Column

De armoe van de formats

 

© Aart van der Wal, februari 2020

 

 

Collega Maarten Brandt beschreef in zijn column de abominabele geluidskwaliteit van de uitzendingen op Radio 4. Vervolgens ontbrandde op Facebook een discussie in de trant van welles-nietes, waarbij er - slecht gebruik - van alles en nog wat met de haren werd bijgesleept waardoor de discussie weer een flauw aftreksel werd van die column.

Ik ben het volledig met Maartens bevindingen eens. Soms schiet er een uitzending tussendoor die een goede geluidskwaliteit biedt (de NTR ZaterdagMatinee is zelfs een positieve uitschieter, zoals dat ook geldt voor sommige live-uitzendingen). Het daardoor aangewakkerde optimisme heb ik echter al lang geleden begraven: de oude kwalen bleven onverstoorbaar gehandhaafd.

Maar het drama van Radio 4 strekt helaas nog aanzienlijk verder, wat alles te maken heeft met de bedenkelijke formats die worden gehanteerd en de presentatie die zich daaraan heeft aangepast. Het is dus knulligheid alom, met bovenaan de lijst dat voldoende kennis van zaken geen absolute voorwaarde meer is voor het presenteren van een programma op Radio 4. De programmamakers van de verschillende omroepen – zo denk ik dan – hanteren een in hun ogen veel belangrijker criterium: een prettige radiostem, goed gebekt zijn, over een vlotte babbel beschikken. Werken voor vaak aangekondigd zonder benul van de juiste uitspraak; of helemaal niet (raden maar, alsof Hans van den Boom het heeft bedacht). Maar van belang lijkt dat allemaal niet. Wel dat de doctrine van de vaste formats zijn werk doet, in de vorm van directe herkenbaarheid en op het vaste tijdstip. Welke omroep het programma uitzendt interesseert vrijwel niemand. Waarom zou je ook? Ook die tijd is allang voorbij.

Wat is daar mis mee? Eigenlijk niets, want vluchtigheid, oppervlakkigheid, lichtvoetigheid, het zijn belangrijke elementen geworden om het luisterpubliek aan een bepaald programma te binden. Zoals de samenstellers van concertprogramma's geen musicologische kennis meer in de strijd hoeven te werpen om een seizoensprogramma in elkaar te timmeren. Wie een beetje thuis is in de klassieke muziek kan dat zo doen, op een slof en een schoen.

Ook in het concertbedrijf (ik laat opera- en balletvoorstellingen doelbewust buiten beschouwing) is sprake van bepaalde formats met als voornaamste doel daarmee zoveel mogelijk publiek aan het orkest (en dus de kassa) te binden. Is het bij de radio het luisteronderzoek en zijn het de luistercijfers die de doeltreffendheid van het format bepalen, zo is het bij de orkesten het marktonderzoek aan de hand waarvan het beleid nu en in de naaste toekomst wordt bepaald.

Zou er, wat de radio betreft, op dit moment behoefte zijn aan presentatoren van het kaliber Ernst Vermeulen, Konrad Boehmer of Ton Hartsuiker? Zou er nog ruimte zijn voor een cantateserie, zoals alweer lang geleden gepresenteerd door ds Willem Ouweneel? Zou iemand het nu durven wagen om een radioserie te wijden aan de achtergronden van het romantische kunstlied? Of aan het oeuvre van Matthijs Vermeulen of Alphons Diepenbrock? Natuurlijk niet. Het past sowieso niet in een tijd waarin veel muziek alleen maar de rol van 'behang' mag vervullen, dag in, dag uit.

Radio 4 is geen zender die kennisvermeerdering nastreeft. Het is vooral een zender waarvan de programma's ingeklemd zitten tussen simpele, goed herkenbare en vooral niet al te moeilijk vormgegeven formats en tijdstippen (zoals de blijkbaar onvermijdelijke STER-reclame en nieuwsbulletins op het hele uur). Alleen al die vaste tijdstippen maken het moeilijk om, verdeeld over de gehele dag, meer dan een uur muziek zonder onderbreking uit te zenden. Ga er maar aan staan.

Maar hoe boos het ‘elitaire' deel van de luisteraars er ook over mag zijn: het is toch het publiek dat in dit opzicht de marsroute aangeeft. De meeste programma's zijn immers de uitkomst van of het vervolg op kijk- en luisteronderzoek. Het draait in Hilversum om de kijk- en luistercijfers: daar moet alles aan worden opgehangen. En omdat de lat alsmaar lager wordt gelegd treden dientengevolge steeds meer homo sapiens tot het ‘elitaire' deel toe.

In het schitterende boek ‘Klinkende Alchemie' wordt door Maarten Brandt zeer gedetailleerd stilgestaan bij de kunst (want dat is het!) van het avontuurlijk programmeren. Hij breekt daarin een lans voor de meest uiteenlopende contrastrijke en daarmee spannende programma's. Het is feitelijk verplichte kost voor iedere progammeur, onverschillig of hij voor het podium of voor de radio programma's samenstelt. Maar zoveel is duidelijk: als de heren en dames het al hebben gelezen, hebben ze er tot vandaag niets mee gedaan.

Uit de reacties op Facebook heb ik al een naargeestige conclusie getrokken: dat de oppervlakkige formats blijkbaar in evenwicht zijn met wat het publiek vraagt of verwacht. Dat het aldus een vicieuze cirkel oplevert die geen zicht biedt op boeiender radio- en concertprogramma's lijkt niemand verder te interesseren. Dat de fascinatie voor de meest diverse ‘serieuze' muziek door dergelijke bolwerken niet wordt gestimuleerd glijdt langs de koude kleren af. Dat het decennialang verslonsde muziekonderwijs er mede schuldig aan is, is allang vergeten.

Maar is er ook winst? Zeker, maar die komt ergens anders vandaan: van de cd, dvd en muziekdiensten als Spotify en Qobuz. Wat dit laatste betreft: wie zoekt op ‘Rihm' of ‘Henze' krijgt een stortvloed van opnamen te zien waaruit gekozen kan worden. Duizenden componisten, duizenden werken, zo voor het grijpen. Nee, dit is geen alternatief voor de concertzaal, maar het glas is in dit opzicht wel aanmerkelijk meer dan halfvol. Muziek uit de muur, het klinkt banaal, maar het is wel dit aanbod dat zo schrijnend laat zien waar radio en concertbedrijf zo ernstig in tekortschieten. Het zijn de formats die heer en meester zijn. Het is stikstof voor de muzikale ziel.

Stefan Zweig beschreef het cultuurverlies al in in zijn 'De wereld van gisteren'. Theodor Adorno en Arnold Schönberg wezen al op de teloorgang van de hogere cultuur als gevolg van de sterke opkomst van de radio en de amusementsindustrie. Gedrieën hebben ze postuum gelijk gekregen. En de ervaring heeft geleerd dat wat verloren is gegaan niemand meer terughaalt. Orkesten en gespecialiseerde ensembles verdwenen met even groot gemak als dat het oppervlakkige gewauwel op de radio zijn plek veroverde. Wie er geen aanstoot aan neemt heeft mogelijk geen referentiekader dat de weg wijst naar een veel roemrijker verleden. Een betere verklaring kan ik niet bedenken.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links