Componisten/werken

45 jaar na 'Op reis door 't land van Bruckner'

 

© Gerco Schaap, augustus 2019
(foto's van de auteur, tenzij anders vermeld)

 

In de geschriften over Anton Bruckner komt men herhaaldelijk de opmerking tegen, dat men zijn geboorteland Boven-Oostenrijk uit eigen aanschouwing moet hebben leren kennen om de sfeer van zijn muziek volledig te kunnen aanvoelen en er de onverschrokken architectuur van te kunnen begrijpen.

 
  Omslag van Mens & Melodie, augustus 1970, met een impressie van Toni Hofer van de Stiftskirche in Sankt Florian

Zo begint muziekpublicist Wouter Paap (1908-1981) zijn artikel ‘Een reis door Brucknerland' in Mens & Melodie van augustus 1970. Hij schreef het naar aanleiding van een hernieuwd bezoek aan Opper-Oostenrijk, 35 jaar nadat hij er voor het eerst geweest was ter voorbereiding van zijn boek Anton Bruckner - Zijn land, zijn leven en zijn kunst, uitgegeven in 1936 door De Gemeenschap in Bilthoven.

In 1973 kwam Anton Bruckner op mijn pad door twee intrigerende fragmenten op de promotie-lp Momentopnamen uit Phonograms Klassieke Najaarsaanbieding: een stukje van het Scherzo uit de Eerste Symfonie en een hoogtepunt uit het Adagio van de Negende. Beide uitgevoerd door het Concertgebouworkest onder Bernard Haitink. Al snel lag de complete uitvoering van de Eerste – dankzij de plaatselijke uitleendiscotheek – op onze draaitafel en raakte ik in de ban van Bruckners ‘keckes Beserl'. Het was de tijd waarin Cornelis van Zwol in Luister zijn artikelenreeks ‘Op reis door 't land van Bruckner' publiceerde, in 1974 uitgegeven als brochure en nu een collectors item. Door de jaren heen maakte ik kennis met de ene na de andere Bruckner-symfonie, zijn koorwerken, het Te Deum, het Strijkkwintet en een handjevol orgelwerken. Als orgelliefhebber juichte ik het bewerken van symfoniedelen voor orgel toe omdat er maar zo weinig ‘echte' orgelwerken van hem bestonden. Van Zwols brochure gaf mij meer inzicht in Bruckners leven en Umwelt dan de nogal afstandelijk geschreven biografie uit 1993 van Jos van Leeuwen uit de Gottmer Componistenreeks (om maar te zwijgen over de praktisch onleesbare biografie van Norbert Loeser uit 1948).

Twee gebeurtenissen in het jaar 2012 zorgden voor een opleving van mijn interesse in Bruckner: de verschijning van de omvangrijke Bruckner-biografie van Cornelis van Zwol (hier besproken door Maarten Brandt) en twee lezingen in het Amsterdamse Orgelpark over ‘Anton Bruckner, de symfonische kathedralenbouwer' (Herman Jeurissen) en ‘De orgelimprovisaties van Anton Bruckner' (Peter Planyavsky). De lezingen zijn geboekstaafd in een Research Report, met links naar op orgel gespeelde muziekvoorbeelden, dat hier is te downloaden. Naar aanleiding van publicaties als deze én het bijwonen van enkele onvergetelijke uitvoeringen van de symfonieën 5, 8 en 9 (resp. onder leiding van Nikolaus Harnoncourt, Bernard Haitink en Mariss Jansons) groeide bij mij de wens om het advies van Wouter Paap op te volgen en de omgeving te verkennen waarin Bruckners meesterwerken ontstonden. Die wens ging in vervulling in september 2018, de maand waarin traditiegetrouw het Brucknerfest Linz plaatsvindt. Vijf dagen mocht ik op het Augustiner Chorherrenstift in Sankt Florian verblijven, en daarna nog enkele dagen in Bruckners geboorteplaats Ansfelden. Mijn verslag van deze reis heeft niet de pretentie nieuwe feiten over Bruckner of zijn muziek aan te dragen; het is eerder een poging de fascinatie van een gematigde Bruckneriaan op de lezer over te brengen.

 
  In 1974 werd Cornelis van Zwols artikelenserie ‘Op reis door 't land van Bruckner' door maandblad Luister gebundeld en uitgegeven. Inmiddels een gewild collector's item

In mijn reistas uiteraard de biografieën van Van Zwol en Hans-Huber Schönzeler, de eerdergenoemde brochure Op reis door 't land van Bruckner, het boekje Die Orgelwelt um Anton Bruckner van Rudolf Quoika en de stadsplattegronden van Linz en Wenen. En een soundrecorder omdat ik me voorgenomen had om Stiftsorganist Klaus Sonnleitner (1970), een van de Chorherren van het Stift Sankt Florian, een interview af te nemen voor het maandblad De Orgelvriend.

Dag 1: aankomst in St. Florian
Na een reis van 950 kilometer, via Regensburg (overnachting) en Passau (bespeling van het reusachtige Domorgel) arriveer ik in ‘Markt St. Florian', zoals de plaats bij het Augustiner Chorherrenstift officieel heet. De auto kan zomaar op het pleintje voor de toegangspoort staan. De zon doet de witte kloostergebouwen scherp afsteken tegen de intens blauwe lucht. Ik ga op zoek naar Frau Engertsberger, die over de gastenverblijven van het klooster gaat. Tot mijn grote vreugde heeft zij mij eerder dit jaar de Brucknerzimmer toegewezen. Vijf dagen mag ik logeren in de kamer waar ook Bruckner verbleef in de jaren dat hij zijn vakanties in het klooster doorbracht en er aan zijn symfonieën werkte. Ik meld me in de Stiftskeller, waar het gastenrestaurant is gevestigd, en nadat ik mijn gegevens heb ingevuld brengt een rappe dame me naar de Prälatengang waaraan kamer 4, de Brucknerzimmer, is gelegen . Nadat ze de buiten- en binnendeur heeft ontsloten en me haastig de sleutel heeft overhandigd, valt mijn mond open van verbazing. Voor mij ligt een zaal, badend in de gouden glans van het namiddaglicht. Aan weerszijden van het raam staan bedden, halverwege de kamer een tafel met stoelen en tegen de linkerwand een zwierige ladenkast en een bureau dat ik herken van een oude interieurfoto. De kamer heeft een gewelfd plafond met stucwerk dat er nog hetzelfde uitziet als in Bruckners tijd en ook de oude krakende parketvloer moet nog uit zijn tijd zijn. Alleen de moderne badkamer rechts van de ingang getuigt van voortschrijdend comfort. Waar ik even aan moet wennen is het dodenmasker dat vanaf de tegenoverliggende wand, onder het kruisbeeld, op me neerkijkt.

Met enige aarzeling zet ik mijn spullen neer en open het raam. Door het traliewerk kijk ik links uit over het kloosterterrein en rechts over de begraafplaats. Ik zie wat Bruckner ook gezien moet hebben als hij uit dit raam keek. Ook in zijn tijd moet de zon zo uitbundig hebben geschenen.

Kamer 4 op de Prelatengang in Stift St. Florian, de ‘Brucknerzimmer'

De kok van de Stiftskeller blijkt met zijn tijd mee te gaan. Geen overdadige Brucknerplatte meer zoals bij mijn bezoek begin jaren '90 maar een lichte maaltijd met veel groente. Daarna is mijn eerste gang naar de Stiftskirche met haar barokke inrichting. Aan de westkant het vermaarde Brucknerorgel dat weliswaar zo wordt genoemd maar dat de componist in deze vorm niet heeft gekend. Ik besluit de avondmis mit gesungener Vesper in de Mariakapel bij te wonen . De psalmen en gezangen worden door de organist zowel vocaal als instrumentaal begeleid op het kleine, op instigatie van Bruckners broer Ignaz gebouwde orgel boven de ingang. Na afloop volgt de kennismaking met Stiftsorganist Klaus Sonnleitner en wordt de afspraak voor het interview gemaakt: morgen, na het ontbijt, op zijn kamer. Dat betekent dat de rest van de avond in het teken staat van de voorbereiding op het interview. Aan de tafel in de Brucknerzimmer. Tastbare inspiratie!

St. Florian, Stiftskirche, Marienkapelle met Mauracher-orgel (1903)

Dag 2: St. Florian – Stift Wilhering – Pulgarn
Het klokgelui waarmee de Chorherren driemaal daags worden opgeroepen tot het koorgebed galmt door de kloostergangen en streelt de oren. Het ontbijt in de Stiftskeller is ronduit vorstelijk. Het luidkeelse praten en lachen van een hier logerend gezelschap druist voor mijn gevoel nogal in tegen de contemplatieve sfeer die kloostergewelven oproepen.

