CD-recensie

 

© Aart van der Wal, september 2019

Bruckner: Symfonie nr. 1 in c (Weense versie, 1891 - Brosche-Editie) - Symfonie nr. 9 in d (Nowak-Editie)

Lucerne Festival Orchestra o.l.v. Claudio Abbado
Accentus ACC30489 • 50' + 63' • (2 cd's)
Live-opname: 17-18 augustus 2012 (nr. 1) en augustus 2013 (nr. 9), Kultur- und Kongresszentrum, Luzern

   

Onlangs nam de 90-jarige Bernard Haitink in het cultuur- en congrescentrum van Luzern definitief afscheid van het podium. Op de lessenaars twee hem zeer vertrouwde stukken: Beethovens Vierde pianoconcert (met zijn goede vriend Emmanuel Ax als solist) en Bruckners Zevende symfonie. Zeker het laatste werk vormde jarenlang een van de kernstukken van zijn repertoire. Het werd een vlotte, bij tijd en wijle zelfs jeugdige Zevende (overigens: een commentator op Radio 4 die na afloop van het concert ‘live' uit Luzern berichtte, presteerde het om op te merken dat ‘Haitink met de jaren trager was geworden').

'Dirigieren ist ein Rätsel'
Het bijbehorende feestje was niet emotioneel. Haitink onderging het eerder gelaten. Bovendien had hij al zo vaak alle denkbare eer over zich heen laten gaan. Zelfs het intermezzo in de vorm van een boekpresentatie, ‘Dirigieren ist ein Rätsel', geschreven door Peter Hagman en Erich Singer, de Duitstalige variant op het uitgelezen boek van ‘onze' Niek Nelissen: ‘Als je het een beroep kunt noemen' (hier besproken), deed hem eigenlijk niks. Haitink heeft het jarenlang gezegd: “Ik kijk liever vooruit,” maar met negentig jaar is dat uiteraard niet meer zo vanzelfsprekend. Wat hij het meest zal missen? De partituur bestuderen, voorafgaande aan het concert of de opname. Waarna werd opgemerkt dat het ook zonder het laatste kon. De vragensteller begreep het gewichtige karakter van die uitspraak dus niet. Daar moet je ook dirigent voor zijn!

'Meest verschrikkelijke oord'
Luzern, zowel voor Haitink als voor Abbado een belangwekkend podium om afscheid van te nemen. Waarna in zekere zin toch een ‘bijzondere leegte' wacht. Al zal Haitink de luchthavens ‘als het meest verschrikkelijke oord' niet missen. En wie slecht ter been wordt zal sowieso het reizen als bijzonder vermoeiend ervaren. We zullen hem wel missen, de altijd bescheiden Haitink ("ik moet gevraagd worden") die zoveel voor het muziekleven in binnen- en buitenland heeft betekend en die met lede ogen heeft moeten aanzien hoezeer het ‘mes van Zijlstra' zijn gruwelijke sporen heeft achtergelaten.

Breekbaar
Maar deze recensie gaat niet over Haitink, maar over een dirigent die eveneens afscheid nam op het podium in Luzern en onder heel wat minder florissante omstandigheden: Claudio Abbado, een maand eerder 80 geworden, nam op 26 augustus 2013 afscheid met twee grote onvoltooide werken uit de symfonische literatuur: Schuberts Achtste en Bruckners Negende. Of hij zich toen heeft gerealiseerd dat zijn loopbaan daarmee echt voorbij was? Waarschijnlijk wel, want hij besefte dat het levenseinde in zicht was. Abbado leed al sinds 2000 aan maagkanker, wist dankzij een groot aantal behandelingen toch weer redelijk te herstellen en de draad weer op te pakken, maar stond vervolgens jarenlang bijna doorschijnend op dat podium: tot op het bot vermagerd, niet meer in staat om grotere porties voedsel tot zich te nemen, breekbaar maar desondanks toch met een verrassend grote vitaliteit die ook op de muziek en het musiceren afstraalde. En misschien het het ook wel te maken met dat fenomeen dat we bij meerdere musici hebben gezien: zwak en breekbaar, maar op het podium kracht en energie uitstralend. Dat was ook het beeld van de laatste jaren dat ik bij de dirigerende Haitink had: slecht ter been, maar op de bok leken alle belemmeringen te zijn weggevallen. Twee andere dirigenten schieten me in dit verband te binnen: Otto Klemperer (die steeds weer opkrabbelde, na de zoveelste ‘mishap') en de altijd zo zachtaardige en pure noblesse uitstralende Carlo Maria Giulini.

