CD-recensie

 

© Aart van der Wal, december 2019

Daniil Trifonov: Destination Rachmaninov • Arrival

Rachmaninov: Pianoconcert nr. 1 in fis, op. 1 - nr. 3 in d, op. 30

Rachmaninov/Trifonov: De Klokken op. 35 (1. Allegro ma non tanto) - Vocalise op. 34 nr. 14

DG 483 6617 0 • 82' •

Live-opname (concerten): 2019, Kimmel Centre for the Performing Arts, Philadelphia (VS)

   

Siebe Riedstra besprak in oktober van het vorig jaar de pianoconcerten 2 & 4 (klik hier) en nu is het mijn beurt wat betreft de pianoconcerten 1 & 3. Recensenten hoeven het niet altijd met elkaar eens te zijn. Daarvan zijn er voorbeelden te over en ook nog zeer recent: in NRC Handelsblad werd het nieuwe Bach-album van de gebroeders Jussen door Mischa Spel uiterst lovend besproken, terwijl er in de Volkskrant door Merlijn Kerkhof zo ongeveer gehakt van werd gemaakt (met deze laatste kritiek ben ik het deels eens: klik hier). Maar ook in andere kranten kon de lof niet groot genoeg zijn, onder meer in het Reformatorisch Dagblad. Het kan dus verkeren.

Maar nu dan Trifonov die samen met het Philadelphia Orchestra onder de baton van Yannick Nézet-Séguin zich onlangs heeft gewijd aan de pianoconcerten 1 en 3, aangevuld met twee door de pianist gemaakte bewerkingen van respectievelijk 'Vocalise' en een deeltje uit 'De Klokken'. Wat hij overigens voortreffelijk heeft gedaan, al gaat de aandacht uiteraard uit naar die beide concerten, waarvan het derde sinds de film 'Shine' zelfs bij de niet-liefhebbers als 'Rach Three' bekend is geworden.

Ik moet het met Siebe eens zijn: dat het eigenlijk onbegrijpelijk is dat we enerzijds beschikken over de vele opnamen waarop Rachmaninov zelf te horen is (concerten, kamermuziek, solorepertoire, maar ook als dirigent van zijn symfonieën), maar dat anderzijds de huidige pianistengeneratie zich niet of nauwelijks er iets gelegen laten liggen. Althans, dat valt van hun interpretaties niet af te leiden. Waarbij ik zeker niet beweer dat ze Rachmaninov stilistisch precies zouden moeten navolgen, maar wel dat iets van die aldus opgedane kennis doorsijpelt in hun eigen vertolkingen. Nu heeft het er alle schijn van alsof die opnamen van toen binnen de kaders van de historiserende uitvoeringspraktijk er niet toe zouden doen (terwijl we er ik-weet-niet-wat voor over zouden hebben om opnamen van Bach te kennen!)

Ook in de concerten 1 en 3 vertolken Trifonov en het orkest niet 'keurig volgens het boekje' (ofwel binnen de kaders van de gevestigde uitvoeringstraditie waarvan de basis niet anders dan wankel mag worden genoemd), maar hebben ze zich vastgebeten in een soort ad libitum dat danig meeslepend uitpakt. Er wordt niet geschmierd (het begrip heeft sowieso een negatieve connotatie), maar er wordt wel met de tempi gejongleerd: opwinding gaat gepaard met versnelling (niet altijd, maar vaak genoeg) en lyriek wordt menigmaal tot bijna smeltende proporties uitvergroot door de ingelaste vertragingen (die overigens niet in de partituur staan opgetekend). Dat maakte toen het in de wandelgangen als 'tamelijk saai' betitelde vierde concert tot een ware openbaring en dat maakt van het eerste en derde concert een in expressief opzicht bijna uit zijn voegen barstend spektakel. Romantischer kun je het nauwelijks nog krijgen, of we zouden ver terug moeten gaan in de tijd.

Het is een aanpak die enigszins ouderwets lijkt, maar misschien juist daardoor modern is (als u deze paradox met mij tenminste wilt delen). Dat is niet een aspect dat mag worden geassocieerd met zoiets als een zich voortdurend opdringende 'muzikale grondverf' die het discours bepaalt, want er zijn vele momenten aan te wijzen waarin het effect (of affect, het is maar hoe het beestje in dit geval wordt genoemd) heel subtiel is, maar de uitwerking ervan zeker niet minder is. Alweer zo'n paradox: het grote dat voortspruit uit het kleine. Daarmee staan de heren dichter bij die zo bijzondere versnellings- en vertragingskunst van Wilhelm Furtwängler dan bij die van Willem Mengelberg. Terwijl Otto Klemperers 'neue Sachlichkeit' in geen velden of wegen te bekennen is. Daarmee weet u zo ongeveer hoe dit nieuwe album moet worden 'geframed'.

Wie dit 'model' afwijst (en dat mag natuurlijk) moet zich vooral realiseren dat de muziek uit het verleden pas echt leeft in het nu en blijft leven in de toekomst als zich nieuwe vergezichten voordoen. Dat het anders een museale functie is waarvan alleen nog het historische karakter doorslaggevend is. Trifonov en Nézet-Séguin tonen daarentegen feilloos aan hoe ver men kan komen met durf en verbeelding. Dat de muziek dan soms tot bijna inertie leidt maakt deel uit van het bewust gekozen (en fenomenaal uitgewerkte) concept en daarom heeft mij ook dit zo sterk overtuigd. Samengevat zou ik niet graag zonder deze - schitterend vastgelegde - uitvoeringen uit Philadelphia zijn. Een stad trouwens waar eens Eugene Ormandy veel muzikale kleur aan heeft gegeven en waar ook Rachmaninov zich als pianist van zijn beste kant liet zien. Nomen est omen!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links