De kamerdeur van ‘MMag Klaus Sonnleitner CanReg' staat op de afgesproken tijd al uitnodigend open. Hij heet mij hartelijk welkom. Van binnen ziet het vertrek er niet uit als dat van een sober levende kloosterling maar van iemand die midden in het leven staat, musiceert, studeert en oog heeft voor kunst en natuur. Ineens sta ik oog in oog met het pedaalharmonium van Anton Bruckner. Oorspronkelijk was dit het harmonium waarop Bruckner zijn leerlingen vanaf 1869 lesgaf op het Weense conservatorium van de Gesellschaft der Musikfreunde. Nadat keizer Franz Josef rond de jaarwisseling 1870-1871 het orgel van de oude opera aan de Gesellschaft der Musikfreunde had geschonken en de orgelleerlingen daar voortaan les op kregen, kocht Bruckner het harmonium om er thuis gebruik van te kunnen maken. Tot zijn dood heeft hij het bij zich gehouden en nog drie verhuizingen laten meemaken. In zijn sterfjaar vermaakte hij het aan de hem behandelende arts, Dr. Leopold Schrötter, die het liet restaureren. Schrötters erfgenamen schonken het aan het Stift Sankt Florian, waar het volgens Van Zwol “vele jaren vrij nutteloos heeft gestaan”. Nadat het instrument tussen 1968 en 1977 dienst deed als interim-orgel in de Basilika van Enns-Lorch, keerde het terug naar St. Florian waar het in de Brucknerzimmer werd geplaatst. Toen deze kamer werd voorzien van een inpandige badkamer, was er geen plaats meer voor en heeft Klaus Sonnleitner zich over het harmonium ontfermd.

Mmag. Klaus Sonnleitner aan Bruckners harmonium

De naam Klaus Sonnleitner was me bijgebleven van een fraaie cd van Edition Lade uit 1997 waarop hij en Kathinka Lorger het ‘Kaiserjubiläumsorgel' in de Stadtpfarrkirche St. Nikolaus in Bad Ischl bespelen. Behalve o.m. werken voor orgel-vierhandig van Adolph Hesse en Josef Labor speelt Sonnleitner daarop ook Festmusik naar een improvisatieschets van Bruckner (Ischl, 1890), bewerkt door Erwin Horn. De Festmusik geeft een reële indruk hoe Bruckner op orgel geïmproviseerd kan hebben, in dit geval over het thema uit de Finale van zijn Eerste Symfonie.

Nadat Sonnleitner zijn muzikale opleiding aan het Mozarteum in Salzburg in 1995 had afgesloten, ging hij theologie studeren en trad hij twee jaar later in het Chorherrenstift St. Florian in. In 2002 volgde zijn priesterwijding. Sinds 2006 is hij Stiftsorganist en werkt hij als kapelaan in de parochie Ebelsberg (bij Linz). Hij heeft de artistieke leiding over de concertseries op het Brucknerorgel en verzorgt als Gastmeister geestelijke begeleiding en retraites in het klooster.

Toen ik hem de avond tevoren ontmoette, was hij nog in ‘burgerkleren'. Vandaag ontvangt hij mij in toga. Hij poseert gewillig voor de camera en beantwoordt welwillend mijn vragen. (Het interview is hier te downloaden).

 
 
Het kleine orgel van Nikolaus Rumel der Ältere uit 1746

Tijdens het gesprek blijkt dat Sonnleitner diezelfde middag naar Stift Wilhering gaat om er het gerestaureerde orgel te prüfen. Daarna zal hij afreizen naar Pulgarn om daar in de oude kloosterkerk de avondmis te spelen – met oude orgelliteratuur – op het laatgotische orgel dat sinds 2015 in deze kerk staat en is gebouwd door de Nederlandse Orgelmakerij Reil uit Heerde. Dat komt mooi uit want ik had al over het instrument gehoord en wilde het graag zien en horen. Ik mag met hem meerijden en na een warme rit – het is nog hoogzomer in Oostenrijk – komen we aan bij de Cisterciënzerabdij Wilhering, waarvan het voorplein juist helemaal wordt gereconstrueerd. Het kleine Seitenorgel in deze kerk is bekend geworden van de plaatopnamen die organist Daniel Chorzempa er in 1972 maakte van Mozarts complete Kerksonates met de Deutsche Bachsolisten onder Helmut Winschermann.

‘Das Rokokojuwel Österreichs' wordt deze abdij genoemd, zo lezen we in Op reis door 't land van Bruckner, een hoogtepunt van Oostenrijks-Beierse bouwkunst. Het goud blinkt je tegemoet en van alle kanten komen de engelen en putti op je af. Het is bijna te veel voor een nuchtere Hollander! Het hoofdorgel werd in 1743 gebouwd door Nikolaus Rumel der Ältere. Daarvan bleef alleen de orgelkas met frontpijpen over toen Leopold Breinbauer er in 1884 een nieuw binnenwerk in bouwde. De Oberösterreichische Orgelbauanstalt restaureerde het in 1981 en onlangs heeft de firma Kuhn het opnieuw gerestaureerd. Het koororgel werd drie jaar na het hoofdorgel gebouwd, eveneens door Nikolaus Rumel, en is nog praktisch origineel. Je moet even klauteren om bij de klaviatuur te komen en we verwonderen ons erover dat Bruckner dit kleine orgel zo graag bespeelde. Maar: “wie dat instrument eenmaal heeft gehoord, zal zich die voorkeur helemaal kunnen voorstellen”, aldus Van Zwol. Toevalligerwijs is het vandaag zijn 83ste geboortedag.

Stiftskirche Zistercienzerstift Wilhering, hoofdorgel

Daarna rijden we naar het kloosterdorp Pulgarn. De tussen 1511 en 1514 gebouwde kerk staat onder supervisie van het augustijnenklooster St. Florian. Het initiatief om hier een nieuw orgel te bouwen ging uit van de Oostenrijkse organist, theoloog en musicoloog Rupert Gottfried Frieberger (1951-2016), Chorherr in het premonstratenzerklooster Schlägl. Het was zijn wens om in Oostenrijk een plaats voor studenten te creëren om oude muziek te kunnen studeren en uitvoeren. Een mooie locatie hiervoor werd gevonden in de voormalige kloosterkerk van Pulgarn. Frieberger onderhield warme banden met Orgelmakerij Reil en was zelf in de gelegenheid om de financiering van het orgel te organiseren. Bij de vervaardiging konden de orgelbouwers gebruikmaken van de kennis die zij opdeden bij de bouw van een replica van het Peter Gerritsz-orgel uit 1479 dat ooit in de Nicolaïkerk in Utrecht heeft gestaan en waarvan de kas in de Koorkerk van Middelburg hangt. Het binnenwerk ligt opgeslagen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De replica staat sinds 2011 in het Orgelpark te Amsterdam. Het orgel in Pulgarn werd op 30 oktober 2015 feestelijk in gebruik genomen met muziek uit de bouwtijd van de kerk, die daar waarschijnlijk voor het eerst in 500 jaar klonk.

De voormalige Kloosterkerk in Pulgarn met Reil-orgel (2015)

Van maart tot november wordt hier eens per maand een mis opgedragen door de abt van St. Florian, waarbij Klaus Sonnleitner passend repertoire op het orgel speelt of improviseert. Ik heb het geluk zo'n mis mee te maken en het orgel te horen. Vooraf is er gelegenheid om kerk en orgel te fotograferen. Het instrument is een sieraad in de verder tamelijk sobere kerk. Terwijl de schemering intreedt en de koster voorbereidingen treft voor de mis, speelt Sonnleitner de muziek door. Voor vandaag heeft hij stukken uitgekozen van Carolus Luython (Antwerpen 1557 – Praag 1620), hoforganist en -componist van keizer Rudolf II, en Samuel Scheidt (1587-1654), leerling van Sweelinck, later Hofkapelmeister en nog later Director Musices van de stad Halle. De muziek past het orgel als een handschoen.

Stift St. Florian in Oberösterreich.

Dag 3: St. Florian
In de kloosterwinkel boek ik een Orgelführung, een Hörerlebnis en een rondleiding door het klooster. De Orgelführung maakt deel uit van de rondleiding; men wordt uitgenodigd op het orgelbalkon, waar de Stiftsorganist iets over het Brucknerorgel vertelt, de verschillende registergroepen demonstreert, de mensen meeneemt de orgelkast in en ten slotte twee stukken voor hen speelt. De Hörerlebnis (prachtig woord!) is een vrijwel dagelijkse korte bespeling van het Brucknerorgel van een half uur voor toeristen.

Het Brucknerorgel in de Stiftskirche St. Florian

Zoals gezegd is het orgel in de Stifskirche niet meer het instrument dat Bruckner heeft gekend. Het orgel dat hij bespeelde was tussen 1770 en 1774 gebouwd door Franz Xaver Krismann (1726-1795) en bezat 74 stemmen. In de eerste decennia van zijn bestaan was de windvoorziening problematisch. Zijn faam kreeg het orgel – dat tot 1886 als het grootste van Oostenrijk gold – pas nadat de orgelbouwer Matthäus Höfer (hij was autodidact) er rond 1839 aan had gewerkt. In deze toestand leerde Bruckner het orgel kennen en bespeelde hij het tussen 1845 en 1855 als Stifts-organist.

