Opera en operette

Open brief aan Sophie de Lint

 

© Paul Korenhof, maart 2022

 

Go to English translation

Beste Sophie,

Anderhalve week geleden reageerde ik op een vreemde uitspraak van Pierre Audi die beweerde dat in Nederland vóór zijn komst 'niets' was. (klik hier) Tijdens een persbijeenkomst in het kader van het Opera Forward Festival, hoorde ik in uw woorden iets dat mij evenzeer bevreemdde, namelijk dat DNO - na de opening van Het Muziektheater - de eerste 'producing opera company' in Nederland was geworden.

Inderdaad zijn er gezelschappen die geen enkele voorstelling zelf maken en iedere productie kopen of huren van andere theaters (bijvoorbeeld het Liceu in Barcelona), maar ALLE Nederlandse operagezelschappen van na de oorlog waren 'producing companies', die het merendeel van hun producties zelf hebben geproduceerd. Hetzelfde geldt trouwens voor de residerende gezelschappen van vóór de oorlog. Alleen de gezelschappen die zich beperkten tot een korte reeks voorstellingen, al dan niet in het kader van een festival, hebben mogelijk al hun producties - of een groot deel daarvan - van andere theaters betrokken.

Natuurlijk werden er ook producties geïmporteerd, en dat gebeurt trouwens nog steeds, ook door DNO, bijvoorbeeld de producties van La traviata en Denis & Katya die wij onlangs in Amsterdam zagen. In de 25 jaar voorafgaand aan de opening van Het Muziektheater hebben zowel DNO als de Reisopera (voorheen Opera Forum) en Opera Zuid (voorheen de Zuid-Nederlandse Opera) echter het overgrote deel zelf geproduceerd. Ten dele moest dat ook wel gezien het aanzienlijke aantal opdrachtwerken en wereldpremières. En daarbij mag zeker vermeld worden dat deze drie gezelschappen samen ongeveer 400 voorstellingen per jaar gaven!

Workshops
Inderdaad beschikte DNO tot 1986 niet over een eigen theater, maar eigen 'workshops' in de vorm van repetitieruimtes, decor- en kostuumateliers waren er wel degelijk. Tot 1974 waren die verspreid over de stad, maar in 1974, kreeg DNO de beschikking over het Van Nispenhuis waar repetitieruimtes, kostuum- rekwisieten-, kap-, en grime- en belichting-ateliers werden ondergebracht. (De eerste productie die daar van de grond kwam was La traviata in de regie van Tito Capobianco met Sonja Poot in de hoofdrol.)

Na de brand van 1977 in het Van Nispenhuis verhuisden de kantoren en enkele ateliers naar de Korte Leidsedwarsstraat waar ook een grote repetitieruimte was. De kostuumafdeling ging naar de Gilles van van Ledenberghstraat in Amsterdam West en tot de overgang naar de Bijlmer was het decoratelier gevestigd in Badhoevedorp/Lijnden. Al die tijd repeteerde het koor in de koorzaal van de Stadsschouwburg, terwijl voor producties met een groter koor werd uitgeweken naar de Doopsgezinde kerk op het Singel.

Dat voor zo'n constructie een goede organisatie en een perfect spoorboekje nodig waren, spreekt vanzelf, zeker als we ook nog in aanmerking nemen dat er (met verschillende orkesten!) per jaar circa 200 voorstellingen werden gegeven. Buiten Amsterdam trad DNO namelijk ook nog op in Rotterdam, Utrecht, Nijmegen, Eindhoven, Tilburg, Groningen, Breda, Heerlen en natuurlijk Scheveningen, waar het Circustheater de basis werd voor de laatste repetitieperiode en de aansluitende première. En die producties met spraakmakende en nog altijd legendarische ensceneringen van Götz Friedrich, Tito Capobianco en Harry Kupfer, waren bepaald niet van inferieure kwaliteit! Bovendien had DNO in die tijd een zeer actieve Operastudio die ook nog eens het hele land doorreisde met kleine producties en daarbij vaak een ander publiek en vaak ook jonger publiek bereikte zonder dat daar zoveel extra moeite voor werd gedaan.

Vóór DNO
De problemen van DNO onder Hans de Roo lagen in het verlengde van die van de oude Nederlandse Opera, na de oorlog in het leven geroepen, actief tot 1965 en nog een echt ensemblegezelschap met een eigen orkest. Dat gezelschap produceerde echt bijna alle voorstellingen zelf, vaak met Nederlandse regisseurs en ontwerpers, maar ook met vooraanstaande buitenlandse gasten. En ook toen stond er regelmatig een (zelf geproduceerde) nieuwe opera op het repertoire.

De periode vóór de oorlog geeft eenzelfde beeld, zij het met minder wereldpremières. Zowel de Nederlandse als de in ons land gevestigde buitenlandse gezelschappen produceerden er lustig oplos, voorzover daarvoor althans de financiële armslag aanwezig was. Voor de door Cav. De Hondt in 1897 opgerichte Opera Italiana was het een moeizame zaak die noodde tot veel improviseren, maar onder zijn opvolger Arturo Borin beleefde het gezelschap (met ruim 250 werknemers) een bloeiperiode. Juist vanwege het productieproces, waarin vooral regisseur Charles Moor een grote rol speelde, werd de zetel zelfs verplaatst naar het Gebouw voor Kunsten & Wetenschappen in Den Haag, dat meer als 'eigen huis' kon dienen dan Theater Carré in Amsterdam.

