CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, juli 2009

 

 

Schumann: Vioolsonate nr. 1 in a, op. 105 - nr. 2 in d, op. 121 - nr. 3 in a, WoO 27.

Carolin Widmann (viool), Dénes Várjon (piano).

ECM New Series 2047 • 72' •

www.ecmrecords.nl

 


Robert Schumann kwam pas laat tot het schrijven voor de viool, maar hij maakte wel een forse inhaalslag. Tussen 1851 en 1853 produceerde hij drie vioolsonates, een vioolconcert en een fantasie voor viool en orkest. De beide eerste sonates dragen de opusnummers 105 en 121. Hij schreef ze in 1851 op instigatie van de concertmeester van het Leipziger Gewandhausorchester, Ferdinand David. Twee jaar later deed de jonge vioolvirtuoos Joseph Joachim, met in zijn kielzog Johannes Brahms, zijn intrede in huize Schumann, met verreikende gevolgen voor alle betrokkenen. Het Vioolconcert (zonder opusnummer) en de Fantasie (opus 131) dateren uit dat jaar.  

De dramatische gebeurtenissen rond de late werken van Schumann zijn recentelijk onderwerp geworden voor composities van Heinz Holliger, met name diens Romancendres (ECM 2055 476 3225, klik hier), gebaseerd op het feit dat Clara de Fünf Romanzen voor cello en piano uit november 1853 prijsgaf aan het haardvuur (cendres = as). Johannes Brahms en Clara Schumann maakten zich grote zorgen over de artistieke nalatenschap van een componist die door zijn tijdgenoten al enorm werd bewonderd. Zij besloten dat publicatie van het vioolconcert de posthume reputatie van Schumann alleen maar kon schaden, en dus leidde het bijna een eeuw lang een sluimerend bestaan. De eerste uitvoering heeft een nare bijsmaak. Toen de Nationaalsocialisten in Duitsland de uitvoering van Joodse componisten verboden, zaten ze met een probleem, want dat betekende het einde van concertuitvoeringen van Mendelssohns geliefde Vioolconcert. Het Vioolconcert van Schumann leek daartoe de perfecte oplossing te bieden, en zo kwam het eindelijk tot de eerste gedrukte uitgave. Bij een Nationaalsocialistische propagandabijeenkomst in 1937 te Berlijn werd het voor het eerst gespeeld. Hoewel het zich niet kan meten met dat van Brahms en Beethoven (of Mendelssohn) vormt het, in de woorden van Yehudi Menuhin, 'de historisch missende schakel in de vioollitteratuur, die de brug slaat tussen de concerten van Beethoven en Brahms, hoewel het meer tegen Brahms aanleunt'. Menuhin was door de uitgever aangezocht om de wereldpremičre van het concert te geven, maar dat werd uiteraard door de Nazi-regering verhinderd. Met deze dubieus verkregen reputatie geraakte het werk na de val van het Derde Rijk opnieuw in de vergetelheid.

De derde vioolsonate dateert eveneens van 1853 en is de completering van een werk waarvoor Schumann in dat jaar twee delen maakte: de F.A.E. (Frei aber einsam) Sonate die Johannes Brahms, Albert Dietrich en Robert Schumann schreven voor hun vriend, de violist Joseph Joachim. Joachim kreeg de sonate aangeboden na afloop van de eerste uitvoering van Schumanns Fantasie voor viool en orkest. Dietrich schreef het eerste deel, Schumann het tweede (Intermezzo) en vierde (Finale), Brahms het derde (Scherzo). De bijdrage van Brahms heeft repertoire gehouden, de rest is ondergesneeuwd. In 1997 maakten Isabelle van Keulen en Ronald Brautigam een opname van de F.A.E. Sonate voor Koch (3-6554-2), samen met de Drei Romanzen opus 22 van Clara Schumann en de Eerste Vioolsonate van Brahms. Om er een geheel eigen werk van te maken schreef Schumann in slechts drie dagen, tussen 29 en 31 oktober 1853, twee nieuwe delen. Een opusnummer kreeg deze derde vioolsonate niet meer mee.

Schumanns componistenleven eindigde in 1854 door opname in een psychiatrische inrichting. Schumann was toen 43 jaar en leed sinds 1850 aan hallucinaties. Een besmetting met syfilis die hij in zijn jonge jaren opliep veroorzaakte een fatale geestesziekte, waaraan hij in 1856 bezweek. Deze informatie is relevant wanneer je ervan uitgaat dat Schumann tijdens het componeren van deze werken onder enorme psychische druk stond, en dat je dat dan eigenlijk ook zou moeten kunnen horen. Als vertolker sta je voor de keuze om de muziek vanuit een algemeen romantisch klankbeeld te laten horen, met de nadruk op brede stokvoering, een gezond vibrato en een klank die diep uit de snaren komt. Zo ongeveer klinkt het bijvoorbeeld bij Thomas Zehetmair. De Münchense violiste Carolin Widmann (zus van componist en klarinettist Jörg) en de Hongaarse pianist Dénes Várjan benaderen deze werken vanuit het tegenovergestelde gezichtspunt. Widmann is gepokt en gemazeld in hedendaags repertoire en heeft zich ook grondig verdiept in oude muziek. Met een heel arsenaal aan speeltechnieken laat zij ons een getormenteerde Schumann horen, de Schumann die in gezelschap nauwelijks luid durfde te spreken. De finale van de eerste sonate komt fluisterzacht tot leven, het is of Schumann steeds even angstig over zijn schouder kijkt om angstaanjagende spookbeelden te ontwaren. Het langzame deel van de tweede sonate begint met broze pizzicati die Widmann speelt alsof ze op glasscherven loopt. Dit zijn interpretaties die tot het uiterste gaan en daardoor diep ontroeren. Ze tonen ons de gebroken ziel van deze gekwelde componist. 


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links