Zwanenzang
Is er een indrukwekkender afscheid mogelijk dan met Bruckner? Het lijkt onvoorstelbaar. Bovendien, die Negende, die heeft zelf ook iets van ‘Todesahnung', van ‘het er heel dicht bij zijn'. Bruckner heeft nog lang aan de Finale gewerkt, maar evenals Abbado was het de slopende ziekte die hem uiteindelijk velde. Maar vreemd genoeg (of toch niet?) straalt die onvoltooide finale (klik hier), evenals Abbado in zijn nadagen, een enorme vitaliteit uit, met bovendien geheel nieuwe vergezichten (waarvan ‘experts' van de Internationale Bruckner Gesellschaft vonden dat het ‘uitingen waren van een verwarde geest'). Maar de dood is nabij, zoals het boven alles uittorende Adagio met die onvergelijkbare, ons zo diep rakende slotmaten, ons haarscherp duidelijk maakt. Geen wonder dus dat de meeste dirigenten - waaronder ook Abbado - nog steeds graag het werk met dat grandioze Adagio besluiten (hoe onterecht ook, want van die Finale is veel meer bewaard gebleven dan van Mozarts Requiem als geheel. Ik bedoel maar…)

Onnavolgbaar
De laatste hand is gelegd aan een grandioos werk, letterlijk. Door Bruckner en door Abbado, want de uitvoering van de Negende werd tevens Abbado's laatste optreden. En waar Haitink daar in Luzern niet een van zijn beste Zevendes dirigeerde, koos Abbado met hetzelfde orkest voor een vrijwel onnavolgbaar schoonheidsideaal, maar vooral ook van een bijna onpeilbaar diepe zeggingskracht. Een fonkelend klankgewaad dat Bruckners zwanenzang als een handschoen paste, maar waar Abbado met het ensemble dat hem al jarenlang op handen droeg, een bijzondere dimensie aan toevoegde: die van het ‘Jenseits', zo diep gevoeld en toch zo tastbaar dat het adembenemend was. En toch met zeer strakke hand geleid (al viel dat van zijn altijd weer innemende plastiek niet af te lezen).

Cynisch
Het is slechts weinige recensenten opgevallen (‘onze' Maarten Brandt is er een van (klik hier voor zijn recensie) hoe bijzonder Abbado's vertolking van Bruckners Negende was. David Hurwitz bijvoorbeeld presteerde het zelfs om Abbado (en in datzelfde verband ook Martha Argerich) het stempel van narcisme op te drukken. En dat hij blijkbaar tot de categorie dirigenten behoort die zichzelf uitsluitend etaleren door het klankbeeld dat de orkestmusici oproepen. En dat intussen de critici en in het bijzonder die van de lokale dagbladpers en zij die zorgvuldig als ‘gast' zijn geselecteerd, gehoorzaam de loftrompet steken over wat ze hebben gehoord. Tja, hoe cynisch kun je als recensent zijn? En hoe blasé ook? Terwijl we allemaal weten dat een discussie over een onderwerp als dit al bij voorbaat zinloos is omdat het immers uitsluitend om perceptie gaat (‘ik hoor wat jij blijkbaar niet hoort', of ‘ik onderga wat jij blijkbaar niet ondergaat'). Als die antenne er niet is… Waarbij altijd nog wel de riposte in stelling kan worden gebracht dat muziekbeleving nu eenmaal ‘iets subjectiefs is'. Wat overigens niet te bestrijden valt. Maar gelukkig waren er ook recensies (sorry, Hurwitz) waarin het beeld van die zwanenzang niet negatief waren bijgesteld, zoals in de ‘Frankfurter Allgemeine' en de ‘Wall Street Journal'.

