Componisten/werken

Kent u Christoph Graupner? (8)

 

© Gerard van der Leeuw, februari 2022

 

Als u deze serie tot nu toe gevolgd heeft, weet u dat Graupner zijn loopbaan is begonnen als operacomponist in Hamburg. Net 23 jaar oud kwam hij in 1706 als klavecinist aan de Oper am Gänsemarkt, het grootste en belangrijkste operahuis van dat moment. Hij viel met zijn neus in de boter. Hier werkten componisten als Reinhard Keiser, Johann Mattheson en Georg Friedrich Händel, die overigens kort voor Graupners komst naar Italië was vertrokken. Tussen 1706 en 1709, het jaar waarop hij naar Darmstadt vertrok schreef Graupner voor Hamburg vijf opera’s: Dido, Königin von Carthago; Bellerophon, oder: Das in die Preußische Krone verwandelte Wagen-Gestirn (muziek verloren); L’Amore Ammalato, Die kranckende Liebe, oder: Antiochus und Stratonica; Il Fido Amico. oder: Der getreue Freund Hercules und Theseus (muziek verloren) en Der Fall des großen Richters in Israel Simson, oder: Die abgekühlte Liebes Rache der Debora (muziek verloren).

Op CPO verscheen onlangs een werkelijk schitterende opname van L’Amore Ammalato, Die kranckende Liebe, oder: Antiochus und Stratonica op een libretto van de uiterst interessante dichter, satiricus en theoreticus Barthold Feind (1678-1721), die, om maar iets te noemen Jacob Cats in het Duits vertaalde. (1) Zijn Gedancken von der Opera zijn onmisbaar voor een goed begrip van de Duitse opera van zijn tijd. (2)

Het is het verhaal van Stratonice, de dochter van de Macedonische koning Demetrius die gehuwd was met de stichter van het Seleucidische Rijk, Seleucos, een van de diadochen van Alexander de Grote. Zijn zoon Antiochus werd ziekmakend verliefd op Stratonice, zijn schoonmoeder. Dermate zelfs dat zijn vader besloot hem haar tot vrouw te geven.

Een aantal schilders heeft zich met dit onderwerp bezig gehouden, waaronder Antonio Bellucci, Theodoor van Thulden, Gerard de Lairesse, Johann Heinrich Schönfeld en Jean Auguste-Dominique Ingres. Latere componisten met een opera over Stratonice zijn o.a. Gaetano Maria Schiassi (Ravenna 1732) en Étienne Nicolas Méhul (Parijs, 1792). Uit het voorwoord van librettist Barthold Feind:

Vergeten wij niet dat Feind in Wittenberg en Halle rechten had gestudeerd: hij moet de werken van Hugo de Groot (Grotius) (1583–1645), Samuel Freiherr von Pufendorf (1632–1694) en Christian Thomasius (1655–1728), allen rechtsgeleerden, gekend hebben. Het ‘Scheusahl’ van Agrippina is de latere keizer Nero en de hier genoemde Don Carlos de uiterst populaire, later door Schiller grondig bestudeerde roman Dom Carlos (Amsterdam, 1672) van César Vichard de Saint-Réal (1639–1692).

Feind heeft aan het verhaal nog een tweede liefdesgeschiedenis toegevoegd: de liefde van de Perzische prinses en tovenares Mirtenia voor de met Elenia getrouwde koninklijke schatmeester Demetrius. De in Hamburg zeer geliefde rol van komische dienaar wordt vervuld door Negrodorus, die er vrolijk op los leeft. Als hij achterna gezeten wordt door een door de toverkunsten van Mirtenia opgeroepen vuurspuwende draak roept hij uit:

'Verbrennt mich denn nun gar nicht hier,
Wie wolt hinführo wohl die Opera bestehn,
Wenn Negrodorus sollt in Flammen untergehn?
Ach Gnade Monsieur Drach!'

En als er dan ook nog een enorme reus verschijnt mompelt hij in
een terzijde:

'(Ja nun beginnen gar die Hosen schon zu krachen,
Als wenn ich aus den Nieder-Landen wär.)'

