CD-recensie

 

© Aart van der Wal, april 2018

 

LISZT - Athanor

Liszt: Totentanz S 124 - Pianoconcert nr. 1 in Es , S 124 - nr. 2 in A, S 125

Beatrice Berrut (piano), Czech National Symphony Orchestra o.l.v. Julien Masmondet
Aparté AP180 • 56' •
Opname: december 2017, CNSO Studio's, Praag

 

We kennen de term ‘mannetjesputter'. Volgens de zwaarlijvige Van Dale (uitgave 1925) betekent ‘putter' hier ‘iemand die flink kan borrelen'. Het woord komt van ‘putten' en ‘mannetjes' is daaraan toegevoegd als versterking van het begrip. Maar let op: het betreft niet alleen in het hedendaags jargon een grote, sterke man, maar het kan ook een - jawel! - vrouw zijn. Dus is mannetjes' uitgesproken misleidend. Goed, dat dus Van Dale. Waarbij ik zeker niet staande wil houden dat de Zwitserse pianiste Beatrice Berrut (ze werd geboren in het Franstalige deel van Zwitserland, in Genève, in 1985) fysiek groot en sterk is, maar muzikaal is zij dat wel degelijk. Om het beeld dus ietwat te nuanceren: een muzikale mannetjesputter dus. Ik besprak al eerder een bijzonder geslaagd Liszt-recital (klik hier), waarin ik een uitspraak van een criticus over het pianospel van Liszt aanhaalde: 'Es ist nicht mehr Klavierspiel dieser oder jener Art, sondern Aussprache eines kühnen Charakters überhaupt'. ‘Kühn' heeft iets van gedurfd, van brutaal, maar ook wel van … precies! mannetjesputter. Het begrip is daarmee weer terug! Maar bovenal tekent het de muzikale verbondenheid tussen Berrut en Liszt, want ook zij is in zowel ‘Totentanz' als de beide pianoconcerten ‘kühn', en in dezelfde betekenis: gedurfd, een tikkeltje brutaal, maar zonder de nare bijwerkingen die daarmee zouden kunnen worden geassocieerd, waaronder slordigheid, weinig gevoel voor structuur, epateren als belangrijkste doelstelling. En als ik het toch over durf heb: wat veel interpreten in met name het interbellum durfden, is volkomen in onbruik geraakt: zich een dusdanige mate van vrijheid veroorloven dat het publiek in alle denkbare staten wordt gebracht, maar daarmee het werk van de componist daarmee wel op achterstand zettend. Dat doet men dus niet meer.

Er wordt weleens beweerd dat veel jonge musici slaafse navolgers zijn van de oude(re) generatie. Dat zij hen in hun vertolkingen slaafs navolgen. Het recept is simpel: de techniek is er, nu alleen nog goed luisteren (middels cd en elpee) 'hoe het toen werd gedaan' en voilà. Ze hebben dan echter de pech dat vakkundige impresario's maar ook anderen in het ‘vak', waaronder uiteraard platenproducers, zich niet zo snel om de tuin laten leiden, dat ‘recept' al snel doorzien. Of dat voor het publiek in het algemeen ook geldt, betwijfel ik echter (om voor zowel voor de hand liggende als minder voor de hand liggende redenen). Maar dat publiek fungeert gelukkig ook niet de eerste ‘zeef', maar participeert pas in de ‘slotronde', als de kaarten feitelijk al zijn geschud. Dat neemt allemaal niet weg dat jongeren soms kansen krijgen die ze niet echt hebben verdiend. Het is (ook) aan de recensent om dat op een ordentelijke manier (aan puur ‘afbreken' heeft niemand iets) aan de kaak te stellen. Maar ook om het tegenovergestelde te melden: dat het talent onmiskenbaar is, er (mogelijk) een succesvolle carrière in het verschiet ligt. En zo verder.

Veel jonge musici tonen een enorm talent. Ze accepteren de nagelaten notentekst als onwrikbaar gegeven, maar weten desondanks toch daaruit een geheel eigen krachtenveld te scheppen dat diepe indruk maakt en tot onvergetelijke impressies kan leiden. Slechts drie willekeurige voorbeelden uit die categorie (want anders wordt de lijst naar ik vrees toch wel erg lang): de violisten Patricia Kopatchinskaja en Franziska Pietsch, en de pianiste Beatrice Berrut. Het begint altijd bij durf, het resulteert vaak in weergaloze vertolkingen. Waarbij ik geenszins beweer dat Berruts Liszt onovertroffen is, laat staan dat zal blijven. Wat wel een feit is: beter kan het niet, wel anders. Dat is ook de kracht van een goede interpretatie: dat de toehoorder het gevoel krijgt dat dit zo ongeveer wel het summum is, dat niemand hier nog overheen kan, terwijl het uiteindelijk toch niet meer kan zijn dan een momentopname (als is die wat betreft de cd in de tijd wel bevroren). Muziek is een lévend organisme, het kan niet vaak genoeg worden gezegd.