In datzelfde Den Haag was trouwens van circa 1670 tot 1920 het Théâtre Français gevestigd dat in de 18de eeuw beschikte over een eigen theater in de Casuariestraat. Na de komst van koning Lodewijk Napoleon verhuisde het naar de huidige Koninklijke Schouwburg, waar het gezelschap tot zijn opheffing heer en meester was. Wat daar in een eeuw tijd aan spraakmakende producties op het toneel kwam, is niet in een paar woorden te beschrijven, maar gelukkig ontbreekt het in dit geval niet aan documentatie.

Andere gezelschappen - en dat waren er heel wat in de 18de en 19de eeuw - brachten eveneens menige opera uit in eigen producties. Misschien verdient het aanbeveling om af en toe eens door de diverse naslagwerken en jubileumboeken te bladeren. U kunt dan alleen maar grote bewondering krijgen voor wat de Nederlandse operagezelschappen in de periode vóór 1986 allemaal hebben gepresteerd - veelal zonder eigen theater en met heel veel minder subsidie!

Strauss' Elektra in de regie van Harry Kupfer, originele productie van de Nederlandse Operastichting (DNO) die daarna in een nieuwe versie jaren lang op het repertoire van de Weense Staatsopera heeft gestaan. 

Open letter to Sophie de Lint

Dear Sophie,

About ten days ago I reacted to a strange statement by Pierre Audi who claimed that there was 'nothing' in the Netherlands before his arrival. (click here) During a press conference in the context of the Opera Forward Festival, you said something that surprised me just as much, namely that DNO had become - after the opening of Het Muziektheater - the first 'producing opera company' in the Netherlands. `

Indeed, there are companies that do not make any production themselves and buy of borrow every production from other theatres (for instance the Liceu in Barcelona), but ALL Dutch opera companies after the war have been 'producing companies', producing the majority of their productions themselves. The same goes for the resident companies from before the war. Only the companies that limited themselves to a short series of performances, whether or not in the context of a festival, may have obtained all their productions - or a large part of them - from other theatres.

Of course, some productions were imported too, and that still happens, by the way, also by DNO, for example the productions of La traviata and Denis & Katya that we recently saw in Amsterdam. However, in the 25 years prior to the opening of Het Muziektheater, DNO as well as the Reisopera (formerly Opera Forum) and Opera Zuid (formerly the Zuid-Nederlandse Opera) produced the vast majority themselves. In part, this was also necessary in view of the considerable number of commissioned works and world premieres. And it should certainly be mentioned that these three companies together gave about 400 performances a year!

Workshops
Indeed, DNO did not have its own theatre until 1986, but it certainly had its own 'workshops' in the form of rehearsal rooms, set and costume studios. Until 1974, these were scattered throughout the city, but in 1974, DNO acquired the Van Nispenhuis, which housed rehearsal rooms, costume props, hairdressing, make-up and lighting studios. (The first production to get off the ground there was La traviata , directed by Tito Capobianco, with Sonja Poot in the lead role.)

After the 1977 fire in the Van Nispenhuis, the offices and a few studios moved to Korte Leidsedwarsstraat, which also contained a large rehearsal space. The costume department went to the Gilles van van Ledenberghstraat in Amsterdam West and until the transition to the Bijlmer the decor studio was located in Badhoevedorp/Lijnden. All that time, the choir rehearsed in the choir hall of the Stadsschouwburg, while for productions with a larger choir, it moved to the Doopsgezinde Kerk on the Singel.

It goes without saying that such a construction required good organization and a perfect timetable, especially if we also take into account that approximately 200 yearly performances were given (with different orchestras!). Outside of Amsterdam, DNO also performed in Rotterdam, Utrecht, Nijmegen, Eindhoven, Tilburg, Groningen, Breda, Heerlen and of course Scheveningen, where the Circustheater became the basis for the final rehearsal period and the subsequent premiere. And those productions with high-profile and unforgettable stagings by Götz Friedrich, Tito Capobianco and Harry Kupfer were certainly not of inferior quality! Moreover, at that time DNO had a very active Opera Studio that also traveled throughout the country with small productions, often reaching a different (and younger!) audience without so much extra effort being made.

Before DNO
The problems of DNO under Hans de Roo were a continuation of those of the old Dutch Opera, which was established after the war, active until 1965 and still a real ensemble company with its own orchestra. That company produced almost all performances themselves, often with Dutch directors and designers, but also with prominent foreign guests. And even then there was regularly a (self-produced) new opera in the repertoire.

The period before the war paints a similar picture, albeit with fewer world premieres. Both the Dutch and the foreign companies established in our country also produced new productions, at least insofar as there was the financial scope for doing so. For the Opera Italiana, founded in 1897 by Cav. De Hondt, it became a difficult business that required a great deal of improvisation, but under his successor Arturo Borin the company (with more than 250 employees) experienced a flourishing period. Precisely because of the production process, in which director Charles Moor in particular played a major role, the seat was even moved to the Gebouw voor K&W in The Hague, which could serve more as 'own home' than Theater Carré in Amsterdam.

From about 1700 until 1920 The Hague also housed The Théâtre Français, that initially had its own theater in the Casuariestraat. After the arrival of King Louis Napoleon it moved to the current Koninklijke Schouwburg, where the company was lord and master until its dissolution. It is impossible to describe in a few words the amount of high-profile productions that came on the scene during this period, but in this case fortunately there is no shortage of documentation.

Other companies - and there were quite a few in the 18th and 19th centuries - also presented many operas in their own production. I cannot blame you that do not know all the historical ins and outs, but it may be advisable to occasionally browse through the various reference works and anniversary books. Doing so you can only admire what the Dutch opera companies in the period before 1986 have achieved - mostly without their own theatre and with a lot less subsidy!


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links