CD-recensie

 

© Aart van der Wal, maart 2012

 

 

Ockeghem: Requiem (Missa pro defunctis)

De la Rue: Requiem (Missa de Profunctis)

Cappella Pratensis o.l.v. Stratton Bull

Challenge Classics CC72541 • 58' • (sacd)

Opname: juni 2011 L'Église Saint-Pierre et Martin de Vieusart (B)

www.cappellapratensis.nl
www.challenge.nl


Johannes Ockeghem (ca. 1410-1497) en Pierre de la Rue (ca. 1452-1518) werkten niet alleen in hetzelfde tijdvak maar componeerden ook uitsluitend in de stijl van de eerste Vlaamse polyfonisten. De twee op deze sacd samengebrachte werken behoren tot de vroegste requiems die aan ons zijn overgeleverd. Dat maakt ze nog interessanter dan ze op grond van hun rijke muzikale inhoud al zijn. Maar Ockeghem en La Rue hebben nog iets met elkaar gemeen: in tegenstelling tot veel van hun tijdgenoten gingen zij niet naar Italië om zich daar als componist te wijden aan de Italiaanse madrigaalkunst of zich daar te vestigen, maar bleven ze hun thuisland zogezegd trouw.

Zowel Ockeghem als De la Rue behoorden tot de tweede lichting van de Nederlandse Scholen, de verzamelnaam voor de componisten die afkomstig waren uit Brabant, Vlaanderen, Henegouwen, Kamerijk en Picardië en die excelleerden in fijnzinnig contrapunt. De eerste generatie kende Dufay (1397-1474) als de meest vooraanstaande componist, waarbij de cantus firmus, meestal gezongen door de tenorstem, in de vocale compositietechniek centraal stond. De derde generatie kreeg Europese contouren met daarin Isaac (ca.1445-1517), Obrecht (ca. 1455-1505) en Des Prez (ca. 1440-1521) als de belangrijkste figuren. De cantus firmus stond nog weliswaar nog in het middelpunt, maar werd uitgebreid naar andere stemmen met toepassing van imitatietechnieken. Dan was er de vierde school, die zich onder leiding van Willaert (ca.1490 - 1562) in Venetië toelegde op de dubbelkorige Italiaanse madrigaalkunst. Een andere stroming, met als belangrijkste vertegenwoordigers Clemens non Papa (ca. 1510 – ca. 1555) en Gombert (ca.1495-ca.1560), bracht het motet tot grote bloei in de door Karel V geregeerde Nederlanden, Duitsland en Spanje. Ten slotte was het de vijfde generatie onder aanvoering van Lassus (ca. 1532-1594) en De Monte (1521-1603) die de meerstemmige polyfonie naar een hoogtepunt voerde en waarin ook Sweelinck (1562-1621) een belangrijke rol had. Zo rond 1600 raakte echter de Italiaanse monodie sterk in zwang en was dit daarmee ook de scheidslijn tussen meer- en eenstemmigheid een feit.

Een kernpunt van de vertolking van middeleeuwse muziek is weggelegd voor de versieringen (ornamentatie) van unisono (met dezelfde toon in verschillende stemmen of in verschillende octaafliggingen) tot kwint (vijfde trap op de toonladder) in stijgende of dalende intervallen. Dat is ook het uitgangspunt voor hedendaagse uitvoeringen, hoewel het geen wet van Meden en Perzen is: niet geornamenteerde vertolkingen komen evenzeer voor. Versieringen brengen in beginsel een hoger kunstgenot, verplaatsen de toehoorder wat gemakkelijker naar hogere sferen en vandaar dat een geornamenteerde uitvoering met dulce (in de betekenis van zacht, lieflijk) en een onversierde met duro (hard) wordt aangeduid.

Het Requiem van Ockeghem telt slechts vijf delen (Introitus, Kyrie, Graduale, Tractus en Offertorium), terwijl De La Rue in zijn Requiem daaraan Sanctus, Agnus Dei en Communio heeft toegevoegd, maar in zijn zetting het Graduale weer ontbreekt. Het wordt wel beweerd dat Ockeghem de coherentie ondergeschikt heeft gemaakt aan het afwisselend karakter van het werk, maar het ligt meer voor de hand te veronderstellen dat de componist een Requiem heeft samengesteld uit meerdere andere stukken die hij toen al had gecomponeerd maar die helaas verloren zijn gegaan. Een werkwijze overigens die niet zo bijzonder was en waarvan ook veel later, bij bijvoorbeeld Bach, vele voorbeelden te vinden zijn. In ieder geval lijkt het werk van De La Rue van begin tot eind als een Requiem zijn opgezet en uitgewerkt. Deze sacd biedt de mogelijkheid om beide stukken met elkaar te vergelijken, waarbij ik een geringe voorkeur heb voor de iets fantasierijker Ockeghem, waarvan Josquin des Prez eens schreef dat hij "de schatkist en ware meester" was.

Cappella Pratensis heeft inmiddels meerdere cd's op zijn naam staan (klik voor de recensies hier en hier). Pratensis staat voor Des Prez in het Latijn, of heel gewoon Van der Velde! De internationale opmars van het Nederlandse ensemble (toen nog als klein kamerkoor met ook vrouwelijke sopranen en alten) begon op het Belgische label Ricercare. Daarna was er een door Fineline Classical verzorgde uitgave, maar intussen heeft Challenge zich over het uitsluitend uit mannen bestaande koor ontfermd. Misschien aardig om te vermelden dat de bas Pieter Stas tevens de cellist is van het Goeyvaerts Trio dat zich uitsluitend bezighoudt met strijktrio's uit de twintigste en eenentwintigste eeuw.

Cappella Pratensis beweegt zich in het topsegment en laat dat ook op deze uitgave ondubbelzinnig horen.Onopgesmukt, naadloos en met volmaakte zuiverheid maken deze prachtige acht stemmen zich los uit de 'Église Saint-Pierre et Martin de Vieusart in het gelijknamige Belgische plaatsje (het cd-boekje vermeldt slechts 'Church of Vieusart'). Hemelse klanken, met dank aan opnametechnicus Bert van der Wolf die het ensemble direct en zonder onnodige galm heeft weten vast te leggen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links