Berrut is een van die vrij zeldzame Liszt-interpreten die geen moeite heeft met het tot aan de echt uiterste grenzen exploreren van de onderhuidse spanningen in deze muziek en daarbij tevens de expressieve rijkdom ervan ervan - en dan ook nog met behulp van een volkomen zelfverzekerde pianistiek - naar de oppervlakte brengt en die geen zee te hoog gaat om die te voorzien van een geheel eigen stempel. Ja, deze muziek klinkt door en door vertrouwd (dat zou eens anders moeten zijn van twee pianoconcerten die talloze malen zijn vastgelegd), maar er komt wel een belangrijke dimensie bij: de vanuit die starre noten en aanduidingen in een nieuwe dimensie gegoten verbeelding. Het is een ware kunst: iedere noot perfect op zijn plaats, melodie en harmonie vlekkeloos onder elkaar, de articulatie zonder een spoortje ‘geschmier', maar tegelijkertijd een myriade van kleuren, van scherp geformuleerde ritmiek en van de moed om de linker- en rechterhand het eigen cachet te geven al naar gelang het discours zich moet ontwikkelen. Jazeker, dat levert de nodige verrassingen op, die deels pas goed opvallen met het notenbeeld erbij. De noten zijn er allemaal, de notenwaarden evenzeer, maar vandaar uit wordt de gestiek ontwikkeld die deze uitvoeringen zo overrompelend maakt. Het is een beeld dat we ook zo goed kennen van de reeds genoemde Kopatchinskaja en Pietsch, maar – zoals gezegd – naar believen verder kan worden uitgebreid. De muziek wordt plotsklaps springlevend zonder dat het agogische beeld daarbij vervormt.

Berruts Liszt maakt ook helder dat de associaties tussen Liszt en ‘holle' muziek hun doel vrij gemakkelijk missen. Ik herinner me mijn kennismaking met Liszts beide pianoconcerten door Svjatoslav Richter, toen nog op elpee en het zo vertrouwde Philips-label (er is een vergelijkbare opname, gemaakt door de BBC, klik hier voor de recensie). Ik koesterde die elpee, omdat er in dit werk naar mijn gevoel inééns ontstellend veel gebeurde, Richter die zijn eigen grenzen opzocht (en niet die van anderen!) en oversteeg, daarin ver verwijderd bleef van de gestigmatiseerde klavierleeuw, maar zich manifesteerde als een volbloed musicus die oneindig veel schakeringen in die concerten wist te vinden. Het bleek, samen met de dirigent Kirill Kondrashin, een ‘onverslaanbare' combinatie. Tussen aanhalingstekens, omdat het ingeklemd in de tijd niet meer dan een relatief begrip kon zijn en moet blijven. Bij Berrut herhaalt dat beeld zich: samen met de dirigent Julien Masmondet is er weer sprake van een ‘onverslaanbare' combinatie, waarvan ik weet dat het nooit zo zal blijven, maar dat het nu wel zo lijkt. Het levert in ieder geval op waar we ons kunnen richten: de muziek van Franz Liszt op zijn best. Met een Tsjechisch orkest dat deze muziek bij wijze van spreken door de aderen vloeit.

De titel van deze cd, Athanor, heeft betrekking op een oven die door verhitting de alchemistische transformatie in gang zet, zoals lood dat in goud wordt veranderd. Zwavel, kwik en zout vormen daarvan de essentie. Het symboliseert tevens de zoektocht van de mens naar de ‘prima matera', de essentie van ons zijn, maar tevens waaruit wij zijn gevormd. Ook in de literatuur kennen we dit begrip: denk maar aan ‘Faust' van Goethe. Dat het ook in de muziek een wezenlijke betekenis heeft behoeft in dit kader uiteraard geen nadere uitleg.

Tot slot: op het moment van het schrijven van deze recensie is de cd nog niet op de markt gebracht en op Spotify is er daarom slechts één track van beschikbaar (als 'teaser'). Maar op YouTube kunt u wel zo het een ander van Beatrice Berrut vinden.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links