CD-recensie

 

© Aart van der Wal, november 2016

 

Rachmaninov: Cellosonate in g, op. 19 - Vocalise op. 34 nr. 14

Prokofjev: Cellosonate in C, op. 119 - Adagio op. 97bis (Assepoester)

Skrjabin: Romance

Johannes Moser (cello), Andrei Korobeinikov (piano)

Pentatone 5186594 • 72' •

Opname: maart & april 2016, MCO Studio 5, Hilversum

 

Zowel Rachmaninov als Prokofjev kenden de speltechnische en expressieve mogelijkheden van de cello op hun duimpje, getuige deze beide cellosonates. Van Rachmaninov weten we dat hij zich door zijn goede vriend Anatoli Brandoekov liet inwijden in de fijne kneepjes van het cellospel. Hij droeg aan hem zijn cellosonate op. Prokofjev was diep onder de indruk van het cellospel van de (toen nog jonge) Mstislav Rostropovitsj die de eer te beurt viel van de door Prokofjev aan hem opgedragen cellosonate. Alleen al vanuit het oogpunt van authenticiteit (misschien is autoriteit in dit geval nog een passender begrip) is het raadzaam kennis te nemen van de opname die de cellist van deze sonate maakte, in 1950 met aan de vleugel niemand minder dan Svjatoslav Richter. Het is weliswaar een mono-opname 'uit de oude doos', maar EMI (nu Warner) heeft er alles aan gedaan om de audiokwaliteit ervan zo goed mogelijk op te krikken.

Als we de beide sonates mogen vergelijken, dan treft bij Rachmaninov toch vooral de diep gewortelde melancholie waaraan zelfs het tweede deel, toch een heus 'scherzando', niet ontkomt. Prokofjev daarentegen laat minder van zijn zielenroerselen zien. is meer gedistantieerd en vooral lichtzinniger. Hij schreef zijn sonate in de daarbij passende, heldere toonsoort van C-groot (Rachmaninov in het donkere g-klein). Wat beide componisten evenwel met elkaar verbindt is, het is al gezegd, hun schrijfwijze die de cello als een handschoen past.

Interessant is dat Prokofjevs cellosonate werd geschreven toen de storm van kritiek op zijn werk nog verre van geluwd was. Een jaar eerder was hij - een vaak beproefd middel onder het stalinjuk - door de Componistenbond aan de schandpaal genageld omdat zijn muziek te 'formalistisch' werd geacht. Veel van zijn stukken werden in de ban gedaan en was het nog maar de vraag of nieuwe composities nog wel over het voetlicht konden worden gebracht. Maar misschien was het uiteindelijk het spel van Rostropovitsj in de tweede cellosonate van Miaskovski dat hem deed besluiten het er toch maar weer op te wagen, met de geuite kritiek uiteraard als nuttige wegwijzer.

Er zijn nogal wat opnamen van de cellosonates en een voorkeur is niet zo gemakkelijk uit te spreken omdat de kwaliteit ervan doorgaans hoog is. Ik denk aan bijvoorbeeld Harrell/Ashkenazy en Mørk/Vogt. Interessant is zeker ook Capuçon/Montero, maar de nieuwste aanwinst op PentaTone is naar mijn smaak onovertroffen in het tot in de kleinste details gerealiseerde en tegelijkertijd spontane samenspel tussen Moser en Korobeinikov. Het is een tweeëenheid zoals je die slechts zelden hoort. Als er al sprake is van een Slavische sfeer (overigens gemakkelijker neergeschreven dan uitgelegd), dan is het hier. Zo gloedvol en doorleefd als hier gespeeld wordt het een werkelijk adembenemend avontuur. Ik ken werkelijk geen indrukwekkender uitvoering van het Andante uit Rachmaninovs sonate dan deze. Wat kan een minuscuul rubato in deze diepe expressieve wateren toch een wereld van verschil maken! De 'opvullers' worden niet minder glanzend vertolkt. Het Adagio op. 97bis bewerkte Prokofjev zelf voor cello en piano, terwijl de Romance van Skrjabin oorspronkelijk werd gecomponeerd voor hoorn en piano.

Ik vermoed dat als Rachmaninov en Prokofjev het spel van Johannes Moser en Andrei Kobeinikov zouden hebben gehoord, zij . Ik denk dat u het zelf wel kunt invullen. De opnamestaf van PentaTone heeft het allemaal net zo meesterlijk vastgelegd.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links