Ze zullen er in Hamburg om gegniffeld hebben!
Graupner schreef, zo jong als hij was, een meesterwerk. In de
woorden van organist/componist Jörg Jacobi:

‘Graupner, schon damals ein Meister der sanften und fein abgestimmten Instrumentalfarben, bietet den Hörern einen schier unerschöpflichen Vorrat an immer neuen Klangerfindungen.
Das große Orchester der Hamburger Oper (mit offenbar zahlreichen Spielern die mehrere Instrumente beherrschten) ermöglicht ihm, die großen Arien immer wieder neu zu Besetzen. Dabei sind natürlich die Hauptrollen besonders hervorgehoben. Die ‘magischen’ Arien der in der Magie erfahrenen persianischen Princessin Mirtenia sind hörbar betörend und die Sinne verwirrend. Insbesondere La bellezza senza fortezza (Die Schönheit ohne Stärcke) wirkt mit den hypnotischen Tonwiederholungen, dem dunkel timbrierten Bratschensolo und den aufflackernden Bassläufen wie ein Psychogram von allem was magisch ist und dazu dienen kann jemanden in sich verliebt zu machen.
Das dunkle Bratschensolo kehrt mit anderer Funktion wieder in einer der Arien, die Antiochus zu singen hat: Ja, hochgekränckter Geist. Hier ist das Instrument in ein Spiel von Totenglocken durch Streicherpizzicati und drei Blockflöten eingebunden, denn der Tod ist, was Antiochus sich wünscht. Graupner verzichtet hier auf das übliche Da Capo und beendet sie mit einer Art Choral ...Schlaf in Frieden.’

En wat te denken van de inleidende woorden van Stephen Stubbs en Paul O’Dette:

‘One of the most striking aspects of this score, beyond its beauty, richness, and variety, is the emotional atmosphere that often takes it out of the usual operatic arena and crosses over into territory more associated with oratorio. In particular, the sufferings of Antiochus call forth from Graupner a quasi-religious response. Several of his arias would not be at all out of place in a Bach Passion – even though Bach’s Passions were twenty years in the future, Graupner’s advanced harmonic sensibilities make the similarity plausible.'

Geheel volgens de Hamburgse traditie wordt er in twee talen gezongen: een aantal aria’s gaat in het Italiaans.

Omdat Graupners partituur niet de in het libretto voorgeschreven dansen bevat (dat is in veel Duitse opera’s uit deze tijd het geval) zijn die gekozen uit de vele suites van Graupner. De opera eindigt heel Frans met een chaconne. Met deze schitterende opname zet CPO de uiterst succesvolle samenwerking met het Boston Early Music Festival voort. Eerdere opnames betroffen werk van o.a. Lully, Charpentier, de Lalande, Blow, Händel en de Matthäus-Passion van Johann Sebastiani. Een apart BRAVO verdient het 160 pagina’s dikke tweetalige cd boekje, dat niet alleen het complete libretto bevat, maar ook de biografieën van alle medewerkenden, foto’s en de hier geciteerde inleidingen.

 

Christoph Graupner: Antiochus und Stratonica

Christian Immler (Antiochus)
Hana Blažíková (Stratonica)
Harry van der Kamp(Seleucus)
Sunhae Im, (Mirtenia)
Sherezade Panthaki (Ellenia)
Aaron Sheehan (Demetrius)
Jesse Blumberg (Hesychius en priester)
Jan Kobow (Negrodorus)
Karlina Hogrefe (Flavia)
Kim Kavanagh (Medor)
Capella Ansgarii
Boston Early Music Festival Orchestra
Dirigenten: Paul O’Dette en Stephen Stubbs
CPO 555 369-2 • 73' + 73' + 78' • (3 cd's)
Opname: 23 januari - 2 februari 2020, Sendesaal, Bremen

Naar deel 1 / 2 / 3 / 4 / 5 / 6 / 7 / 9 / 10 / 11

______________
(1) Zie zijn: Des unvergleichlichen holländischen Des unvergleichlichen holländischen Poëten Jacob Cats. Sinnreiche
Wercke und Gedichte, aus dem Niederländischen übersetzet
. 4 Tle. (Hamburg: Thomas von Wierings Erben u. Franckfurt u. Leipzig: Zacharias Hertel, 1710–12).
(2) Zie ook: D.M. Hsu: ‘Barthold Feind's Gedanken von der Oper: an Early Eighteenth-Century View of Drama and Music’, in: Festival essays for Pauline Aldermann, ed. B.L. Karson and others (Brigham Young University Press, 1976), 127–34


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links