In 1873 kreeg de Salzburger orgelbouwer Matthäus Mauracher de opdracht voor een grootscheepse herbouw. Daarna bezat het orgel 78 registers. De viermanuaals speeltafel is nog te zien in Bruckners geboortehuis in Ansfelden. Vanwege de zware speelaard van het orgel ontstond na de Eerste Wereldoorlog opnieuw de wens tot ombouw. Deze vond plaats in 1931/'32 door de firma's Gebr. Mauracher (Linz) en Dreher & Flamm (Salzburg). De sleepladen werden vervangen door elektro-pneumatische tractuur aangestuurde kegelladen en de beide koororgels werden elektrisch met het hoofdorgel verbonden. Het daarna als ‘Brucknerorgel' betitelde instrument met resp. 92 (hoofdorgel) en 40 (koororgels) registers was vanwege technische onbetrouwbaarheid geen lang leven beschoren. Nog tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen de Nazi's hun intrek hadden genomen in het klooster, werd opnieuw een herbouw voorbereid. In de dispositie trachtte men het laatbarokke karakter van het Krismann-orgel te laten terugkeren. De opdracht ging naar de firma Wilhelm Zika uit Ottensheim an der Donau, die ervoor naar St. Florian verhuisde om het werk tussen 1944 en 1951 uit te voeren. Het resultaat was een orgel van 103 stemmen met 7.343 pijpen en elektro-pneumatische tractuur. Vanwege het gebruik van sleepladen en de toepassing van een ‘barokke' intonatie werd het project richtinggevend voor de Oostenrijkse orgelbouw na de Tweede Wereldoorlog.

In het kader van de renovatie van de Stiftskirche werd tussen 1994 en 1996 groot onderhoud verricht door de Oberösterreichische Orgelbauanstalt Kögler, de voortzetting van de firma Zika. De gehele technische aanleg werd vernieuwd, het labiaalpijpwerk kreeg een nieuwe zwelkast en er werden drie in 1951 geplande registers aan toegevoegd.

 
  Klaus Sonnleitner tijdens een Orgelführung

Voor de Hörerlebnis heeft Sonnleitner werken uitgezocht van Pasquini, een koraal van J.S. Bach en het korte Perger Präludium van Bruckner, het enige orgelwerk waarin zijn latere stijl te herkennen is. Bruckner schreef het voor harmonium bedoelde werkje in augustus 1884 voor de leerhandelaar Diernhofer uit Perg, na diens herhaaldelijke verzoek om een orgelcompositie van de meester te mogen ontvangen. Het duurt ongeveer twee minuten – sommige organisten weten het tot drie minuten te rekken – en is in feite één groot crescendo en decrescendo dat door diverse toonsoorten gaat. Het handjevol andere orgelwerken dat Bruckner schreef ontstond voornamelijk in zijn studietijd.

Vervolgens krijgen we een Improvisation über ein Thema von Anton Bruckner, een parafrase op het thematisch materiaal van het motet Locus Iste waarbij het orgel in diverse schakeringen te horen is. Sonnleitner eindigt met de Finale uit Sonate I van Alexandre Guilmant. Integer orgelspel is wat ik hier hoor, niet gericht op virtuositeit maar daarom niet minder indrukwekkend.

Ik kan nog juist aansluiten bij de rondleiding door het klooster, die begint in de indrukwekkende stiftsbibliotheek, een van de indrukwekkendste kloosterbibliotheken van Oostenrijk. Niet alleen het laatbarokke interieur imponeert maar ook het feit dat bijna 60% van het boekenbezit uit de 16de tot de 18de eeuw dateert. Ook het muziekarchief, met de oudste muziekhandschriften van Oostenrijk, ressorteert onder de bibliotheek. Daarin is onder meer de nalatenschap van aan het klooster verbonden componisten zoals Anton Bruckner, Franz Xaver Müller en Augustinus Franz Kropfreiter ondergebracht.

 
 
Tableau in de Brucknerzimmer

Uiteraard krijgen we het nodige over de Heilige Florian te horen alvorens we de al even indrukwekkend Marmorsaal betreden die zijn naam eer aandoet. Het plafondfresco van Bartolomeo en Martino Altomonte verheerlijkt keizer Karel VI die in de gestalte van Jupiter zijn voet op een overwonnen Osmaan zet en de huldiging door de weer verenigde landen Oostenrijk en Hongarije in ontvangst neemt. De rondleidster, die wel een reïncarnatie van Elisabeth Schwarzkopf kon zijn, voert ons langs het kunstbezit van het klooster, onder meer de Gotische Galerie met het beroemde Sebastiansaltaar van Albrecht Altdorfer (c. 1480-1538). Uiteindelijk komen we in de crypte waar tot 1780 de chorherren hun laatste rustplaats vonden (de prelaten nu nog steeds), om ten slotte stil te staan bij de metalen sarcofaag waarin zich de stoffelijke resten van Bruckner bevinden. Het was zijn grote wens om onder ‘zijn' orgel begraven te worden. Aanvankelijk lag hij hier zelfs opgebaard nadat zijn lichaam was gebalsemd. Nadat een tweede poging tot balseming was mislukt, is de kist definitief gesloten.

In St. Florian en omgeving zijn diverse korte en langere wandelingen uitgezet. Ik raak het spoor al spoedig bijster en loop het dorp uit om van een afstand het Stift in de avondzon te zien liggen. Daarna is het goed toeven in het tegenover het klooster gelegen Gasthof Zum Goldenen Löwe, dat al in 1742 voor het eerst wordt genoemd. Sinds 2009 zet de jonge waardin Verena Wimhofer de zaak van haar ouders voort.

St. Florian in de namiddagzon

Dag 4: Wenen
Ook in de Oostenrijkse hoofdstad kan men in de voetsporen van Bruckner treden. Na de dood van zijn leermeester Simon Sechter kreeg Bruckner een benoeming aan het Weense Konzervatorium der Gesellschaft der Musikfreunde, waar hij harmonie en contrapunt ging doceren en orgelles geven. Met zijn zuster Nanni, die vanaf 1866 al het huishouden voor hem deed, verhuisde hij in 1868 naar de Währinger Strasse Nr. 41 waar zij twee kamers, een keuken en een bijkamertje betrokken. Nadat zijn zuster in 1870 was gestorven, werd haar plaats in de huishouding ingenomen door Frau Kathi Kachelmayr, die Bruckner tot het einde van zijn leven zou blijven verzorgen. Van Zwol vertelt in Op reis ... hoe een van Bruckners vermaarde orgelimprovisaties de directe aanleiding werd tot zijn volgende verhuizing. Op 4 oktober 1876 improviseerde hij over het Siegfried-thema en de Kaiserhymne, waarbij zich onder zijn gehoor dr. Anton Oelzelt-Nevin bevond. Na afloop bood Oelzelt Bruckner een ruimer huis aan de Heß-Gasse Nr. 7 aan en daar heeft hij tot enkele jaren voor zijn dood met zijn huishoudster gewoond.

Votivkirche
Ik neem de sneltrein van Linz naar Wenen en stap uit op Westbahnhof, waar ik de U-Bahn naar Schottentor neem. Vandaar is het een paar minuten lopen naar de Heß-Gasse. Maar eerst wil ik de Votivkirche aan de Rooseveltplatz zien waarvan Bruckner de voltooiing meemaakte. De bouw van deze enorme kerk vond plaats tussen 1856 en 1879 en stond onder leiding van architect Heinrich von Ferstel, die een neogotisch gebouw ontwierp met een voorgevel met twee 99 meter hoge torens met slanke spitsen. De Duitse orgelbouwer Eberhard Friedrich Walcker uit Ludwigsburg voorzag de kerk van een driemanuaals orgel met 64 stemmen. Bij de keuring op 30 oktober 1878 was behalve Domkapellmeister Preyer en Dr. Karl Hauslethner ook Anton Bruckner aanwezig, paradoxaal genoeg als plaatsvervanger van de hem ongunstig gestemde muziekcriticus Eduard Hanslick. Van Zwol: “Enthousiaste berichten zijn overgeleverd omtrent een van Bruckners gedenkwaardige improvisaties aldaar. Uitgangspunt voor de improvisaties waren deze keer twee thema's van Wagner: de treurmuziek uit Götterdämmerung en Siegfrieds thema (Bruckner had hiervoor een voorliefde getuige het veelvuldig voorkomen van de ‘Ring-Fuge' op zijn concerten.)”

Wenen, de Votivkirche in opbouw (1866) zoals Bruckner die gezien kan hebben. Beeld van Wikimedia
De Votivkirche aan de Maximilian Platz rond 1900 op een oude ansichtkaart

In het schip van de kerk blijkt een expositie gaande met Große Meister der Renaissance waarvoor men een ticket moet kopen. Maar aan de noordkant is een aparte ingang voor het transept en koor van de kerk dat vrij te bezichtigen is. Tussen schip en transept is een doek gespannen maar wie voor het koor gaat staan, kan het indrukwekkende orgelfront goed zien. Er is gelukkig een cd van te koop waarop de jonge organiste Magdalena Hasibeder, sinds 2012 docent aan de Weense Universität für Msik und darstellende Kunst, muziek uit de periode tussen de bouwtijd van de kerk en het Fin de siècle speelt. Daaronder ook Bruckners Vorspiel und Fuge c-Moll uit 1847 en 3 koralen van zijn aartsrivaal Johannes Brahms.

