem het tiende lied uit ‘Winterreise': ‘Rast', dat in d-klein staat genoteerd, maar waaraan hij wel heeft toegevoegd: ‘ist aus C-moll zu schreiben'. Nr. 12, ‘Einsamkeit', staat eveneens in d-klein, maar in de eerste druk (en daar heeft Schubert, zo staat vast, naar gekeken) is het b-klein geworden. Bepaald geen gering verschil. En voor de statistici: van de in totaal ruim 600 liederen noteerde Schubert er niet meer dan een twintigtal in de f-sleutel.

Schubert zal ongetwijfeld hebben getransponeerd als het zo uitkwam. En als hij het niet deed, dan deden anderen het wel. Een logisch gevolg, het aanpassen van de toonsoort aan het op dat moment voorhanden zijnde stembereik. Maar als we naar de cyclus als geheel kijken (‘Winterreise' en ‘Die schöne Müllerin', maar niet 'Schwanengesang', dat geen cyclus is) kan het individuele transponeren in dramaturgisch opzicht op zijn hoogst slechts zijdelings afbreuk doen aan wat de componist - geredeneerd vanuit de partituur - voor ogen stond.

Toch is het geen onbelangrijke vraag: past een bepaald stemtype (sopraan, mezzo, alt, tenor, bariton, bas) bij de tekst (de inhoud) en aldus bij de voordracht? In ‘Winterreise' is de protagonist een – zij het rijpe – jongeman en daarbij past oppervlakkig beschouwd eerder een tenor- dan een basstem, met de bariton die daar ‘ergens tussenin zweeft'. Een zware mannenstem lijkt om die redenen binnen de gegeven context dus‘out of tune'. Maar tegenwoordig zijn we daarmee niet meer bezig of we tillen er niet of nauwelijks nog aan. Ik noem alleen al de diepe bas van Robert Holl en zijn weergaloze vertolkingen van 'Winterreise', maar ook van andere Schubert-liederen.
Ergo, zelfs vrouwenstemmen laten zich in dit domein niet onbetuigd (en soms zelfs met grote dramatische impact, zoals werd bewezen door onder meer Brigitte Fassbaender). Wat echter allemaal niet wegneemt dat stemtype en toonsoort, maar uiteraard ook voordracht onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Maar ook de keuze van het instrument is belangrijk: piano, concertvleugel of juist een kleinere maat? Of misschien wel de fortepiano? En dan de ruimte? De intimiteit van het lied past niet echt bij de grote zaal, verdient een dimensionaal bescheiden omgeving.

Maar er is - als het tenminste zo wordt gezien - een niet onbelangrijk lichtpuntje door het vermogen van de liedzanger(es) om een interpretatie te realiseren die de fantasie van de luisteraar dusdanig weet te prikkelen dat daardoor het stemtype zelfs naar de achtergrond wordt verschoven. Dan is het minder ‘Der Klang als Vorstellung' en meer ‘Die Lyrik als Vorstellung'.

Als we teruggaan naar Schuberts bekende ‘Schubertiaden' en we betrekken hierin de vooraanstaande liedzanger Johann Vogel, dan weten we dat hij een zeer welluidende bariton had, maar wel een met een groot bereik. Hoe hoog (en hoe diep) die reikte weten we helaas niet (waarschijnlijk niet zo hoog als die van Schubert zelf: de hoge tenorligging), maar wel zal Vogel met het transponeren geen enkel probleem hebben gehad, want hij zong Schuberts liederen terwijl de inkt ervan bij wijze van spreken nog niet eens droog was. Vogel moet in ieder geval ook over een indrukwekkende bariton hebben beschikt, want hij vervulde de rol van Pizarro in Beethovens opera ‘Fidelio' tijdens de première op 23 mei 1814 in Wenen.

Joseph von Spaun, die Schubert voor het eerst ontmoette als medeleerling op het 'Stadtkonvikt' en waaruit een levenslange vriendschap ontstond, schilderde zijn eerste kennismaking met ‘Winterreise':

Schubert wurde durch einige Zeit düster gestimmt und schien angegriffen. Auf meine Frage, was in ihm vorgehe, sagte er nur: "Nun, Ihr werdet es bald hören und begreifen." Eines Tages sagte er zu mir: "Komme heute zu Schober. Ich werde Euch einen Zyklus schauerlicher Lieder vorsingen. Ich bin begierig zu sehen, was Ihr dazu sagt. Sie haben mich mehr angegriffen, als dieses je bei anderen Liedern der Fall war." Er sang uns nun mit bewegter Stimme die ganze Winterreise durch. Wir waren über die düstere Stimmung dieser Lieder ganz verblüfft, und Schober sage, es habe ihm nur ein Lied, 'Der Lindenbaum', gefallen. Schubert sagte hierauf nur: "Mir gefallen diese Lieder mehr als alle, und sie werden Euch auch noch gefallen." Und er hatte recht, bald waren wir begeistert von dem Eindruck der wehmütigen Lieder, die Vogl meisterhaft vortrug.

‘Winterreise' stijgt ver uit boven conventionele lyriek, gaat langs muzikaal vormgegeven emotionele afgronden die toen nog ongekend waren en voert een lange lijdensweg in bittere kou op en waar in de twee gelijke strofen van het slotlied, 'Der Leiermann', het hopeloze beeld nog eens uitdrukkelijk wordt bevestigd en in de derde de belangrijkste vraag zonder afdoend antwoord blijft, omzoomd door de lege kwint in de linkerhand die de oude lier symboliseert, zo karakteristiek getroffen en zo onzegbaar eenzaam.

