CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, oktober 2020

Strauss: Don Juan op. 20 – Sechs Lieder op. 68 – Tod und Verklärung op. 24

Louise Alder (sopraan), Deutsches Symphonie-Orchester Berlin o.l.v. Robin Ticciati
Linn CKD 640 • 69' •
Opname: nov. 2019, Jesus-Christus-Kirche, Berlijn-Dahlem

   

In januari 1909 ging aan de Semperoper in Dresden de opera Elektra van Richard Strauss in première. Een werk waarin de componist tot de rand van de tonaliteit doorstootte en dat hem destijds op de kaart zette als een radicale durfal. In 1913 vond in Parijs de première plaats van het ballet Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky, een werk dat een schandaal veroorzaakte en tot op de dag van vandaag door velen wordt gezien als de meest revolutionaire partituur van de twintigste eeuw. Beide componisten bereikten hier een eindstation en hebben in de rest van hun oeuvre een gematigder idioom aangehouden, met voor Strauss de Rosenkavalier als klinkend bewijs, en voor Stravinsky in hetzelfde genre The Rake's Progress. De ironie van de muziekgeschiedenis wil dat Stravinsky de reputatie van radicale vernieuwer heeft weten te behouden, terwijl Strauss menigmaal wordt afgeschilderd als een duffe conservatief. Niet minder ironisch is het feit dat Richard Strauss in het meest gespeelde grote symfonische repertoire bijna een eeuw lang op de eerste plaats heeft gestaan – hij wordt pas recentelijk door Gustav Mahler naar de kroon gestoten. Werken als Don Juan, Till Eulenspiegel en Also sprach Zarathustra zijn nog steeds niet van de lessenaars te branden, ook niet in de opnamestudio.

De Britse dirigent Robin Ticciati (1983) is sinds 2017 chef van het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin. Onder zijn voorgangers Ingo Metzmacher en Tugan Sokhiev heeft het orkest slechts spaarzaam aan de opnamecatalogus bijgedragen. Ticciati onderhoudt een innige relatie met het label Linn, waarop hij met zijn vorige orkest, het Scottish Chamber Orchestra, menige prijswinnende opname realiseerde. Ook in Berlijn heeft hij in korte tijd kans gezien om een aantal spraakmakende cd's uit te brengen, met name van Frans repertoire. In een promofilmpje op YouTube legt hij uit dat het tijd werd om met een Duits orkest het grote Duitse repertoire aan te pakken. Richard Strauss dus.

Gelukkig heeft Ticciati ingezien dat een schijfje met nog eens drie straussiaanse blockbusters niet voldoende zou opvallen. Dus is er gekozen voor vocale medewerking van de jonge Britse sopraan Louise Alder, in 2017 winnares van de publieksprijs bij de Singer of the World Competition. Alder beschikt over een lyrische coloratuursopraan die haar op het operatoneel successen bezorgde als Cleopatra, Susanna, Gilda en Sophie. Voor deze opname koos ze de Sechs Lieder opus 68, een cyclus op teksten van Clemens Brentano, gecomponeerd in 1918 en georkestreerd in 1933 en 1940. Strauss was gehuwd met een sopraan uit de betere kringen, Pauline de Ahna. Voor haar schreef hij de hoofdrollen in zijn vroege opera's, en de cyclus van vier liederen opus 27, waaronder het onsterfelijke Morgen, was zijn huwelijksgeschenk. Na de geboorte van hun enige kind zegde Pauline het operatoneel vaarwel, maar gaf nog regelmatig recitals met Strauss aan de piano. Toen ze in 1906 definitief haar zangcarrière opgaf stopte Richard jarenlang met het componeren van liederen. Pas in 1918, het laatste jaar van de Eerste wereldoorlog, pakte hij de draad weer op met een lied dat door de verschrikkingen van de oorlog ingegeven werd: Lied der Frauen. De titel die de dichter, Clemens Brentano, eraan gaf was Lied der Frauen, wenn die Männer im Kriege sind. Het werd het laatste van de Sechs Lieder opus 68, geschreven voor Elisabeth Schumann – ‘mijn tweede favoriete sopraan'. Schumann bezat een coloratuurstem die haar geknipt maakte voor de vier middelste liederen, voor het eerste en het laatste lied is een stem met een grotere omvang in de laagte nodig, denk aan de hoofdrol uit Ariadne auf Naxos.

Louise Alder opteert voor de complete cyclus, heeft een lichte coloratuursopraan, en ziet zich dus voor een bijna onmogelijke opgave gesteld. Paul Korenhof besprak hier in 2009 de – waarschijnlijk enige andere – opname door Diana Damrau en Christian Thielemann, en was daar zeer over te spreken. Alder is in vele opzichten te vergelijken met Damrau, beide sopranen beschikken over een indrukwekkende coloratuur, gepaard aan een niet al te groot geluid. In beide gevallen zou men in de beide buitenste liederen een iets warmere stem met een krachtiger laagte wensen. Beide zangeressen zijn, waar dat mogelijk is, uitstekend te verstaan – in het bovenste octaaf, waar ook de spreekstem stopt, is dat uiteraard niet meer van toepassing.

Wat betreft het orkestrale aandeel kunnen we even blijven hangen bij de beide dirigenten, want het contrast tussen Ticciati en Thielemann valt onmiskenbaar uit in het voordeel van de tweede. Ticciati heeft de beschikking over een uitstekend orkest, het derde in rangvolgorde van Berlijn, na de Philharmoniker en de Staatskapelle. In technisch opzicht is er niets aan te merken op zijn aanpak, alle noten zijn er en aan virtuositeit is geen gebrek. Daar blijft het wat Ticciati betreft ook bij, onder Thielemann gebeuren dingen die de oren doen spitsen en hij is een meester in het boetseren van de klank.

Samenvattend: een welkome hernieuwde kennismaking met een orkestrale liedcyclus van Richard Strauss, die naast zijn Vier letzte Lieder veel meer aandacht verdient. Met alle middelen waarover ze beschikt gezongen door een veelbelovende jonge sopraan, die zich in de competitie uitstekend weet staande te houden. De beide orkestwerken zijn een aantrekkelijke bonus, de opname laat geen wens onvervuld.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links