Het hoofdorgel van E.F. Walcker & Cie. (1878) in de Weense Votivkirche
   
 
  Gedenkplaat aan het pand in de Heßgasse in Wenen. Bruckner woonde hier van 1877 tot 1895
   
   

Heß-Gasse Nr. 7
Hier woonde Bruckner van november 1877 tot enkele maanden voor zijn dood in 1896, op de vierde verdieping. Ik stel me zo voor hoe zijn zware harmonium, zijn vleugel en andere meubels al die trappen op gesjouwd zijn. En dan te bedenken dat het harmonium zelden bespeeld werd maar voornamelijk bedekt werd door boeken, partituren en notenpapier, zoals uit een in 1923 gepubliceerde beschrijving valt te concluderen en op de bekende foto uit de Heßgasse ook is te zien.
Nu zijn hier een hotel, een bioscoop en een sushibar gevestigd. De gedenkplaquette werd in op 4 september 1924 door de Weense Schubertbund voor haar erelid in de gevel aangebracht.

 
  De Piaristenbasilika Maria Treu aan de Jodok-Fink-Platz in Wien-Josefstadt

Piaristenkirche Maria Treu
Een andere kerk waaraan de naam Bruckner is verbonden, is de Piaristenkirche Maria Treu aan de Jodok-Fink-Platz in het 8. Bezirk, “een van de gaafste barokpleinen, die Wenen kent – slechts ontsierd door een terrasje met parasolletjes in de nationale kleuren”, aldus Bruckneriaan en oud-hoofdredacteur van Luister, Cor Molenbeek. In 1861 (21 november) koos Bruckner het orgel van deze kerk uit voor het proefspel als onderdeel van het examen waarmee hij zijn leertijd bij Simon Sechter wilde afsluiten. Van Zwol: “Hij wist wat hij deed, want het orgel was toen gloednieuw; het was tussen 1856 en 1858 gebouwd door Carl Friedrich Ferdinand Buckow uit Hirschberg (Silezië) als diens vijftigste instrument.” Het bezat bovendien een ‘nieuwigheid': een zwelkast rond het pijpwerk van het derde manuaal. Na de Prüfung vatte dirigent Johann Herbeck het oordeel van zijn collega-examinatoren samen met de woorden: “Er hätte uns prüfen sollen ...”. Deze legendarische woorden zijn vastgelegd op de gedenksteen in de gevel van de inmiddels tot ‘Piaristenbasilika' omgedoopte kerk.

De kerk is weliswaar open maar ik kom helaas niet verder dan het portaal. Dat betekent dat het tot de verbeelding sprekende orgelfront alleen maar te bewonderen is op een poster, die tevens een duidelijke oproep bevat: Rettet die Buckoworgel der Piaristenkirche Wien. Het beroemde orgel, dat nog bespeeld is door Franz Liszt en onder meer bekend is geworden van de LP-serie waarop prof. Kurt Rapf het complete orgelwerk van Franz Schmidt uitvoerde, staat er dus slecht bij. Maar in plaats van een stapel folders waarin de zorgwekkende toestand van het orgel wordt beschreven en liefhebbers worden opgeroepen een gift te doen aan de Orgelverein, tref ik slechts een paar op een bord geplakte A4'tjes aan waar ik dan maar een foto van maak om de tekst thuis te kunnen ontcijferen. Het blijkt ‘vijf over twaalf' te zijn voor het orgel: de speeltractuur is versleten, de windvoorziening vertoont gebreken en de windladen moeten nodig gerestaureerd. Dankzij allerlei benefiet-activiteiten is er wel geld ingezameld, en er is zicht op een legaat van de vroegere organist, maar het is nog niet voldoende om de restauratie te kunnen starten. Bovendien staat men nog voor de vraag: conserveren of reconstrueren? In 1895 is het orgel namelijk omgebouwd en uitgebreid, waarbij een aantal registers werd vervangen of omgewerkt. Aangezien reconstructie zou inhouden dat alle wijzigingen van 1895 weer teruggedraaid zouden moeten worden – dus ook pijpwerk reconstrueren of verlengen – is dat de kostbaarste variant en doet men er mijns inziens beter aan het instrument te conserveren om het voor verder verval te behoeden. De organist, Markus Semelliker, in het dagelijks leven leraar, schrijft mij naderhand dat het project maar moeizaam voorwaarts gaat, mede door tijdgebrek van de betrokkenen.

Het orgel van Carl Friedrich Ferdinand Buckow uit 1858 is er slecht aan toe
 
De Bruckner-buste van Viktor Tilger in het Stadtpark van Wenen

Mijn volgende reisdoel zou natuurlijk Schloß Belvedere kunnen zijn, waar Bruckner zijn laatste maanden doorbracht in het Kustodenstöckl, de poortwachterswoning in de linkervleugel van het paleis die hem door keizer Franz Josef ter beschikking was gesteld. Hier werkte hij nog volop aan zijn negende symfonie, met name aan de Finale, en hier stierf hij op zondag 11 oktober 1896. Maar in de loop der jaren is er aan deze vleugel zoveel verbouwd dat ik me de reis erheen maar bespaar. Ook zou ik de Hofburgkapel kunnen bezoeken, waaraan Bruckner 24 jaar lang als organist was verbonden, of de Karlskirche, waar de uitvaart plaatsvond op de 14 e oktober 1896. Maar in plaats daarvan neem ik de metro naar het Stadtpark want nu wil ik dat prachtige beeld van Viktor Tilger (1844-1896) wel eens zien. Toen het op 25 oktober 1899 werd onthuld, zag het er nog veel mooier uit, met een sokkel van Fritz Zerritsch waarop de muze van de toonkunst was uitgebeeld. Na vandalisme in de jaren '80 is het oorspronkelijke beeld na restauratie in de tuin van de Hochschule für Musik geplaatst en kwam er in het stadspark een nieuwe onderbouw met daarop een kopie van de oorspronkelijke buste. Het moet gezegd dat de strakke marmeren sokkel wel de volle aandacht geeft aan het beeld van Tilger.
“Nu we er toch zijn” werp ik ook nog even een blik op de beelden van Schubert, Franz Lehár, Robert Stolz en het niet te vermijden Johann Strauss-monument.

Ten slotte een bezoek aan de Stephansdom, waar een plechtige hoogmis aan de gang is. Toeristen verdringen zich voor het hek dat het schip afsluit en maken massaal filmpjes alsof hier een schouwspel uit vervlogen tijden aan de gang is (hetgeen misschien ook wel zo is). Het Walcker-orgel waarop Bruckner met voorliefde speelde (vele jaren hoopte hij om hier organist te worden) is in 1945 bij een bombardement verloren gegaan. Bij binnenkomst stuit ik op de oude speeltafel van het Riesenorgel (125 registers, 10.000 pijpen) dat de firma Kauffmann hier in 1960 plaatste en waarvan het front werd ontworpen door de Domarchitect Kurt Stögerer. In 1991 werd het orgel stilgelegd omdat het niet meer voldeed en werd een ander orgel in het schip in gebruik genomen. Dankzij een krachtige lobby van nazaten van de orgelbouwer en enige prominenten, is in de Goede Week van 2017 besloten het instrument te laten renoveren door de firma Rieger uit Vorarlberg. In 2020 moet de herbouw zijn afgerond.

De oude speeltafel van het J.M. Kauffmann ‘Riesenorgel’ (1960) in de Stephansdom
 
  De Prelatengang in Stift St. Florian, waaraan de Brucknerzimmer is gelegen

Dag 5: Ansfelden – Steyr – Kronstorf – Enns
De Stiftskirche verandert hoe langer hoe meer in een televisiestudio. De afgelopen dagen is het orkestpodium opgebouwd in het koor, zijn ontelbare spots geïnstalleerd en camerastellages binnengebracht. De komende avonden voert de Münchner Philharmoniker onder leiding van Valery Gergiev hier drie symfonieën van Bruckner uit in het kader van het Brucknerfest Linz. Kennelijk worden er videoregistraties van de concerten gemaakt. Het is een komen en gaan van technici. Alleen in de kloostergangen is het stil en hoor je af en toe het lichte klokgelui dat tot het koorgebed oproept.

Vandaag – zondag – staat Ansfelden op het programma. En wel Bruckners ‘geboortehuis' dat nu als Anton-Bruckner-Museum is ingericht. Met de oorspronkelijke schoolmeesterswoning heeft dit gebouw natuurlijk weinig meer van doen. In 1853/'54 werd het huis al uitgebreid en begin jaren '70 is het geheel herbouwd, weliswaar met dezelfde indeling, en als museum ingericht. In 2014 is het museum na weer een grondige renovatie heropend. Het is van mei tot en met oktober geopend op vrijdagmorgen en op zaterdag en zondag van 10.00 tot 17.00 uur.

Schreef Cornelis van Zwol in 1974 nog dat men “zich niet aan de indruk [kan] onttrekken dat de inrichters van het huis moeite hebben gehad om het ‘gevuld' te krijgen”, anno 2018 zijn de beide verdiepingen goed gevuld en smaakvol ingericht.

Ansfelden, Pfarrkirche en Bruckner Museum

Veel moeite is gedaan om middels oude afbeeldingen te laten zien hoe Ansfelden er in Bruckners tijd uitzag. Er is een ruimte ingericht als ‘schoollokaal'. Een bezienswaardigheid is de oude vierklaviers speeltafel van het Brucknerorgel uit de Stiftskirche St. Florian. Gebouwd in 1837, vernieuwd in 1873 en in 1988 gerestaureerd op kosten van de Brucknerbund für Oberösterreich.