Het ziet er op papier zo eenvoudig, zo Spartaans uit, eigenlijk monotoon, zonder veel opzienbarende modulaties en dynamiek (al had 'Letzte Hoffnung' van Schönberg kunnen zijn!), maar als het gezang zich van de bijna onbeweeglijke, bijna mechanische pianobegeleiding losmaakt is het hartverscheurend. Het is de 'wanderer' die zo lang heeft gezocht naar vergetelheid en het is de orgelman die onze wanhopige vriend met zijn misère, zijn illusies, zijn woede en vertwijfeling in het winterse landschap als enig menselijk wezen tegemoet treedt met zijn eigen verloren hoop en verwachting: 'Und er läßt es gehen, alles wie es will, dreht, und seine Leier steht ihm nimmer still'.

In 'Winterreise' trok Schubert een nieuw expressief vocabulaire open, waarin het interval van de hele secunde een centrale rol is toebedacht en die als zodanig in hoge mate de gevoelsuitdrukking bepaalt. Er gaat een ongekende innerlijke kracht van uit die zelfs dwars door het metrum loopt.

In Charles Rosens ‘The Romantic Generation' (dat min of meer als de opvolger van diens bekende 'The Classical Style' kan worden beschouwd), wordt met succes de stelling verdedigt dat het in de lyriek van de eerste helft van de negentiende eeuw draait om de herinnering en dat Schubert zich in zijn ‘Winterreise' associeerde met de 'herinneringslast' van Wilhelm Müller. Het zijn de kwellende terugblikken die als een rode draad door het werk lopen en aan het einde ervan niet worden weggenomen als de dood daadwerkelijk in het spel lijkt te komen: juist voordat deze zich als zodanig manifesteert, stopt de vertelling en blijven de pijnlijke herinneringen bestaan. Zo blijft het drama als het ware onopgelost in de gedachten van de toehoorder achter.

In zijn – zeker voor de professionele pianist - technische eenvoud is ‘Winterreise' vervuld van een qua inhoud oneindige complexiteit. Als er een liedcylcus is waarin het uitsluitend draait om stemmingsbeelden, dan is het ‘Winterreise' wel. Geen wonder dus dat wie als zanger excelleert in ‘Die schöne Müllerin', met gemak kan falen in ‘Winterreise'. Wie het voornamelijk zoekt in contrasten (en veel zangers doen dat) komt zelf niet alleen bedrogen uit, maar bewijst ook de toehoorders geen dienst. In meer alchemistische termen: het draait juist om een variatievorm die stoelt op de hermetiek, ofwel op het geheimzinnige, duistere, afgeslotene. Dat het vaak niet is wat het lijkt, dat er raadsels worden opgeworpen die niet worden opgelost, maar die, wonderlijk genoeg, de hechtheid van het muzikaal vormgegeven model geen moment in de weg staan.

Dat alles heeft – zo blijkt uit deze vertolking – Thomas Oliemans heel goed begrepen in deze tweede opname (hij nam het werk eerder op met de pianist Bert van den Brink, klik hier voor de recensie). En opnieuw wordt onder de handen van Paolo Giacometti het begrip ‘begeleiding' tot een farce, want als hij de bariton niet op de voet volgt, dan bereidt hij diens discours volmaakt voor of zorgt voor wat alleen instrumentaal nog moet (niet kan) worden ‘gezegd'. Beiden hebben overtuigend gekozen voor een vloeiend betoog dat afrekent met wat zo onuitstaanbaar kan zijn: de veel te ver doorgedreven esthetica (of wat daarvoor wordt versleten), het op iedere (noot)slak zout leggen, ieder accentje, iedere nuance, iedere dynamische aanduiding op een zelf ontworpen goudschaaltje te leggen, met iedere lettergreep onder het vergrootglas, bijna uitgekauwd. Het overkwam Ian Bostridge in zijn recente Pentatone-opname (klik hier).

Het is sowieso het ‘probleem' van de hedendaagse liedinterpretatie in het algemeen, die vaak eindeloze zoektocht naar perfectie, naar de esthetica in plaats van waar het in het lied echt om moet gaan: verbeeldingsvolle expressie waaraan desnoods de gedachte aan stemschoonheid moet worden opgeofferd (of onderdrukt). De cosmetica die – zoals in ‘Winterreise' – dan ten onrechte de plaats inneemt van huiver, van kippenvel, van het rauwe, hartverscheurende, het van klankluister ontdane. Als welluidendheid de vijand wordt van het uitgebeende. Het mag, nee het moet desnoods langs afgronden gaan (vgl. de tenorpartij in 'Das Trinklied vom Jammer der Erde' uit Mahlers 'Das Lied von der Erde'). Zo welluidend is menigmaal het leven tenslotte ook niet.

Dat maakt deze interpretatie zo boeiend en zo avontuurlijk: de bereidheid om zich doelbewust af te keren van het een of andere schoonheidsideaal dat in de vertolking van deze cyclus zo vaak een overwegende rol speelt, terwijl het er wel is als het er moet zijn: in ‘Frühlingstraum', in ‘Einsamkeit', in ‘Die Nebensonnen'. En het slot? Het herinnert me aan een strofe uit een gedicht van A. Roland Holst:

dat ik ten laatste
het wezen van den groten dood ontdek
bij de kleine waterplek,
die zo stil den wilden avondval weerkaatste .

Die kleine waterplek? ‘Der Leiermann'...


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links