CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, oktober 2021

Schubert: Symfonie nr. 4 in c, D 417 (Tragische)– nr. 5 in Bes, D 485

B'Rock Orchestra o.l.v. René Jacobs
Pentatone PTC 5186 856 • 59' •
Opname: juli 2019 (Symf. 4), De Spil, Roeselare (B); febr. 2020 (Symf. 5), Haus der Musik, Innsbruck (Oostenrijk)

   

René Jacobs (1946, Gent), ooit begonnen als gelauwerde altus in Monteverdi heeft zich de afgelopen decennia gemanifesteerd als een dirigent met een feilloos theatraal instinct. Wie zijn concertante opera-uitvoeringen heeft bijgewoond weet dat hij keer op keer weet te verrassen met optische en auditieve verrassingen die nog lang nazinderen. Dat geldt uiteraard ook voor de grote vocale werken uit de barok en het klassieke tijdperk. Wie na die spraakmakende live-ervaringen de registraties beluisterde zal ongetwijfeld van tijd tot tijd hebben vastgesteld dat verrassende keuzes die in de zaal de aandacht tot het uiterste gespannen houden op cd een beperktere houdbaarheid hebben. Niettemin mag Jacobs op het podium en in de catalogus bogen op een fenomenale hoeveelheid wapenfeiten als dirigent van vocale meesterwerken.

Het lag dan ook voor de hand dat hij zich vroeg of laat zou gaan buigen over het klassieke orkestrepertoire. In 2007 bracht het label Harmonia Mundi een cd uit met Mozarts symfonieën 38 en 41, drie jaar later gevolgd door 40 en 39. Hij dirigeerde toen het Freiburger Barockorchester, een ensemble waarmee hij in de loop van enige decennia een hechte band opbouwde. Beide cd's zijn hier enthousiast besproken door respectievelijk Maarten Brandt en Aart van der Wal.

Van een directe opvolging op Harmonia Mundi is het niet gekomen, maar in 2020 verscheen op het label Pentatone de eerst uitgave in een complete registratie van Schuberts symfonieën, dit keer met een kersvers Belgisch ensemble, het B'Rock Orchestra. In de promo op YouTube geeft Jacobs aan dat de jonge leeftijd van de betrokken musici hem bijzonder heeft aangesproken. B'Rock is in strikte zin niet een voltijd orkest zoals de Freiburgers, maar wordt per project samengesteld. Aan de technische kwaliteiten van het ensemble is dat niet te merken.

Het klinkend resultaat is dus geheel afhankelijk van de interpretatieve keuzes van Jacobs. Die beginnen met een paar logistieke constateringen. Wat mij ogenblikkelijk opviel bij beluistering van de eerste cd, met de symfonieën 1 en 6 (hier besproken door Aart van der Wal), was de ongebruikelijke orkestopstelling, met alle strijkers aan de linker- en de blazers aan de rechterkant. Een opstelling die we tot op de dag van vandaag regelmatig tegenkomen in de orkestbak bij operavoorstellingen. Op deze cd wordt ze in de vierde symfonie eveneens toegepast, maar in de vijfde kiest Jacobs voor de gebruikelijke opstelling, met de hoge strijkers links en rechts. In het boekje wordt keurig een overzicht van de betrokken musici gegeven, en daaruit blijkt een strijkersbezetting van 7/7/5/4/4. De forse bezetting aan de baskant zal menigeen verbazen, en ik heb het even nagekeken aan de hand van het promofilmpje: ze spelen echt met zijn vieren. Een bewuste keuze die vooral in de Vierde zijn stempel zet op het klankbeeld.

Jacobs schreef zelf de zeer uitgebreide toelichting, waarbij hij bijna van maat tot maat de modulaties van Schubert volgt, vaak aan de hand van de karakterbeschrijvingen die destijds aan toonsoorten werden toegedicht. Jammer dat hij geen verbanden legt tussen die karakteristieken en zijn interpretatieve keuzes waar het de tempi betreft, zowel in de basiskeuzes als de plotselinge modificaties, want die zijn op een aantal momenten zeer opvallend. Zo duurt het Menuet van de Vierde maar drie minuten, inclusief alle herhalingen. Wonderlijk is de beslissing om in de Finale van de Vierde een generale pauze in te lassen bij 10:14 (maat 474), en daar nog eens een generale pauze aan toe te voegen, vier maten voor het slot. We weten dat Schubert net als Bruckner bezeten was van de periodenbouw, het met regelmaat indelen van de partituur in groepjes van (meestal) vier maten. Dat is ook de reden dat de laatste maat van die Finale alleen maar een maat rust is – Schubert wil de periode van vier maten per se volmaken. Om dan vlak daarvoor een pauze in te lassen is een misplaatste dichterlijke vrijheid die gehakt maakt van Schuberts architectuur. Wat ook niet helemaal te volgen is, en waar Jacobs niets over schrijft, is de handhaving van de acht maten die Johannes Brahms toevoegde in zijn redactie (Breitkopf, Symfonie nr. 4, deel 1, maat 121 tot 129). In de Finale van de Vijfde brengt Jacobs bij 3:20 eigenhandig een subito meno mosso aan dat bij herhaling welhaast moet gaan vervelen.

Het zijn beslissingen die bij beluistering in de concertzaal vaak als een frisse wind ervaren zullen worden, en daarop berust dan ook de reputatie van Jacobs als dirigent. Of dat in de huiskamer mede dankzij de voortreffelijke opname ook zo ervaren wordt mag de lezer zelf beoordelen.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links