De Mauracher-speeltafel van het voormalige Brucknerorgel in St. Florian

Al snel komen we reproducties van Bruckners vroege composities tegen: het Pange Lingua (1835-1837) en de eerste bladzijde van de ‘annulierte' Symphonie No. 2 in D (de ‘Nulde'). Aandoenlijk is de brief waarin de bijna 42-jarige Bruckner een aanzoek doet aan de 22-jarige slagersdochter Josefine Lang, die uiteindelijk zal trouwen met de latere burgemeester Joseph Weilnböck. Haar portret hangt er ook. Interessant is het om naast het bekende beeld van Tilger de goed gelijkende bronzen buste uit 1970 te zien, gemaakt door Franz Seraph Forster, een beeldhouwer die werd geboren in het jaar waarin Bruckner stierf en die zich dus op afbeeldingen gebaseerd moet hebben.

Improvisatiethema voor Bruckners concert in de Notre-Dame, Parijs, 1 mei 1869

Indruk maken ook de affiches van concerten, de Gedächtnis-Ausstellung Anton Bruckner vom 24. Juli bis 30. September 1935 en de boekomslagen uit 1946, nog geheel in ‘Nazi-stijl' vormgegeven. Uiteraard ontbreken de bekende silhouetten van Otto Böhler niet. Bij de museumbalie is een boekje en een keur aan cd's te koop.

Bruckners aankomst in de hemel, een van de silhouetten van Otto Böhler

Mijn volgende gang is naar Steyr, een stad die indertijd naast Linz en St. Florian als een belangrijk centrum van muziekbeoefening gold. Bruckners oud-leerling Franz Bayer was hier van 1888 tot zijn dood in 1921 organist en koordirigent van de Stadtpfarrkirche en vanaf 1899 artistiek leider van de Gesellschaft der Musikfreunde. Zijn vriendschap met Bruckner beperkte zich niet tot gezellig samenzijn en een biertje drinken maar Bayer zette zich ook in voor de uitvoering van Bruckners werken. Hij woonde in het Mesner- und Organistenhaus achter de Stadtpfarrkirche, dat te bereiken was via een schilderachtige, overdekte trap, Brucknerstiege genoemd. Iedereen die de brochure en biografie van Cornelis van Zwol gelezen heeft, kent het kostelijke verhaal van zijn toevallige ontmoeting met een zoon van Bayer in de zomer van 1973. Wanneer Van Zwol op een zonnige zondagmorgen een foto wil maken van de Brucknerstiege wordt hij aangesproken door een man die hem er vriendelijk op wijst dat hij daar niet mag parkeren. Die man blijkt Julius Bayer te zijn, zoon van de bovengenoemde Franz Bayer en organist van de Stadtpfarrkirche. Aan deze Julius Bayer danken we een aantal kostelijke overgeleverde verhalen over Bruckner, waarvan Van Zwol er een aantal publiceerde in zijn brochure.

De Brucknerstiege naar het Mesnerhaus in Steyr

Aan de voormalige kosters- en organistenwoning hangt een bordje met de volgende tekst:

MESNERHAUS
Ursprünglich Pfarrhof,
1399-1500 Stadtschule,
dann Wohnhaus für die Mesner
und Organisten der Stadtpfarre.

 
  Steyr, Bruckner-monument, ontworpen door Viktor Tilger

Van 1886 tot 1894 logeerde Bruckner hier regelmatig in de zomermaanden en werkte er aan zijn achtste en negende symfonie. In de kerk stond een Chrismann-orgel uit 1772 dat hij graag bespeelde. Ook woonde hier Karoline Eberstaller, die als 7-, 11- en 13-jarig meisje met Franz Schubert vierhandig piano had gespeeld, en met wie Bruckner goed contact had. In Steyr voelde Bruckner zich zo thuis dat hij hier wel begraven wilde worden, ingeval dat in St. Florian niet mogelijk zou blijken te zijn. Helaas maken het Mesnerhaus en de Brucknerstiege nu een tamelijk desolate indruk.

De Stadtpfarrkirche betreedt men via de donkere Vorhalle aan de westkant. Van binnen ziet de kerk er sinds de interieurrestauratie van 2009-2010 spic en span uit. De hoofdkas van het orgel heeft Bruckner nog gekend. Oorspronkelijk stond hier een Krismann-orgel uit 1778 dat in 1893 werd omgebouwd door Mauracher, waarbij deze op aanraden van Bruckner de neogotische kas en een aantal registers hergebruikte. In 1962 is het orgel herbouwd door Johannes Pirchner.
Ten zuiden van de kerk, aan de Brucknerplatz, werd op Eerste Pinksterdag 1898 het Bruckner-monument van Viktor Tilger en Fritz Zerritsch der Ältere onthuld, een jaar voordat Wenen zo ver was. Het monument heeft de tand des tijds gelukkig goed doorstaan.

Zoals bekend maakte Bruckner als beginnend onderwijzer een moeilijke tijd door in Windhaag. In 1843 werd hij echter overgeplaatst naar Kronstorf. Daar voelde hij zich volgens zijn eigen woorden “wie im Himmel”. Twee jaar lang, tot 1845, woonde en werkte hij als hulponderwijzer in het toen tussen de 100 en 150 inwoners tellende dorp. Schoolhoofd was Franz Lehofer, die vanwege een zwakke gezondheid een Schulgehilfe toegewezen kreeg: Bruckner. Zijn salaris was niet hoog maar hij had wel kost en inwoning bij Lehofer. “Nog in zijn laatste jaren vertelde de meester met een verheerlijkt gezicht van de lekkere schotels die mevrouw Lehofer wist klaar te maken” (Norbert Loeser). Een gedenksteen in de gevel van het Schulhaus, aangebracht in 1913, herinnert aan de periode dat Bruckner hier een kamer bewoonde.

Tijd voor een ‘lekkere schotel' is het nog niet maar ik trakteer mezelf wel op een Wiener melange met ijs op een zonovergoten terras.

De woning in Kronstorf waar Bruckner tussen 1843 en 1845 verbleef
Gevelsteen van de woning in Kronstorf

Nu ik toch in de buurt ben, rijd ik ook nog maar even langs Enns. Daar is op Kirchenplatz 5 nog het huis te vinden van Leopold Edler von Zenetti (1805-1892), van wie Bruckner niet alleen piano- en orgelonderricht kreeg maar die hem ook in muziektheorie onderwees. Ten tijde van Van Zwols bezoek aan Enns was het huis in een verwaarloosde staat maar nu staat het er prachtig bij. In de gevel is door de plaatselijke Rotary Club een gedenksteen aangebracht waarop het volgende valt te lezen:

In diesem Hause
erhielt der damalige
Schulgehilfe in
Kronstorf
Anton
BRUCKNER
von 1843 bis 1845
Unterricht im
Generalbass bei
Regenschori
Leopold Edler v. Zenetti

 
Enns, de woning van Leopold Edler von Zenetti, zoals gefotografeerd door Cornelis van Zwol en opgenomen in de brochure Op reis door ’t land van Bruckner   De woning van Zenetti anno 2018

In de Sankt Laurenz Basilika van Enns heeft enige jaren het harmonium van Bruckner als ‘noodorgel' dienstgedaan, voor welk doel een pedaal aan het instrument werd toegevoegd. Op 11 december 1976 werd hier een nieuw orgel in gebruik genomen. In de St. Marienkirche tref ik een gloednieuw orgel in de kerk, gebouwd door de firma Christian Kögler uit St. Florian. De inwijding van dit zogenoemde Franziskus-Orgel heeft inmiddels plaatsgevonden op zondag 7 oktober 2018.

Ondertussen is op de prelatengang een grote zwarte verrijdbare kast naast de deur van ‘mijn' Brucknerzimmer geplaatst, beplakt met diverse etiketten. ‘Münchner Philharmoniker' staat erop. Op een ander etiket is geschreven: 'Gergiev'. Ineens dringt het tot me door wie er na mij in de Brucknerzimmer zal verblijven. Vreemd idee dat het bed waarin ik vannacht nog lig, morgen wellicht beslapen wordt door de dirigent die hier de komende dagen drie Bruckner-symfonieën zal dirigeren.

 
  Bruckner-beeld in het parkje tegenover Stift St. Florian

Dag 6: Ansfelden – St. Florian – Ansfelden
Deze koude en winderige maandag biedt een uitstekende gelegenheid om de Symphonie-Wanderweg af te leggen, een bewegwijzerde wandelroute van Ansfelden naar St. Florian (lengte: 9,2 km). Langs het wandelpad zijn tien Stationen aangebracht, informatieborden die elk aan één symfonie van Bruckner zijn gewijd. Op elk bord staan naast elkaar een symfonie-beschrijving, de ontstaansgeschiedenis en een algemene historische achtergrond, wat er in de ontstaansjaren zoal gebeurde op cultureel gebied. Bij het Anton Bruckner Centrum in Ansfelden kun je een MP3-speler huren met fragmenten uit de symfonieën, maar dat centrum is op maandag gesloten. Het kost me trouwens geen moeite om de muziek tijdens het lopen op te roepen.

