Componisten/werken

Kierkegaard en Mozarts Don Giovanni (9)

 

© Gerard van der Leeuw, april 2024

 

Wat de filosofen zeggen over de werkelijkheid is vaak even teleurstellend als wanneer je bij een uitdrager op een bord leest: hier wordt gemangeld. Als je met je wasgoed zou komen om het te laten mangelen, dan zou je op je neus kijken want wat te koop staat is het bordje.’
(Søren Kierkegaard, Of-Of)

Nog twee keer cirkelen we om ons onderwerp heen en wel eerst middels de Tsjechische pragmatische filosoof, schrijver, journalist, vertaler en tekenaar Karel Čapek (1890-1938).

Karel Čapek: Nederlandse non op de fiets uit: Obrázky z Holandska

In 1932 schreef Karel C apek zijn Zpov ed Dona Juana , door Kees Merx als De biecht van Don Juan in prachtig Nederlands vertaald. Het verhaal begint met de laconieke mededeling dat Doña Elvira gewroken en Don Juan Tenorio levensgevaarlijk gewond is en op sterven ligt. Leporello gaat een pastoor halen.

‘Zo gebeurde het dat Padre Jacinto bij Don Juan aan het voeteneinde plaatsnam en wachtte totdat de patiënt tot bewustzijn kwam; intussen bad hij voor diens notoir zondige ziel. Als het mij toch eens zou lukken die aartszondaar te redden, dacht de brave pater bij zichzelf; die lijkt behoorlijk op zijn falie te hebben gekregen… misschien breekt het zijn verwaandheid en brengt het zijn geest in een toestand van berouwvolle inkeer. Dat overkomt niet iedereen dat hij zo'n beruchte en gewetenloze rokkenjager in handen krijgt; tsjonge, zo'n zeldzaam geval heeft misschien de bisschop van Burgos niet eens gehad. De mensen zullen nog fluisteren: Kijk, daar heb je Padre Jacinto, de man die de ziel van Don Juan heeft gered…'

Don Giovanni begint schuldbewust aan zijn biecht, maar over zijn veroveringen zwijgt hij als het graf: ‘Vader, ik heb u al gezegd, … dat ik aan het einde van mijn verhaal ben. Op mijn erewoord, ik heb u verder niets meer te vertellen.’ Padre Jacinto roept ten einde raad de hulp in van Don Ildefonso S.J.

‘Tja, het zit namelijk zo,' bracht de getergde Padre Jacinto ten slotte met moeite uit. ‘We hebben hier een zware zondaar die op sterven ligt. U moet weten, Don Ildefonso, het is die onzalige Don Juan Tenorio. Hij had hier een of andere affaire, een duel of zo... ik heb hem de biecht afgenomen. Eerst ging het van een leien dakje; keurig biechtte hij alles op, wat waar is, is waar; maar toen het zesde gebod aan de orde kwam... niets meer, geen woord kon ik uit hem krijgen. Hij zou me niets te zeggen hebben! Heilige Maagd Maria, wat een schurk! Wanneer ik bedenk dat hij de grootste rokkenjager is van beide Castiliës... hij heeft zijn gelijke niet in Valencia, noch in Cádiz, wordt beweerd. Ze zeggen dat hij de laatste jaren zeshonderdzevenennegentig meisjes heeft verleid; daarvan gingen er honderddertien het klooster in, zo'n vijftig werden er door vaders of echtgenoten in rechtvaardige razernij gedood en ongeveer hetzelfde aantal stierf van smart aan een gebroken hart.'

En terwijl Padre Jacinto denkt dat hier de duivel in het spel is, begrijpt Don Ildefonso er heel wat meer van. Hij gaat als rechtgeaard biechtvader subtiel te werk:

‘Don Juan,' ving Don Ildefonso bijna luchthartig aan, ‘al lang geleden heb ik van u gehoord; ik dacht steeds: waarom stort u zich eigenlijk zo van de ene vrouw op de andere, van de ene liefde in de andere; waarom kunt u niet in die toestand van voldaanheid en kalmte blijven die door ons stervelingen geluk genoemd wordt...?'
Don Juan liet in een pijnlijke grimas zijn tanden zien. ‘Van de ene liefde in de andere,' hervatte Don Ildefonso kalm. ‘Alsof u steeds iemand - en kennelijk uzelf - ervan wilt overtuigen dat u, Don Juan, de liefde waard bent, dat u een man bent die door vrouwen wordt begeerd..., arme stakker!' …
‘En intussen,' sprak de priester vriendschappelijk, ‘bent u nooit echt een man geweest, Don Juan; alleen in uw geest was u een man en die geest schaamde zich, señor, en probeerde zich wanhopig te verbergen, omdat de natuur u niet datgene heeft geschonken waarmee elk levend wezen is begiftigd…' Van het ledikant klonk een jongensachtig gejammer. ‘Zodoende hebt u, Don Juan, sinds uw jeugd alleen voor man gespeeld; u deed zo waanzinnig flink, avontuurlijk, hoogmoedig en praalziek om dat vernederende gevoel in u te overwinnen dat anderen beter en mannelijker zijn dan u; maar dat was een leugen en daarom hebt u volstrekt onnodig het ene bewijs na het andere willen leveren; maar niet één kon bevredigend voor u zijn, want het was een geveinsd en mager bewijs... u hebt niet één vrouw verleid, Don Juan. U hebt de liefde nooit gekend en u hebt alleen maar koortsachtig geprobeerd elke begeerlijke en hoogstaande vrouw die u ook maar tegenkwam, te betoveren met een geest, ridderlijkheid en hartstochtelijkheid die u uzelf hebt aangepraat; dat ging allemaal perfect, omdat u dat speelde.
En wanneer het ogenblik kwam dat de knieën van een vrouw onder haar begonnen te knikken..., dan moet het voor u een bezoeking zijn geweest, Don Juan, want op dat moment voelde u die vervloekte hoogmoed van u en tegelijk uw ergste vernedering
. U moest zich dan losrukken uit een omarming die u met gevaar voor eigen leven had afgedwongen, en u moest wegrennen, arme Don, wegrennen uit de armen van een net overmeesterde vrouw, en dat nog met een prachtige leugen op uw onweerstaanbare lippen. Dat moet een hel zijn geweest, meneer Juan.' De gewonde draaide zijn hoofd naar de muur en weende.'

Prachtig het slot:

Don Ildefonso stond op. ‘Arme stakker,' zei hij, ‘u hebt zich daarvoor zo geschaamd dat u dit ook niet aan de heilige biecht hebt kunnen toevertrouwen. Ziezo, nu is het afgehandeld, maar ik mag Padre Jacinto geen boeteling ontnemen.' Hij liet de pastoor halen; en toen pater Jacinto kwam, sprak Don Ildefonso tot hem: ‘Kijk eens, padre, hij heeft alles bekend en hij heeft geweend. Zijn berouw is boven elke twijfel deemoedig; wellicht kunnen we hem absolutie geven.'

***

‘Sermons he read, and lectures he endured,
And homilies, and lives of all the saints;
To Jerome and to Chrysostom inured,
He did not take such studies for restraints;
But how faith is acquired, and then ensured,
So well not one of the aforesaid paints
As Saint Augustine in his fine Confessions,
Which make the reader envy his transgressions.'

Lord Byron: uit Don Juan (1819-1824)

Klik hier voor de vorige aflevering.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links