CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, december 2012

 

 

Suk: A Summer's Tale op. 29 - Praga op. 26

BBC Symphony Orchestra o.l.v. Jirí Belohlávek

Chandos CHSA 5109 • 80' • (sacd)

Opname: 3-4 januari 2012, Watford Colosseum

 

 


Halverwege het leven van Josef Suk (1874-1935) sloeg het noodlot toe. Op 5 mei 1904 overleed zijn schoonvader en idool Antonín Dvorák; precies veertien maanden later stierf zijn echtgenote Otilka, Dvoráks oudste dochter. Een tragedie waarmee Suk de overige eenendertig jaar van zijn leven mee zou worstelen, en die in zijn composities indrukwekkend gestalte heeft gekregen. Met name in vier grote symfonische partituren: de Asrael- Symfonie op. 27, A Summer's Tale op. 29, Ripening op. 34 en Epilog op. 37. Suk heeft geen groot oeuvre nagelaten, en de verdeling orkestwerken en kamermuziek is ongeveer half om half. Het totaal past op twaalf cd's.

Josef werd geboren in een klein dorpje, als zoon van een schoolmeester; van zijn vader leerde hij piano, orgel en viool spelen. Op zijn elfde ging hij naar het Conservatorium te Praag, waar hij zich toelegde op viool en compositie. In het laatste jaar van zijn studie was hij de favoriete leerling van Dvorák. Aansluitend aan zijn studie werd hij tweede violist in het Tsjechisch Strijkkwartet, waarmee hij tot zijn terugtreding in 1933 ruim vierduizend concerten gaf. Suk schreef in zijn jonge jaren een aantal kamermuziekwerken, maar zijn grote kracht ligt in zijn orkestpartituren. Daarin sluit hij zich aan bij die componisten die de overgang van de hoogromantiek naar de moderne spraak van de twintigste eeuw hebben veroorzaakt: Mahler (Zevende Symfonie), Schönberg (Pelleas und Melisande), Zemlinsky (Lyrische Symphonie) en Skrjabin (Poème de l'extase).

In de lente van 1904 begon Suk aan een symfonisch gedicht dat de schoonheid van de stad Praag moest bezingen. Hij was op dat moment in Spanje, op toernee met het Tsjechisch Strijkkwartet. Toen zijn schoonvader in mei van dat jaar overleed keerde hij terug naar Praag om de begrafenis bij te wonen. Op dit punt maakt het tekstboekje er een rommeltje van, want dat plaatst de dood van Suks vrouw Otilka twee maanden later - zij stierf echter veertien maanden later, nadat Suk de partituur van Praga voltooid had in oktober 1904. Het is dus zinnig om te veronderstellen dat Suk zijn liefde voor de Tsjechische hoofdstad en zijn verering voor zijn schoonvader en mentor hier heeft willen verklanken. Het motto van het werk is een bekende Hussitische koraalmelodie, dezelfde waar de twee laatste delen van Smetana's Ma Vlast op gebaseerd zijn.

Na Otilka's dood in 1905 valt Suk in een diep zwart gat, waaruit hij middels zijn Asrael Symfonie omhoog probeert te klimmen. Het hoeft geen betoog dat die titanische strijd in het klinkende resultaat doorklinkt. Voor vertroosting is hier nog geen plaats. In de zomer van 1907, in de zes weken vakantie van zijn kwartetverplichtingen, schetste hij een symfonisch gedicht in vijf delen, Pohádka léta (Een Zomersprookje). De volgende twee jaren besteedde hij aan de uitwerking, en in 1909 vond de première plaats. De bittere smart van Asrael heeft hier plaats gemaakt voor acceptatie en berusting. In de zin van Mahler - een symfonie is wereldomvattend - zou je dit vijfdelige symfonische gedicht gerust een symfonie mogen noemen. Maar dan wel een waarin een innerlijke wereld tot klinken komt, waarin herinneringen aan gelukkiger tijden worden opgehaald. Het derde deel, een intermezzo met de titel 'Blinde muzikanten' roept onwillekeurig associaties op met het verworpen intermezzo uit de Eerste symfonie van Mahler, 'Blumine'. Het is een prachtige elegie voor twee althobo's, twee harpen, viool- en altvioolsolo plus strijkorkest. Oorspronkelijk maakte het deel uit van de toneelmuziek voor 'Raduz a Mahulena'.

Van alle dirigenten die zich in de loop van een eeuw met de orkestwerken van Suk hebben beziggehouden mag Jiri Belohlavék zich zo langzamerhand het meest ervaren noemen. De discografische traditie begon uiteraard bij de Tsjechische Philharmonie, eerst onder Václav Talich, vervolgens onder Václav Neumann en Libor Pesek. Belohlavék is de eerste dirigent die veel van deze partituren tweemaal heeft kunnen opnemen. Met de Tsjechische Philharmonie voor het label Supraphon, en met het BBC Symphony Orchestra voor Chandos. Mengvormen zijn ook mogelijk, getuige de recente opname van Asrael met de BBC Symphony voor Supraphon (klik hier).

Dat Belohlavék een meester is staat buiten kijf, maar dat was Talich ook. Neumann en Pesek zijn zeker ook geen kleine jongens. Maar wanneer de opnamekwaliteit een woordje mee gaat spreken staat deze nieuwkomer eenzaam aan de top. Ik ben wel heel nieuwsgierig naar de orgelbijdrage aan het slot van Praga. De opnamelocatie, Watford Colosseum, is een aangepast filmtheater met bijbehorend - jawel, behouden en gerestaureerd - bioscooporgel (denk aan Tuschinski in Amsterdam). Niet echt de orgelklank die we hier te horen krijgen, maar over import van elders zwijgen de opnamegegevens. Hoe dan ook - een prachtige aanwinst. Het is te hopen dat Belohlavék wanneer hij het BBC Symphony Orchestra verwisselt voor de Tsjechische Philharmonie, zijn toewijding aan de zaak Suk zal voortzetten.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links