Plattegrond van de Bruckner Sinfoniewanderweg
(afbeelding kan worden vergroot door erop te klikken)

De wandeling start bij het Bruckner Centrum en voert ‘langs wegen en velden' en weldra ook door “een echt Bruckneriaans dicht bos”, zoals Van Zwol het in zijn brochure omschrijft. De wandeling zelf heeft hij overigens nooit gemaakt, vertrouwde hij me onlangs toe. Al lopend tref ik ook appels en andere vruchten op mijn pad. Met de meegekregen plattegrond met ‘Google Earth'-foto krijg ik een indruk waar ik ongeveer ben. Na zo'n tweeënhalf uur komen de torens van de Stiftskirche in beeld en bereik ik via het kerkhof weer het kloosterterrein. Op de Stiftstrasse aangekomen kun je een taxi bellen die je dan weer naar Ansfelden vervoert. En dat is nodig want het avondconcert vereist andere kleding.

Het 2de station van de Sinfoniewanderweg

De Stiftskirche is nu echt in een televisiestudio veranderd. Overal camera's, op statieven in de zijkapellen, op uitschuifbare kranen en op hoogwerkers. Achter het orkest gaat een camera als een robot voortdurend over de volle breedte van het koor heen en weer op een rail, waarvan het nut mij ontgaat. Ik hoor dat deze uitvoeringen worden opgenomen voor een dvd-uitgave.

Deze eerste avond begint met een optreden van de organist Martin Haselböck op het Brucknerorgel. Na de kennelijk niet te vermijden Toccata und Fuge d-Moll BWV 565 van J.S. Bach improviseert hij over thema's uit de Tweede Symfonie die na de pauze op het programma staat. Haselböcks spel maakt geen bijzondere indruk; in BWV 565 viert het effectbejag hoogtij en in de improvisatie is weinig te bespeuren van enige affiniteit met Bruckners idioom.

Verrassend is echter de uitvoering van de Tweede Symfonie onder leiding van Valery Gergiev, die subtieler blijkt dan verwacht. Ik kende Gergiev niet als Bruckner-dirigent maar zo te horen is er wel chemie tussen hem en de musici van de Münchner Philharmoniker. Dat vermoeden zal de volgende avond bij een onverwachte gelegenheid worden bevestigd.

Valery Gergiev laat de blazersgroep van de Münchner Philharmoniker delen in het succes

Dag 7: Ansfelden – Linz – Stift Kremsmünster
Voor de laatste dagen van deze Brucknertrip heb ik mijn intrek genomen in een Gasthof bij Ansfelden, genaamd ‘Brucknergut'. Een voormalige Bauernhof die al sinds mensenheugenis zo heet en waarvan de naam volgens de eigenaren, het echtpaar Safnauer, geen aantoonbare connectie heeft met de componist. Bij het ontbijt wordt een keur aan natuurlijke, biologische producten geserveerd, afkomstig uit de omgeving. Alleen het in de tuin waarneembare verkeersgeruis verraadt dat deze Gasthof in de buurt van de West Autobahn is gelegen. Er heerst een aangename temperatuur waarbij de warmte vooral afstraalt van de muren van het pand. De gastvrouw legt uit dat zij een verwarmingssysteem in de muren hebben aangebracht zodat deze nooit ‘koud opgeven' en vocht op deze manier geen kans krijgt in de muren te trekken, met alle gevolgen van dien.

Vandaag staat de stad Linz op het programma. Ik heb een Kostprobe in het Brucknerhaus geboekt, wat zoveel wil zeggen als een openbare repetitie door het Brucknerorchester Linz onder leiding van Markus Poschner, met aansluitend een lunch in de foyer.

Maar eerst breng ik een bezoek aan de Alte Dom in Linz, de kerk waar Bruckner van 1856 tot 1868 organist was. Bruckner had zich met moeite losgerukt van Sankt Florian – voor het bijbehorende verhaal zij verwezen naar Van Zwols biografie – en speelde op 8 december 1855 voor het eerst tijdens de hoogmis het orgel, en daarna tijdens de kerstnachtdienst. Pas op 11 april 1856 volgt zijn officiële benoeming tot organist van de Alte Dom en de Stadtpfarrkirche.

Het orgel is een van de belangrijkste orgels van Oostenrijk. Het werd in 1780 door Franz Xaver Krismann gebouwd voor de stiftskerk Engelszell. Vanuit het opgeheven cisterciënzerstift kwam het in 1786 naar Linz. In hetzelfde jaar waarin Bruckner was benoemd, drong hij al aan op noodzakelijk herstel. De ombouw van het instrument door Leopold Breinbauer volgde conform de wensen van de componist en was in 1789 gereed. We kunnen hier dus van een authentiek Bruckner-orgel spreken omdat het ondanks de veranderingen die in later tijd zijn aangebracht (maar bij een restauratie in 1980 weer ongedaan zijn gemaakt) nog steeds het instrument is zoals Bruckner het heeft gekend.

Het Krismann-/Breinbauer-orgel (1780-1789) in de Alte Dom van Linz

In Linz kreeg Bruckner te maken met het bewind van bisschop Franz Josef Rudigier. Van Zwol: “Een Bruckner waardige figuur: koppig, volhardend en overheersend – iemand die zelfs een ernstig conflict met de keizer niet uit de weg ging.” We weten dat bisschop Rudigier zich meermalen in de kerk door Bruckners orgelspel over zijn neerslachtigheid heen liet helpen.

Het was ook deze bisschop die in 1855 het initiatief nam voor de bouw van de Neue Dom. Dit neogotische bouwwerk werd tussen 1862 en 1924 gebouwd en is ontworpen door Vincenz Statz, die daarbij de Dom van Keulen voor ogen had. Bruckner heeft de kerk zien bouwen en componeerde ter gelegenheid van de eerste steenlegging in mei 1862 de feestcantate ‘Preiset den Herrn', die onder zijn leiding werd uitgevoerd door de Liedertafel ‘Frohsinn', het koor waarvan hij twee jaar eerder dirigent was geworden.

Een glas-in-loodraam in de kerk verbeeldt de artistieke relatie tussen Bruckner en zijn grote voorbeeld Ludwig van Beethoven. Diens Negende Symfonie stond immers model voor Bruckners symfonieën.

Beethoven-Bruckner-raam in de Neue Dom van Linz

Toen het in 1962 honderd jaar geleden was dat de eerste steen werd gelegd, besloot men een nieuw groot orgel te laten bouwen door de Deense firma Marcussen & Søn. Op 7 en 8 december werd het instrument feestelijk in gebruik genomen en kreeg het de naam ‘Rudigier-Orgel'. Het orgel geniet internationale faam, mede door de opnamen die organist Anton Heiller erop heeft gemaakt.

Het oude Querschiff-Orgel, in 1887 gebouwd door Lachmayr, is in de jaren '80 buiten gebruik gesteld. Er zijn plannen voor restauratie. Het huidige koororgel van Orgelbaufirma Pflüger staat daar sinds 1989.

Het Brucknerhaus in Linz

Tegen lunchtijd spoed ik me naar het Brucknerhaus om mijn toegangskaart voor de Kostprobe op te halen. In het boekingskantoor word ik geconfronteerd met een grote hoeveelheid orgelpijpen die in glazen vitrines zijn uitgestald en te koop worden aangeboden. Het blijkt pijpwerk te zijn uit het voormalige concertorgel dat de Nederlandse firma D.A. Flentrop van 1970 tot 1974 voor het Brucknerhaus bouwde. Dit orgel werd op 30 april 1974 officieel gepresenteerd en Cornelis van Zwol deed er verslag van in het decembernummer van Luister. Weliswaar was de belangrijkste overweging van de adviseur die bij de bouw betrokken was, Prof. Alois Forer, “dat er een werk zou ontstaan dat zich niet alleen onderscheidt door een lange levensduur (cursivering G.S.) en fraaie klankgeving maar ook optimaal geschikt is voor het uitvoeren van de gehele orgelliteratuur”. In de praktijk bleek het een orgel dat nog sterk geworteld was in de ‘neobarok'-traditie van die dagen, net als het orgel dat Flentrop in 1968 voor concertgebouw De Doelen in Amsterdam had gebouwd. Het was nog niet eens zozeer het karakter van het orgel waardoor het meer en meer in onbruik raakte; het was vooral de toonhoogte (a¹ = 447 Hz) die roet in het eten gooide bij samenspel met orkest. De adviseur had op die toonhoogte aangedrongen omdat het de bedoeling was dat ook het ‘huisorkest' van het Brucknerhaus, het Brucknerorchester Linz, die toonhoogte zou krijgen, in navolging van andere Europese (en vooral Amerikaanse) symfonieorkesten die steeds hoger gestemd werden. Die trend is echter tot staan gebracht en het plan om het Brucknerorkest op deze toonhoogte te brengen is nooit doorgegaan.

Er waren meer klachten over het orgel. “Eine Kirchenorgel im Konzertsaal” was de kritiek op een persconferentie eind juni 2018. Ook zou de binnenkant van het orgel slecht toegankelijk zijn en daardoor moeilijk te onderhouden. Bovendien begon het orgel langzaam voorover te zakken doordat een ijzeren steunbalk in de vloer was bezweken.

