Opera en operette

Notities bij de 'Tudor Queens' in de Met (1)

Engelse vorstinnen in Italiaans bel canto

 

© Paul Korenhof, mei 2016

 

In de eerste helft van de 19de eeuw werd het Europese operatoneel overstroomd door werken met een Engelse achtergrond. Tekst en muziek waren Italiaans, Frans of Duits, maar voor de libretti werd geput uit de Engelse geschiedenis of uit historische romans, in het bijzonder die van Sir Walter Scott. Zijn boeken alleen al leverden de stof voor meer dan veertig opera's, waaronder zes waren geïnspireerd op het verhaal van Lucy Ashton, de tragische hoofdpersoon in The Bride of Lammermoor. 1)

De voedingsbodem voor deze ontwikkeling lag in de Romantiek die zich vooral na de val van Napoleon als een vloedgolf over Europa had verspreid. Reeds in de 18de eeuw begon de fascinatie voor dat toch ietwat 'andere' eiland aan gene zijde van het water dat in de Europese geschiedenis zo'n grote rol had gespeeld, en die belangstelling werd nog gevoed door talloze verhalen waarin mist, moerassen en ruïnes een rol speelden. Bij die romantische hang naar het mysterieuze en onbekende voegde zich vervolgens ook nog een groeiende interesse voor talloze kleurrijke historische episodes uit het Britse verleden, niet zelden gerelateerd aan oorlogen en kruistochten.

De romantische heldin
De opmars van de romantische heldin in het Italiaanse bel canto, vormde een extra voedingsbodem voor opera's waarin niet alleen belaagde maagden als Lucy Ashton (Donizetti's Lucia di Lammermoor ) en Elvira Walton (Bellini's I puritani) zich aan virtuoze coloraturen te buiten konden gaan. Weinig historische personages prikkelden de verbeelding van de romantici zo sterk als Elizabeth I, de 'Virgin Queen' die bijna een halve eeuw over Engeland regeerde, en in haar voetsporen konden haar onthoofde moeder Anne Boleyn en haar eveneens onthoofde rivale Mary Stuart dankbaar meeliften.
Gaetano Donizetti, met Bellini de grote specialist in het scheppen van romantische vrouwenrollen en schrijver van ruim een half dozijn 'Engelse opera's, heeft met Anna Bolena (1830), Maria Stuarda (1834) en Roberto Devereux (1837) ieder van deze drie vorstinnen een plaats op het operatoneel gegeven, maar niet voor lang. Op den duur hielden uit de Engelse golf alleen Lucia di Lammermoor en I puritani repertoire, terwijl enkele titels, waaronder Elisabetta, regina d'Inghilterra en La donna del lago van Rossini, nog van naam bekend bleven. Tot halverwege de vorige eeuw leken de meeste opera's uit deze stroming volledig van het toneel verdwenen. 2)

Maria Callas
De ommekeer kwam met het optreden van Maria Callas, die met haar zang het besef deed doorbreken dat bel canto veel meer was dan virtuoos vocaal vertoon. Door haar ontdekte men weer dat bij een goede componist vocale versieringen wel degelijk een dramatische functie hadden. De menselijke stem is het instrument bij uitstek om menselijke emoties hoorbaar te maken en op de juiste manier gebruikt kon bel canto, behalve een vertoon van virtuositeit, ook drager zijn van de expressiviteit. Decennia lang was de zang van coloratuursopranen door velen afgedaan als 'oppervlakkig gekwinkeleer', maar nu brak opeens het besef door dat daarachter veel meer schuil kon gaan.
Na een halve eeuw 'veristische' expressiviteit zetten Callas en haar opvolgsters, onder wie Leyla Gencer, Joan Sutherland, Montserrat Caballé en Renata Scotto, het bel canto opnieuw op de kaart als misschien wel de beste methode om in de opera de emoties achter de tekst op het publiek over te brengen. Bovendien lijkt het evident dat ook de renaissance van de barokmuziek en de huidige populariteit van bijvoorbeeld de opera's van Händel geprofiteerd moeten hebben van het feit dat Callas deze deur opnieuw geopend heeft.

De 'Tudor Queens'
Onvermijdelijk leidde de herwaardering van het bel canto ook tot de herontdekking van vergeten repertoire en Donizetti behoorde tot de componisten die daarvan het meeste profiteerden. Een mijlpaal vormden voorstellingen van Anna Bolena in 1957 en 1958 in de Scala, in een regie van Luchino Visconti en met Callas in de titelrol. De Turkse Leyla Gencer nam het stokje over en zette vervolgens met Roberto Devereux en Maria Stuarda ook Donizetti's andere opera's rond de 'Tudor Queens' op het toneel. Haar voorbeeld werd gevolgd door de Amerikaanse Beverly Sills met een over drie seizoenen verspreide cyclus bij de New York City Opera. In haar voetspoor trad dit seizoen haar landgenote Sondra Radvanovsky, die de drie opera's bij de Metropolitan Opera zelfs binnen één seizoen vertolkte.

Overigens wekt de aanduiding 'Tudor Queens' ten onrechte de suggestie van een onderlinge relatie. Buiten de naam van de componist is het enige wat de opera's verbindt het feit dat Anne Boleyn, de titelhelding in de eerste, de moeder was van Elizabeth I die in de beide andere opera's een hoofdrol speelde. Daarbij moet wel meteen worden vermeld dat Elizabeth in Maria Stuarda de 'seconda donna' is en dat zij de eer van de 'prima donna' daar moet laten aan haar Schotse rivale.

____________________
1) Jerome Mitchell: The Walter Scott Operas. Alabama 1977

2) Rossini's Otello (1816) is weliswaar gebaseerd op een stuk van Shakespeare, maar heeft verder niets met Engeland te maken; Verdi's Macbeth (1848) valt ondanks duidelijke bel canto-invloeden al buiten deze stroming.

(Deze tekst verscheen oorspronkelijk in het Bulletin van de Vereniging Vrienden van DNO, apri; 2016. Voor het tweede deel van dit artikel, Hoe de 'oersopraan' een alt werd, klik hier)


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links