CD-recensie

 

© Aart van der Wal, januari 2017

 

Elgar: Celloconcert in e, op. 85

Tsjaikovski: Rococo-variaties op. 33 (originele versie) - Nocturne (uit 6 Pianostukken op. 19 nr. 4, door de componist bewerkt voor cello en orkest) - Andante cantabile (uit Strijkkwartet nr. 1, op. 11, door de componist bewerkt voor cello en orkest) - Pezzo Capriccioso op. 62

Johannes Moser (cello), Orchestre de la Suisse Romande o.l.v. Andrew Manze

PentaTone Classics PT 5186570 • 65' •

Opname: juli 2016, Victoria Hall, Genève

 

Het lijkt me intussen een onvermijdelijke conclusie: het Nederlandse label PentaTone heeft met de in 1979 in München geboren Johannes Moser op het gebied van het cellospel de hoofdprijs in huis gehaald. Ik besprak al eerder twee uitgaven die er wat dat betreft niet om logen: de celloconcerten van Dvorák en Lalo (klik hier) met een superieur ‘begeleidend' Prague Philharmonia o.l.v. Jakub Hrusa en de cellosonates van Rachmaninov en Prokofjev (klik hier), samen met een niet mindere grootheid, de Russische pianist Andrei Korobenikov.

Nu, in het celloconcert van Elgar en de Rococo-variaties van Tsjaikovski, is het wederom prijs. Geen mindere verrassing was de Engelse dirigent Andrew Manze die ik vooral kende als uitmuntend violist en dirigent in het barokrepertoire, maar die in deze volbloedige romantische muziek net zo uitstekend de weg weet en in het Elgar-concert zelfs Sir John Barbirolli, de toetssteen aller tijden, naar de kroon durft te steken. En nu ik het toch over toetsstenen heb: toen was er in het Londense Kingsway Hall natuurlijk ook Jacqueline du Pré, die Elgars meesterwerk aan de (bijna)vergetelheid ontrukte en er met haar uitermate gepassioneerde vertolking een onvergetelijke opname van maakte. Het is door de jaren heen, met zoveel cellisten die het werk aan hun repertoire toevoegden, misschien minder een toetssteen geworden, maar die EMI-opname is een blijft een uniek monument van groots cellospel.
Wat bij Moser opvalt is zijn lichtere toets, het gepassioneerde elan van Du Pré heeft plaatsgemaakt voor een klassiek-romantische benadering, het beste eigenlijk van beide werelden, uitermate knap gebalanceerd, proportioneel fijn geslepen, wat trouwens ook volmaakt past bij het partituurbeeld. Er trekken regelmatig donkere wolken voorbij, de melancholie straalt er bij de eerste inzet van de cello vanaf en niemand ontkomt ook bij Moser aan de indruk dat Elgars gevoelswereld nog duidelijk in de treurnis van de Eerste Wereldoorlog wortelde. Maar vergeleken bij Du Pré is het minder exuberant, ik zou bijna zeggen objectiever (voor zover dat in de muziek het geval kan zijn). Elgar schreef het werk weliswaar in de zomer van 1919, toen de oorlog al voorbij was, maar tot in het jaar daarvoor moet hij het onophoudelijke kanonnenvuur in Vlaanderen wel degelijk goed gehoord hebben toen hij in zijn tuinhuisje aan het werk was. En natuurlijk wist hij dat honderdduizenden landgenoten in 'Flanders' Fields als soldaat de dood hadden gevonden, of ernstig verminkt waren teruggkeerd. In 1918, in het laatste jaar van die vreselijke oorlog, onderging de toen 60-jarige Elgar bovendien een tamelijk ingrijpende operatie. Nog in het ziekenhuisbed vroeg hij om potlood en papier en zette zich aan het openingsthema van zijn Celloconcert. Elgar zelf dirigeerde het London Symphony Orchestra tijdens de première op 27 oktober 1919 in het Londense Queen's Hall, met Felix Salmond als de solist. Kort daarop, na het overlijden van zijn vrouw, besloot Elgar om het componeren op te geven. Hij overleed pas veel later, in 1939.

Een zelf ontworpen thema
Peter Iljitsj Tsjaikovski schreef zijn charmante Rococo-variaties op basis van een zelf ontworpen thema, en dat Mozart niet zo hebben misstaan. Rococo dus, wat misschien iets suggereert dat deze muziek zeker niet in zich heeft: zoetsappigheid, de smaak van fondant. Alsof rococo niet meer heeft betekend dan galante dansen en buigingen, bepoederde pruiken en uitgelezen parfums. Het werk begint met een inleidend Moderato assai quasi andante van het orkest dat attaca wordt gevolgd door het eenvoudige thema (andante cantabile) dat vervolgens acht variaties in beweging brengt die het instrument alle kansen geven zich virtuoos en kleurrijk te presenteren. Want daarin was Tsjaikovski ook een meester: hij schreef werkelijk volmaakt voor ieder denkbaar instrument, tot de celesta toe. Alleen al zijn fameuze balletmuzieken bevatten daarvan talloze schitterende voorbeelden. met de achttiende-eeuwse Weense rococo-stijl in gedachten koos hij voor een daarbij passende orkestratie: helder en luchtig, lichtvoetig zelfs. Er komt niet meer aan te pas dan het conventionele strijkersensemble, alsmede twee fluiten, twee hobo's, twee klarinetten, twee fagotten en twee hoorns. Het 'klassieke' orkest dus, zonder pauken.

Oorspronkelijk componeerde Tsjaikovski acht variaties, speciaal geschreven voor de toenmalige grootmeester op de cello, Wilhelm Fitzenhagen, maar dat aantal hield geen stand. Op de première op 30 november 1877 was het niet de componist maar de cellist die zich vóór de première allerlei redactionele ingrepen veroorloofde en de laatste variatie van het programma had geschrapt en ook nog eens de oorspronkelijke volgorde van zeven variaties ingrijpend had gewijzigd. Wat niet wegnam dat het de Fitzenhagen-versie was die wel in druk verscheen. Daar was Tsjaikovski niet blij mee. Het heeft daarna tot een nogal merkwaardige uitvoeringspraktijk geleid: de ene cellist bedient zich van de originele versie (met zijn acht variaties) terwijl de andere voor de versie van Fitzenhagen kiest. Ook Mstislav Rostropovitsj speelde bij voorkeur die versie. Moser gelukkig niet: hij speelt de oorspronkelijke versie – en hoe. Natuurlijk kent ook dit werk een toetssteen: de grote Russische cellist Mstislav Rostropovitsj, die er met zijn gloedvolle spel de wereld mee veroverde. Ook Moser is gloedvol, maar zijn benadering is duidelijk minder Slavisch, meer klassiek getint, lichtvoetiger ook, maar daardoor niet minder fascinerend. De drie toegevoegde miniaturen zijn meer dan slechts een bonus: ik had ze, zeker in deze vertolkingen, niet graag gemist.
Ik blijf het een wonder vinden dat het Polyhymnia-team er toch steeds weer in slaagt om in die pijpenla van Victoria Hall warme en brede opnamen te maken. Het is wéér gelukt!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links