Vertroebelend beeld
Toegegeven, een heel bijzondere gelegenheid kan het beeld aanzienlijk vertroebelen. Het laatste concert van Haitink, het laatste concert van Abbado, het laatste optreden van Dinu Lipatti: we luisteren er misschien daardoor anders naar. En we kennen het verschijnsel van dat geweldige concert dat we hebben bijgewoond, dat, als we later kunnen terugluisteren, helemáál niet zo geweldig was.

Hoe het ook zij, Haitinks laatste podiumoptreden bracht mij geen Zevende die echt zal beklijven. Ergo, ik vond zijn uitvoering van eind jaren zeventig met het Concertgebouworkest (Philips) indrukwekkender dan die uit Luzern, met name in het Adagio. Al het gezeur over het bioritme bij de ouder wordende mens ten spijt: het kan ook te vlotjes gaan, te gemakkelijk, teveel op de automatische piloot.

Hoe kan een recensent bewijzen (jawel!) dat in een bepaalde uitvoering (neem deze, onder Abbado) de cosmetiek heeft plaatsgemaakt voor spiritualiteit? Ja, over ensemblecultuur kan wel – ik zeg het voorzichtig - een redelijk objectief oordeel worden geveld: klankesthetica speelt zich niet in het metafysische domein af (al kan zij ons er misschien wel naartoe leiden). Zoals het ook mogelijk is om in een vertolking allerlei details waar te nemen die in andere ontbreken.

Metafysische vergezichten
Natuurlijk, de recensent beweegt zich op glad ijs (en dat doet Maarten Brandt in zijn bespreking) door te wijzen op de ‘enorme mate aan onthechtheid' in Abbado's vertolking. ‘Als het leven intens wordt bedreigd […] zijn er twee reacties mogelijk, namelijk die van de kolossale paniek en een van overgave, van een volledig loslaten'. Waarna zijn waarneming (noem het perceptie) volgt: ‘En dat is precies wat we hier horen, in deze uiterst lucide verklanking waardoor, in het bijzonder dankzij die al genoemde ruimte “tussen de noten”, regelmatig sprake is van metafysische vergezichten'. Wie als recensent, maar uiteraard ook als ‘gewone' muziekliefhebber, van een dergelijke waarneming verstoken blijft, hoeft niet minder onder de indruk te zijn, maar beleeft het eenvoudigweg anders. En als hij niet zo onder de indruk is? Dan hoort hij 'een symfonie' en daarmee basta. Of hij slaat, zoals zoveel recensenten dat plegen te doen, aan het vergelijken tussen A en B, C en D, A en D, E en F, om dan weer terug te gaan naar A. Het werk zelf, laat staan de componist, is dan vaak al naar de achtergrond verschoven.

Het beste advies dat ik, dit onderwerp afsluitend, kan geven: luister en oordeel zelf, nadat u de recensie van Maarten Brandt op u hebt laten inwerken.

Eerste symfonie in Weense versie
Dan Bruckners Eerste symfonie, die Abbado een jaar eerder tijdens het festival uitvoerde in de 1891-versie (in de Brosche-Editie). Bruckner componeerde zijn ‘officiële' Eerste (er gingen de ‘Studiesymfonie' en de ‘Nulde' aan vooraf) tussen mei 1865 en april 1866. De finale was eerder klaar dan de rest, een werkwijze die we later vaker zullen tegenkomen. De première van zijn 'kecke Beserl' (brutaal, overmoedig), ook wel ‘unredivierte Linzer Fassung' genoemd, leidde de componist zelf, in Linz in 1868 (in 1998 kwam de Amerikaanse musicoloog William Carragan met een ‘verbeterde' editie, waar overigens de nodige vraagtekens bij mogen worden geplaatst). In 1877 en 1884 nam Bruckner de oorspronkelijke versie opnieuw ter hand en het is deze versie die door zowel Haas als Nowak met Linzer Fassung wordt aangeduid (wat misleidend is want Bruckner vertrok immers al in 1868 uit Linz om zich in Wenen te vestigen).