Slechts vier maanden resteerden er voordat het Brucknerfest in september 2018 van start zou gaan, en in die korte tijd moest er een nieuw instrument komen. Ditmaal liet men het ontwerpen van een nieuw orgel niet aan één man over maar werd er een adviescomité met drie organisten ingesteld: Martin Haselböck (orgelprofessor aan de Musikuniversität Wien, Wolfgang Kreuzhuber (organist Mariendom Linz) en Martin Riccabona (organist en adviseur bij meerdere projecten). In een laat stadium werd ook Flentrop Orgelbouw benaderd, maar daar voelde men er uiteindelijk niets voor om in vier maanden tijd een groot concertorgel ‘uit de grond te stampen'. De opdracht ging begin mei naar de Oostenrijkse firma Rieger in Schwarzach. Die moest naar verluidt alle 64 medewerkers inzetten om de klus op tijd klaar te krijgen want op maandagavond 10 september 2018 zou het orgel worden ingespeeld door de Letse organiste Iveta Apkalna. Van het Flentrop-orgel werden alleen de kas en de frontpijpen opnieuw gebruikt. Het overige pijpwerk ging niet de smeltkroes in maar werd te koop aangeboden om met de opbrengst een deel van de kosten van het nieuwe orgel (1,1 miljoen euro) te bekostigen. Voor een Nederlandse orgelliefhebber was dat best confronterend, kan ik u zeggen!

Flentrop-pijpwerk te koop in het Brucknerhaus Linz

In het Brucknerhaus gaat over enkele dagen de Derde Symfonie van Anton Bruckner, in de versie van 1873. De oerversie dus waarin Bruckner een aantal Wagner-citaten opnam en die hij aan de door hem bewonderde operacomponist wilde opdragen. Met deze d-Moll-symfonie (en de Tweede) reisde Bruckner naar Bayreuth om hem aan Richard Wagner te laten zien. Die speelde het werk aan de piano door en was er enthousiast over. Bruckner, dronken van geluk (en van het door Wagner aangerukte bier), verkeerde later in twijfel over welke symfonie de meester zijn goedkeuring had uitgesproken en waagde er nog een brief aan. Het hele verhaal is te lezen in de biografie van Van Zwol. In de latere versie van 1876-1877 schrapte Bruckner de meeste Wagner-citaten; desondanks staat deze symfonie tot op heden bekend als de ‘Wagner-symfonie' en het is ook deze laatste versie waarvoor de meeste dirigenten kiezen. Wie meer over de verscheidene versies van Bruckners symfonieën wil weten, doet er goed aan het verhelderende artikel van Aart van der Wal uit 2003 op deze site te lezen.

Tijdens de Kostprobe legt dirigent Markus Poschner aan het publiek uit waarom hij juist voor de eerste versie gekozen heeft: omdat daarin de citaten voorkomen waaraan de symfonie zijn bijnaam ontleent. Hij laat fragmenten horen die we in de versie van 1877 niet meer aantreffen en dat maakt deze openbare repetitie tot een boeiend gebeuren. Na ca. drie kwartier is de repetitie ten einde en wordt het publiek uitgenodigd om in de foyer allerlei heerlijkheden tot zich te nemen

Het Brucknerorchester repeteert o.l.v. Markus Poschner

De rest van de middag besteed ik aan een bezoek aan het Stift Kremsmünster. Ook in dit klooster vertoefde Bruckner regelmatig. “Bruckner heeft nooit vergeten dat hij daar in het magistrale stift aan de Krems al in een zeer vroeg stadium als componist was geaccepteerd: in december 1849 werd er ter gelegenheid van ‘Stifterstag' zijn Requiem uitgevoerd, slechts drie maanden na de eerste uitvoering in Sankt Florian.” (Van Zwol) Maar Kremsmünster is ook de plaats waar Bruckner een van zijn legendarische orgelimprovisaties ten beste gaf. De bewuste improvisatie vond plaats op 18 augustus 1877, toen het stift het 1100-jarig bestaan herdacht. Bruckner was uitgenodigd tijdens de hoogmis het orgel te bespelen. “In zijn voorspel improviseerde Bruckner over niet minder dan vier thema's: 1. Het hoorn-thema uit het Kyrie van Beethovens Mis in C (die bij deze gelegenheid werd uitgevoerd, GS). 2. het Hallelujah uit Händel's Messiah. 3. Het Alles was Odem hat uit Mendelssohns tweede symfonie (Lobgesang). 4. Het Kaiserlied van Joseph Haydn.” Deze thema's tekende Van Zwol op uit een in 1956 verschenen boek van Pater sup. Altman Keller waarin de muzikale wetenswaardigheden van het Stift Kremsmünster zijn opgetekend. “Hoe Bruckner over deze thema's improviseerde en hoe hij ze met elkaar verbond zal altijd het onderwerp van wilde speculaties moeten blijven”, schrijft Van Zwol in ‘Op reis door 't land van Bruckner'. Ik probeer me er iets bij voor te stellen wanneer ik de Stiftskirche bekijk en de prachtige om pilaren gevouwen gobelins en plafondschilderingen met Bijbelse voorstellingen bekijk en fotografeer. Het breed uitgebouwde orgel in zijn crèmekleurige classicistische orgelkast zwijgt. Op de binnenplaats is het een herrie van jewelste omdat er een stalen constructie wordt opgebouwd die waarschijnlijk wel enig festivaldoel zal dienen.

Stiftskirche Kremsmünster
Trap in de Stiftskirche van Kremsmünster

Die avond spelen de Münchner Philharmoniker Bruckners Negende Symfonie in de Stiftskirche, voorafgegaan door Mozarts Veertigste Symfonie. In Gasthof ‘Zum Goldenen Löwe' is nog één tafeltje vrij. Als ik aan het voorgerecht ben begonnen, informeert de kelner of er nog iemand bij mij aan tafel mag komen zitten. Geen bezwaar mijnerzijds en tegenover me komt een Duits sprekende jongeman zitten. Hij blijkt de solohoornist van de Münchner Philharmoniker te zijn. Ik vraag hem hoe het bevalt om Bruckner te spelen ‘onder' Valery Gergiev, die ik niet zozeer als Bruckner-dirigent ken. De hoornist antwoordt dat Gergiev “veel heeft geleerd” van het orkest (dat immers tussen 1979 en 1996 onder leiding stond van de legendarische Sergiu Celibidache, die heel wat Bruckner-opnamen op zijn naam heeft staan). “Hij staat open voor onze suggesties”, voegt hij eraan toe.

De techniek is deze avond nog merkbaarder aanwezig in de Stiftskirche. Een Frans sprekende presentator krijgt vooraf instructies van een kort aangebonden regisseur. Later verneem ik dat het concert rechtstreeks via Mezzo-tv wordt uitgezonden.

De uitvoering is weer even gloedvol en spannend als de voorgaande avond. De musici ‘hangen' aan Gergievs kenmerkende korte dirigeerstok en er klinkt geen onvertogen noot. Een lang en warm applaus is zijn deel en geheel voldaan loop ik het pad terug naar het kloostergebouw, een steelse blik werpend op het venster van de Brucknerzimmer, waar Gergiev nu verblijft.

Dag 8: Ansfelden – Hörsching – St. Florian
Wat doet men zoal op een laatste dag in 't land van Bruckner? Men probeert nog iets ‘tastbaars' uit Bruckners dagen terug te vinden. Daarvoor rijd ik naar Hörsching, ten zuidwesten van Linz. Daar staat nog het Schulhaus waar Bruckner in zijn jonge jaren (1835-1837) in de kost was bij zijn peetvader Johann Baptist Weisz, die hem de beginselen van het basso-continuospel en het orgelspel bijbracht. Volgens Van Zwol legde Weisz ook de basis voor Bruckners later befaamde improvisatiekunst en bracht hem een “brede muzikale kennis” bij. Een in 1931 aangebrachte gedenksteen in het Schulhaus getuigt hiervan:
In diesem ehemaligen Schulhause genosz Anton Bruckner in den Jahren 1835-37 bei seinem Vetter u. Firmpaten Johann Baptist Weisz den ersten Unterricht in Generalbasz u. Orgelspiel.

In Hörsching ontstonden dan ook zijn eerste composities, zoals het Pange lingua in C, de Vier kleine Präludien in Es-Dur en het ca. twee minuten durende Präludium Es-Dur voor orgel dat klinkt als een brave harmonieopgave met een begin en een eind.

De ‘Bruckner-Stüberl' waar Cornelis van Zwol zichzelf in 1973 op een ‘Zipfer Doppelgold' trakteerde, heet nu simpelweg ‘Café & Co' maar hij ligt wel aan de Brucknerplatz. Het kerkje achter het voormalige schoolgebouw ziet er weliswaar minder armoedig uit dan Van Zwol beschrijft, “maar juist die armoedigheid zal waarschijnlijk dichter bij Bruckners tijd staan dan de verlate moderniteit waarmee men elders in Hörsching een ‘achterstand' probeert in te halen.” Moderniteit, wat heet ... in de plaatselijke grillroom, met uitzicht op de schoolmeesterswoning, trakteer ik mezelf op een broodje shoarma. Daarna maak ik een foto vanaf dezelfde plek waar Van Zwol in 1973 het Schulhaus en de kerk fotografeerde.

