CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, april 2017

 

Tsjaikovski:   Symfonie nr. 1 in g, op. 13 (Winterdromen) - The Tempest op. 18

Orchestra of St. Luke's o.l.v. Pablo Heras-Casado

Harmonia Mundi HMC 902220 • 69' •

Opname: nov. 2014 & okt. 2015, DiMenna Center, New York

Interview van Paul Korenhof met Pablo Heras-Casado

   

Pablo Heras-Casado (1977) is al sinds 2011 chef-dirigent van het Orchestra of St. Luke's in New York, en met deze opnamen uit 2014/5 wordt die samenwerking voor het eerst op cd vastgelegd. St. Luke's is een typisch grotestadsensemble, dat gretig gebruik maakt van het enorme reservoir aan freelance musici dat een metropool te bieden heeft. Het is geformeerd rond een vaste kern van zo'n twintig musici voor het barokke repertoire, daaraan kan een tweede schil worden toegevoegd voor de Weense klassieken, en een derde schil maakt de uitvoering van grote symfonische werken haalbaar. De uitdrukking kaartenbakorkest ligt op de loer, maar in een stad als New York (net als in Londen, Berlijn of Amsterdam) hoeft dat bepaald geen negatieve bijklank te hebben. Integendeel, je hebt altijd de beste musici voor het uitzoeken en de concurrentie is moordend. Georges Bizet had daar zo zijn eigen kijk op toen hij opmerkte dat muziek een prachtige kunst is, maar een verschrikkelijk beroep.

Pablo Heras-Casado heeft twee opvallende kwaliteiten. Zijn repertoire is onwaarschijnlijk breed - het reikt van Palestrina tot Boulez en van madrigaal tot opera. Bovendien heeft hij voor iemand van zijn leeftijd een respectabel aantal opnamen uitgebracht, in zo'n beetje alle genres, en met moderne zowel als tijdeigen orkesten. Hij dirigeert alle orkesten die er toe doen, en stond al in 2012 voor het KCO. Eigenlijk mag men zich verbazen over het feit dat hij er nog geen bijpassende positie aan heeft overgehouden. Misschien dat deze uitgave daaraan kan bijdragen? Want het is knap om een ensemble dat eigenlijk de naam symfonieorkest in de gebruikelijke zin niet mag dragen om te vormen tot een orkest dat in Tsjaikovski klinkt als een klok. Het Britse maandblad Gramophone bombardeerde deze schijf tot cd van de maand; normaal gesproken een reden om uit vrees voor chauvinisme even rustig de adem in te houden, maar daar het hier om een Amerikaans orkest gaat mogen we gerustgesteld uitademen.

Tsjaikovski voltooide zijn eersteling in 1866, op 26-jarige leeftijd. Een formidabele prestatie voor iemand die weliswaar muzikaal begaafd was maar eerst een rechtenstudie voltooide en een kantoorbaan aannam en opzegde, om vervolgens in drie jaar tijd de conservatoriumopleiding tot volleerd componist te doorlopen. Voor zijn inspiratie keek hij vanuit St. Petersburg niet naar het oosten, maar naar het westen, naar het Leipzig van Mendelssohn. Het is overduidelijk dat titels als 'Schotse' en 'Italiaanse' symfonie Tsjaikovski op een idee brachten. Maar meer dan de literaire aanleiding mag de muziek van Mendelssohn als inspiratiebron gelden. Het begin van het tweede deel, Somber land, mistig land, is ondenkbaar zonder de Schotse Symfonie of Webers opera Der Freischütz. De afstand tussen Tsjaikovski's Eerste en zijn Zesde is veel groter dan die tot Mendelssohn, om nog maar te zwijgen van het feit dat Brahms zijn Eerste precies een decennium na die van de Rus voltooide. Redenen te over om deze Winterdromen eens te benaderen door de bril van de kapelmeester van het Gewandhausorchester. Dat betekent een veel kleiner strijkorkest dan we vandaag de dag gewend zijn. Zichzelf respecterende orkesten spelen het 'grote' repertoire zonder uitzondering met een bezetting die als basis acht contrabassen kent en vandaar naar boven uitbouwt met een lessenaar meer per groep om op zestien eerste violen uit te komen.

Het kan ook anders, lijkt Heras-Casado met deze uitvoering te willen zeggen. Hoeveel strijkers hij tot zijn beschikking heeft vermeld de bijsluiter niet, maar ik schat tien eerste violen en terugrekenend naar drie of vier contrabassen (10-8-6-4-3). Hoe dan ook een realistisch getal, in aanmerking genomen dat Brahms voor de premières van zijn symfonieën in Meiningen met minder genoegen nam - sterker nog, een grotere bezetting afwees als overbodig. Hoe verhoudt zich deze uitgave tot het recente aanbod in de cd-catalogus? De Britten hebben in Vassily Petrenko een dirigent in huis gehaald die zich in Tsjaikovski bewezen heeft met zijn Liverpudlians. Aart van der Wal heeft hier de eerste aflevering van een integrale besproken. Het ligt voor de hand om even te luisteren naar beider interpretaties van de Winterdromen. Petrenko was op Mezzo te zien in de finale van de Eerste symfonie, het meest problematische deel van het werk, met name in de coda waar Tsjaikovski van climax naar climax werkt. Petrenko lost het op door zijn tempo stelselmatig op te voeren, een oplossing die hij van oudere Russische collega's heeft afgekeken. Er staat in de partituur weliswaar più animato (sneller) maar dat is niet hetzelfde als accelerando (alsmaar sneller en sneller). Herbert von Karajan houdt zich in zijn veelgeprezen opname aan de partituur en laat horen dat het kan. Heras-Casado doet hetzelfde en overtuigt niet helemaal, doordat hij een iets langzamer tempo kiest. Maar in het begin van die coda, Andante lugubre, weet hij de ijzige winterkou die door het strijkorkest trekt prachtig in klank om te zetten door zijn strijkers non-vibrato te laten spelen, en dan helpt het dat het strijkorkest relatief klein is.

De opname verdient een aparte vermelding. Ze werd gemaakt in de thuisbasis van het orkest, het DiMenna Center in Hell's Kitchen in downtown Manhattan, een soort studio annex concertzaal, nieuw gebouwd op initiatief van het orkest, en optimaal geschikt voor repetities, opnamen en concerten. De opening vond plaats in november 2011 en afgaande op het klinkende resultaat is de ruimte ideaal voor opnamen. Wat in deze registratie opvalt is de doorzichtigheid van het klankbeeld, met een heerlijk breed perspectief van links naar rechts zowel als in de diepte. Daardoor klinkt het orkest ook nooit klein maar krijgt de strijkersklank alle gelegenheid om te bloeien. Maar er is nog een belangrijke reden om deze cd bloedserieus te nemen, en die heeft te maken met de kijk op onze symfonische concertpraktijk, zoals die zich ontwikkeld heeft in de afgelopen eeuw. Die orkestpraktijk lijkt te functioneren vanuit een soort tunnelvisie waarbij de symfonische strijkorkestbezetting zich baseert op de megalomane ideeën van Gustav Mahler en Richard Strauss. Bigger is Better - anders word je niet serieus genomen. Dat het ook anders kan wordt hier overtuigend bewezen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links