Opera & Operette

Eerbetoon van Jansons aan Poesjkin

 

© Paul Korenhof, juni 2010

 

Tsjaikovski: Jevgeni Onegin

Krassimira Stoyanova (Tatjana), Elena Maximova (Olga), Olga Sanova (Mme Larina), Nina Romanova (Filipjevna), Andrej Dunaev (Ljenski), Bo Skovhus (Onegin), Mikhail Petrenko (Gremin),
Guy de Mey (M. Triquet).
Koninklijk Concertgebouworkest
Dirigent: Mariss Jansons
Regie: Stefan Herheim
Decor: Philipp Fürhofer
Kostuums: Gesine Völim
Volgende voorstellingen: 18, 20, 23, 26 en 28 juni, 1, 4, 7 en 10 juli (Het Muziektheater, Amsterdam)
Uitzending via Radio 4, Mezzo: 23 juni
'Opera in het park': Oosterpark, 23 juni www.dno.nl/operainhetpark

 

Mariss Jansons betreedt zo onopvallend mogelijk de orkestbak terwijl de laatste bezoekers nog binnenkomen (onder hen bij de première koningin Beatrix) en op het toneel zien we de lobby van een majestueus hotel waar mensen in avondkleding uit moderne liften komen. Uit luidsprekers achter het toneel klinkt plotseling de polonaise uit de laatste akte van Jevgeni Onegin. Een eenzame man op het toneel, vermoedelijk Onegin, ziet een vrouw in een rode avondjurk aan de arm van haar echtgenoot binnenkomen en raakt merkbaar van zijn stuk, en hetzelfde gebeurt met de vrouw in de rode jurk (Tatjana dus). Dan heft Jansons zijn stukje en geeft de inzet van de Prélude.

Scène uit Jevgeni Onegin met Bo Skovhus (Onegin), Olga Savova (Larina) en Nina Romanova (Filipjevna). (Foto: Forster/DNO)

Stefan Herheim
Intussen is het midden van het toneel al die tijd gedomineerd door een gigantische glazen doos, een toneel op het toneel, waarvan de wanden bij de eerste klanken van het orkest openschuiven. Daar begint regisseur Stefan Herheim de opera zelf als een flashback van Tatjana, waarbij hij overigens heel vrij omspringt met de tijd. Evenals bij zijn productie van Parsifal in Bayreuth (klik hier) smeert hij de handeling uit over een lange periode die hem de kans bidet op historische vergezichten. Vanuit het heden zoals dat getoond wordt in de laatste twee taferelen (waarop hij met zijn 'proloogje' een voorschot nam) gaat hij terug naar Poesjkins tijd voor de scènes bij Madame Larina. Met de opkomst van Monsieur Triquet tijdens Tatjana's verjaarsfeest grijpt hij zelfs terug op het Parijs van de 18de eeuw, een atmosfeer die we automatisch associëren met de oude gravin in Pikovaja Dama, een andere opera van Tsjaikovski naar een gegeven van Poesjkin.

Historisch prentenboek
Helaas gaan de verwijzingen die Herheim vooral in de koorscènes geeft naar het Russische verleden, ten koste van de dramatische samenhang. Ondanks de typisch 'Russische sfeer' van het landleven in de eerste twee bedrijven is Jevgeni Onegin te veel een werk over individuen en hun individuele emoties om hun belevenissen te kunnen gebruiken voor een geheel in beeldtaal vervat onderzoek van de Russische geschiedenis.
De anachronistische uitdossing van Monsieur Triquet is misschien nog wel een leuke knipoog, maar het optreden van de Russische beer in datzelfde tafereel werkt tegelijk storend en lachwekkend, en met het plotselinge binnenvallen van het Rode Leger om Ljenski bij te staan in zijn verontwaardiging en later ook bij het duel, werkt de historisering 'over de top'. Dat geldt in nog sterkere mate voor de optocht van historische Russische personages in het laatste bedrijf, variërend van Boris Godoenov tot de astronaut Joeri Gagarin en met atleten, soldaten en allerlei symbolische zoals we die kennen van prentbriefkaarten en postzegels uit de hoogtijdagen van het communisme. Jammer bovendien dat die optocht de fraai gezongen aria van Vorst Gremin (de bas Mikhail Petrenko) bijna volledig uit de aandacht wegdrukt.

Scène uit Jevgeni Onegin met Krassimira Stoyanova (Tatjana) en het koor van De Nederlandse Opera. (Foto: Forster/DNO)

Geobsedeerd
Ondertussen komt de persoonlijke tragedie van Tatjana dankzij een vocaal en scenisch krachtige vertolking met grote kracht over. Zij portretteert een Tatjana die dermate geobsedeerd is door Onegin, dat hij constant op haar netvlies aanwezig is - en in de regie van Herheim ook op het toneel. In haar fascinatie staat zij overigens niet alleen. Haar moeder, Madame Larina, projecteert op hem haar eigen jeugddromen en ook haar zusje Olga (door Elena Maximova niet met al te veel vocale verfijning uitgebeeld) kan zich niet onttrekken aan de uitstraling van de vreemdeling. In het tweede bedrijf leidt dat tot een ietwat sterkere confrontatie dan meestal het geval is. Dat effect wordt nog versterkt doordat Andrej Dunaev met een mengsel van lyriek en dramatiek de dichter Ljenski neerzet als een opgewonden standje met politieke connecties.
Vanaf de duelscène verplaatst de aandacht zich naar Onegin, overtuigend neergezet door de Deense bariton Bo Skovhus, maar vocaal niet altijd met de lyrische verfijning die bij zijn rol past. Zijn vriendschap met Ljenski spat uiteen en hoewel Tatjana nog steeds van hem houdt, kiest zij voor de verplichtingen die haar binden aan haar echtgenoot, een scène die zich bij Herheim afspeelt voor de ogen van zowel haar echtgenoot en 'hun wereldje', waardoor Onegin aan het slot niet alleen ten prooi valt aan teleurstelling, maar ook aan maatschappelijke vernedering. Ook hier plaatst de regie de personages dus in een groter maatschappelijk kader, en dat lijkt toch enigszins in strijd met de intenties van de componist, die zijn grandioze slotscène juist opbouwt als de ultieme confrontatie van Onegin en Tatjana waarbij de hele verdere wereld buitengesloten lijkt.

Mariss Jansons
Hoe fascinerend de productie van Herheim op sommige momenten ook was, toch stond van de eerste tot de laatste noot de muziek volledig in het centrum. Dat kon ook moeilijk anders met het magistrale spel van Mariss Jansons en het Koninklijk Concertgebouworkest. Jansons' sterk gevoel voor muziekdrama is bekend, ondanks zijn sporadische optredens in het theater, maar daarnaast is het goed om ook even terug te denken aan zijn doorbraak naar internationale faam, toen hij in de jaren tachtig van de vorige eeuw met het Philharmonisch Orkest van Oslo voor het label Chandos een spraakmakende en opvallend 'onromantische' Tsjaikovski-cyclus opnam. In deze Jevgeni Onegin, eveneens ontdaan van ieder spoor van zoetelijkheid of sentimentaliteit, overtreft hij zichzelf in een benadering vol fatalistische ondertonen, waarbij hij keer op keer voorrang lijkt te geven aan donkerder strijkersklanken en markant gekleurde blazers. Dit is een Jevgeni Onegin die de psychologie van Poesjkin's versroman een centrale plaats in de orkestklank toekent.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links