 
Kerk en Schulhaus in Hörsching in 1973, zoals afgebeeld in Op reis door ’t land van Bruckner   Hörsching, kerk en Schulhaus anno 2018

Ruim op tijd ben ik terug in Sankt Florian voor de tweede Hörerlebnis die ik deze week meemaak. Stiftsorganist Klaus Sonnleitner heeft een programma samengesteld met orgelwerken van onder meer tijdgenoten van Bruckner. Pius Richter (1818-1893), van wie ter opening het Präludium über das österliche Alleluja und die Kaiserhymne klinkt, was sinds 1863 Exspektektant en later definitief Hoforganist in Wenen. Van Bruckners leraar Simon Sechter (1788-1867) horen we een Präludium in f en van zijn leerling Rudolf Bibl (1832-1902), ook Hoforganist, een deel uit diens Sechs Charakterstücke für Orgel Op. 64. Ook de Deen Niels Gade (1817-1890) past in dit programma met een van zijn Drei Tonstücke für Orgel en als ‘groet uit Parijs' klinkt Théodore Dubois' Grand Chœur. Het Brucknerorgel blijkt de afgelopen dagen behoorlijk te hebben geleden onder de warmte van de studiolampen, de daarmee gepaard gaande droogte en tocht vanwege openstaande deuren. Niettemin ziet Sonnleitner kans om de meest ontstemde registers te vermijden.

 
  Het graf van Josefa Wagenbrenner (geb. Bruckner), Ignaz Bruckner en Maria Anna Bruckner

Na afloop van het concert vergezelt Sonnleitner me naar de begraafplaats bij de Stiftskirche en wijst hij me enkele markante grafstenen aan, waaronder het graf van Josefa Wagenbrenner geb. Bruckner, de zes jaar jongere zuster van Anton. In dit graf zijn ook Ignaz Bruckner – ‘Herr Kalkant' genoemd omdat hij ontelbare malen als orgeltrapper fungeerde wanneer zijn broer maar ook diens opvolgers het orgel in de Stiftskirche bespeelden – en zijn twaalf jaar jongere zuster Maria Anna Bruckner bijgezet. Zij was de laatste vijf jaar van haar leven huishoudster bij haar broer Anton, vanaf 1865 in Linz en daarna in Wenen tot haar overlijden.

Zo sta je voor het Schulhaus waar Bruckner zijn tienerjaren doorbracht, zo sta je bij zijn laatste rustplaats en die van zijn verwanten en slaap je onder het dodenmasker van de componist zelf. Markante plekken, deel uitmakend van een componistenleven vol hoogtepunten en teleurstellingen, heb ik deze week bezocht. Indrukken daarvan komen beurtelings bovendrijven tijdens de uitvoering van de immense Achtste Symfonie in de Stiftskirche. Ook vanavond getuigt Gergiev van overzicht over de materie. Ditmaal dirigeert hij zonder stok. Met de bekende zwabberende handen geeft hij vorm aan de door Bruckner aan keizer Franz Joseph I opgedragen symfonie, in de Fassung 1890 van Leopold Nowak.

Dag 9: St. Florian – Regensburg – Würzburg
Op de terugweg naar huis kan ik het niet laten om gehoor te geven aan een tip die Cornelis van Zwol in het twaalfde, tevens laatste deel van zijn artikelenserie ‘Op reis door 't land van Bruckner' geeft: een bezoek aan het roemruchte ‘Walhalla' bij Regensburg. “In deze Duitse praal-tempel, gebouwd naar een idee van Ludwig I von Bayern en geopend in 1842, prijkt sinds 1937 ook het borstbeeld van Bruckner van de hand van Adolf Rothenburger.” Het beeld kwam er te staan dankzij die andere Adolf, die zo'n grote impact op de geschiedenis van Europa heeft gehad.

Het heeft wel wat om de in klassiek-Griekse stijl gebouwde tempel badend in de felle namiddagzon tegen de groene berghelling te zien afsteken. Het blijkt nog steeds een echte toeristenattractie. Naast Bruckner, Beethoven, Schubert en Wagner tref je binnen ook borstbeelden aan van Anthonie van Dyck, Erasmus, Hugo de Groot, Boerhaave en Maarten Harpertszoon Tromp. Opvallend veel jongeren hebben zich buiten op de trappen genesteld en doen zich tegoed aan de zon.

Het Walhalla bij Regensburg
Galerij der groten in het Walhalla
Bruckner en Reger in het Walhalla

De combinatie ‘Bruckner en het orgel' is in dit verslag meermaals aan de orde geweest. Dat is niet onlogisch als je een zwak hebt voor Bruckners composities én voor het instrument dat hem na aan het hart lag. Omdat Bruckner maar zeer weinig voor orgel geschreven heeft – alleen het korte Perger Präludium verraadt iets van het idioom van de latere componist – zijn er organisten die zich hebben toegelegd op het transcriberen voor orgel van Bruckner-symfonieën of delen daaruit. Eén van hen is de Duitse organist Erwin Horn uit Würzburg. Al in 1990 nam hij in Nürnberg een cd op met Bruckners orgelwerken, aangevuld met transcripties van delen uit de symfonieën 0 en 6 en de Studiensymphonie, alsook de door hemzelf gearrangeerde Improvisationsskizze Bad Ischl. In de kloosterwinkel ontdekte ik een cd uit 2007 van hem op het Brucknerorgel waarop hij symfoniedelen van Hans Rott, Anton Bruckner en Gustav Mahler speelt, alsook de Trauermusik – Dem Andenken Anton Bruckners van Otto Kitzler (1834-1915), de man die de tien jaar oudere Bruckner vormenleer en instrumentatiekunst bijbracht. Met zijn vrouw Roswitha heeft Horn de symfonieconcerten in de Stiftskirche bijgewoond en tijdens een bezoek aan de Stiftskeller ben ik door Klaus Sonnleitner aan hen voorgesteld. Luisterend naar zijn St. Florian-cd, 's avonds op doorreis in Duitsland, overvalt me de behoefte om hem in het nabijgelegen Würzburg op te zoeken. Hij reageert meteen op mijn mail en de volgende ochtend ben ik meer dan welkom in hun in het groen gelegen huis.

Erwin en Roswitha Horn leven op een stukje grondgebied in een buitenwijk dat zij jaren geleden hebben kunnen overnemen van het Augustijnenklooster in Würzburg. Zijn eerste kennismaking met Bruckner: het hoornthema (Horn!) uit de 4 e Symfonie. Zijn eerste Bruckner-transcripties voor orgel verschenen bij Breitkopf, tegenwoordig worden ze uitgegeven bij Dr. J. Butz. Momenteel heeft hij zich tot taak gesteld om alle Bruckner-symfonieën voor orgel te bewerken voor de organist Hansjörg Albrecht. “Van vroeg tot laat ben ik ermee bezig. Ik ben bij het ‘nulpunt' begonnen: die Nullte is klaar, en ook het eerste en tweede deel van de Eerste Symfonie. Nog acht en een halve symfonie te gaan! Er staat behoorlijk wat tijdsdruk op want ik beschouw dit werk als een finale levensopgave.”

Erwin Horn (1940) studeerde theologie, pedagogiek, kerkmuziek en muziektheorie in zijn geboorteplaats Würzburg en was docent orgel en muziektheorie aan de rooms-katholieke kerkmuziekschool in Regensburg (1977-1980) en aan het Hermann-Zilcher-Konservatorium in Würzburg (1980-2001), de laatste jaren als directeur. Hij was o.m. verantwoordelijk voor de uitgave van de Orgelwerke (mit Revisionsbericht, Band XII/6, 1999) in het kader van de Gesamtausgabe.

Horn heeft ook het dagboek van Bruckners achternichtje Laura Hueber – zij werd slechts 19 jaar – gepubliceerd in het Jahrbuch 2001-2005 van het Bruckner Institut Linz. Daarvoor moest hij zich het oude Kurzschrift eigen maken; dat is hem gelukt dankzij een antiquarisch boek dat hij tijdens een vakantie opdook in een antiquariaat. Een andere studie heeft hij gewijd aan Bruckners leraar Otto Kitzler. Ondanks het feit dat hij deze lijvige studie heeft omgewerkt tot een verkorte versie van 200 pagina's heeft hij geen uitgever voor weten te interesseren.

Horn is ook lid van de vereniging ‘Florianer Freunde der Kunst' en onderhoudt al sinds 1963 warme betrekkingen met het Augustinerstift. In 2010 ontving hij vanwege zijn verdiensten voor het Bruckner-onderzoek de gouden Bruckner-Medaille van de Oberösterreichische Brucknerbund. In november 2017 verblijdde Horn de bibliotheek van St. Florian met een originele brief van Anton Bruckner uit zijn verzameling. De brief dateert van 21 augustus 1887 en is gericht aan Marie Richter, de echtgenote van de dirigent Hans Richter, die de première van Bruckners 4 e en 8 e Symfonie verzorgde. De bibliothecaris van St. Florian was er zeer mee ingenomen omdat men in het klooster tot dusver alleen over brieven aan Bruckner beschikte maar nog niet over een brief van zijn hand.

Erwin en Roswitha Horn voor hun tuinhuis in Würzburg

Ze zijn al ‘op leeftijd', Erwin en Roswitha Horn, en vertrouwen me tijdens de warme lunch toe dat ze met toestemming van de Augustiner Chorherren een plekje hebben uitgezocht op de begraafplaats van Stift St. Florian. Ze wuiven me hartelijk uit wanneer ik de straat uitrijd, op weg naar huis, met een koffer vol herinneringen.

Het programma van het Internationales Brucknerfest Linz 2019 is hier te vinden. Het bijbehorende programmaboek is hier in te zien.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links