Tussen 1890 en 1891, toen de componist al aan zijn Negende werkte (hij begon al in september 1887 aan zijn symfonische zwanenzang), nam hij het werk opnieuw onder handen en dan met name de instrumentatie en de strijkerspartijen. Dat resulteerde in de zogenaamde ‘Wiener Fassung' van 1891, die 13 december 1891 voor het eerst werd uitgevoerd door de Wiener Philharmoniker onder leiding van Hans Richter in de 'Gouden Zaal' van de Weense 'Musikverein'. Bruckner droeg de in 1893 bij Doblinger verschenen partituur op aan de Weense universiteit, als dank voor het aan hem verleende eredoctoraat. Interessant is hier overigens de vergelijking tussen de 'jonge' en de 'rijpe' Bruckner: beide versies zijn discografisch door meerdere orkesten en dirigenten vastgelegd.

Abbado heeft de ‘Linzer Fassung' in de bekende Nowak-editie tweemaal met de Wiener Philharmoniker opgenomen, maar heeft zich in 2012 toch nog aan de ‘Weense' versie gewaagd. En hoe, want zijn lezing is in een woord fenomenaal (tevens hier lovend door collega Siebe Riedstra besproken). Wat op mij daarvan de meeste indruk maakte was het Scherzo, dat door de sterk gedreven, maar nooit overdreven puls en de hevig aangezette, maar volmaakt gedoseerde syncopen letterlijk aan bijna alle kanten uit zijn voegen dreigt te barsten. Het blijft allemaal nog net binnenboord, waarna het Trio werkelijk als een verademing kan oplichten. Bijzonder sterk is ook het Adagio, dat meer hoorbare details bevat dan in welke andere uitvoering ook (zelfs niet in die van pietje precies Günter Wand). De pure schoonheid van dit deel wordt nog eens onderstreept door Abbado's meesterhand in de harmonische onderbouw die daardoor zoveel aan cachet wint dat de melodische bovenbouw naar ongekende hoogten kan stijgen. En hoe overweldigend is in alle delen de met zorg aangebrachte differentiatie tussen p en pp, tussen f en ff, maar ook tussen het minder voor de hand liggende ff en fff, naast de geëtaleerde precisie van de crescendi en decrescendi. Climaxen ontstaan niet uit het niets, hangen dus ook niet in het luchtledige (in de Vijfde wordt dat beeld overigens volkomen anders: daar moet het zelfs zo). De subliem voorbereide transities markeren voorts de grootsheid van Bruckners ‘Periodenbau'. Zoals daar ook is het voortdurend streven naar een nobele klank, zelfs in de meest wilde episodes en uitbarstingen. Dan zijn er de perfect mengende houtblazers, het machtige koper, de gloedvolle strijkers, de scherp getekende pauken en de voortdurend betoverende soli.

Ik heb niet kunnen achterhalen wanneer precies opname van de Negende is gemaakt. Deze fraaie live-registratie (wel of niet zonder 'patches') ademt wel duidelijk het beeld van die van Deutsche Grammophon, maar identiek zijn ze niet (ze stammen dus niet op dezelfde datum). De Eerste is niet minder fraai vastgelegd. Kortom een dubbelalbum dat een belangrijk ankerpunt vormt in niet alleen de uitgebreide Abbado- discografie, maar ook in die van het jaarlijkse muziekfestival in Luzern. Wat dit laatste betreft: er verschijnen ook steeds meer historische festivalopnamen, op het Duitse Audite-label (waarvan we er al een aantal hebben besproken).


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links