CD-recensie

 

© Paul Korenhof, februari 2011

 

 

Orkestliederen van Richard Strauss

R. Strauss: Liederen (Ich wollt ein Sträußlein binden - Waldseligkeit - Das Bächlein - Winterweihe - Morgen - Allerseelen - Cäcilie - Amor - Säusle, liebe Myrthe - Freundliche Vision - Ständchen - Traum durch die Dämmerung - Wiegenlied - Meinem Kinde - Muttertändelei - Zueignung - Das Rosenband - Heimkehr - Als mir dein Lied erklang - Des Dichters Abendgang - An die Nacht - Lied der Frau

Diana Damrau (sopraan), Münchner Philharmoniker o.l.v. Christian Thielemann

Virgin Classics 628664

Opname: maart 2009


Er zijn momenten waarop ik het liedrepertoire van Richard Strauss hoger aansla dan zijn opera's, zeker als ik zijn liederenschat van vóór circa 1920 leg naast alles wat hij daarna nog geschreven heeft, met uitzondering dan van Arabella en de Vier letzte Lieder. Ik moet ook eerlijk zeggen dat ze mij voor zijn liederen altijd wakker kunnen maken, terwijl ik af en toe toch echt liever doorslaap dan dat ik de zoveelste lawaaierige Salome of Elektra of weer eens een onverstaanbare Rosenkavalier 'in een internationale sterbezetting' over mij heen laat komen. In zijn vocale muziek is Strauss op zijn best als je hem kunt verstaan, letterlijk én figuurlijk.

Voor een nieuwe cd met liederen, zeker als het gaat om orkestbewerkingen (in dit geval drie van Heger en één van Weninger), ga ik meteen rechtop zitten, zeker als de dirigent niemand minder is dan Christian Thielemann, voor mij als 'Kapellmeister' de legitieme opvolger van Rudolf Kempe. Op dat punt stelt deze cd zeker niet teleur. Wat Thielemann bereikt met de Münchner Philharmoniker is zonder meer vergelijkbaar met de samenwerking tussen Kempe en de Staatskapelle Dresden, nog steeds het Strauss-orkest bij uitstek. Deze cd heeft echter het voordeel van een bijzonder uitgekiende opname, al vraag ik me soms af in hoeverre die reëel is. Het samenspel van de Damrau's stem met diverse solo-instrumenten in 'Meinem Kinde' is van een weergaloze kamermuzikale verfijning, maar als ik dit lied leg naast enkele 'meer volumineuze' vertolkingen op dezelfde cd, betwijfel ik of beide uitvoeringen in de zaal op dezelfde manier op mij zouden overkomen...

Mijn bewondering voor zowel Damrau als Thielemann en mijn liefde voor dit repertoire verhinderden niet dat ik behalve met grote nieuwsgierigheid ook met een geringe aarzeling aan deze cd begonnen ben. Of het smaak is of vooroordeel, weet ik niet, maar ik voel altijd enige huiver als de vertolkster in kwestie 'een Zerbinetta' is. Opgegroeid als ik ben met de klank van zangeressen als Lisa Della Casa in mijn oren, is de ideale vertolkster van een Strauss-lied voor mij 'een Marschallin', 'een Ariadne' of 'een Arabella'. Al mijn bewondering voor Erika Köth, Edita Gruberova of Rita Streich heeft niet kunnen verhinderen dat ik hun opnamen in dit genre nooit meer een tweede keer heb beluisterd. Hun timbres waren mij te dun en te kernachtig voor een laatromantiek die vraagt om fluwelen warmte.

Bij Diana Damrau is de vrees voor zo'n 'spichtige' vertolking ongegrond. Ook zij heeft vooral naam gemaakt als coloratuursopraan en in Strauss-rollen als Sophie en Zdenka, maar haar stem is eerder die van een 'Duitse Callas': geen echte 'coloratuursopraan' in de kanarietraditie, maar een lyrisch-dramatische sopraan met een enorme coloratuurtechniek. Haar timbre is ook nog ronder en voller dan dat van Hilde Güden, die eveneens dit repertoire zong.

Wel moet ik constateren dat Damrau duidelijk een zangeres van deze tijd is. Dat is logisch en het valt haar ook niet te verwijten, maar het is bijvoorbeeld wel hoorbaar dat zij gewend is aan grotere zalen, grotere orkesten en een iets hogere stemming dan zangeressen uit vorige generaties. In piano en mezzoforte kan zij zich probleemloos met haar grote voorgangsters meten, maar vanaf forte voel je als luisteraar dat zij eraan gewend is dat zij in iedere ruimte over de grootste orkesten heen moet komen.

Wat veel dirigenten nog wel beseffen, dat fortissimo een relatief begrip is, blijkt voor moderne vocalisten heel wat moeilijker te accepteren. Voor hen betekenen forte en fortissimo meestal gewoon 'hard' en 'zo hard mogelijk' en als luisteraar mag je al blij zijn als daarbij geen al te groot kleurverlies optreedt. Dat blijkt ook bij Damrau, bijvoorbeeld in 'Cäcilie', in feite toch een intiem liefdeslied, maar haar herhaalde 'Wenn du es wüsstest' klinkt net iets te veel als een competitie met het orkestraal volume. Hier had Thielemann zich iets sensibeler moeten opstellen en juist de relativiteit erin moeten brengen die het door de componist beoogde effect opriep zonder dat de klank en de intimiteit onder druk kwamen te staan.

Gelukkig zijn er maar weinig momenten waarop de intimiteit van Damrau's vertolkingen op deze manier onder druk komt te staan, maar deze stijl van uitvoeren heeft onvermijdelijk ook gevolgen voor de tekstweergave. Haar benadering is duidelijk meer die van een operazangeres dan van een echte liedvertolkster, maar dat kunnen deze liederen, zeker in de orkestversie, heel goed hebben. Damrau weet bijzonder goed wat zij zingt, treft de sfeer van ieder lied met grote intelligentie en zonder enig spoor van maniërisme of het mooidoenerige van iemand als Elisabeth Schwarzkopf. (Alleen al de realisering van 'Mach auf, mach auf' aan het begin van 'Ständchen' laat een wereld van verschil tussen beide zangeressen horen.)

De verstaanbaarheid zou echter altijd op de eerste plaats moeten staan, maar die heeft helaas steeds meer onder de moderne uitvoeringsstijl te lijden, niet alleen in de opera, maar ook in de liedkunst. Fritz Wunderlich zong de orkestversie van 'Zueignung' nog uitbundiger, maar bij hem wordt iedere lettergreep met een maximum aan verstaanbaarheid gerealiseerd en daartoe blijken latere generaties steeds minder in staat. De oplossing ligt voor de hand: een lichte elektronische ondersteuning zoals die bij het toneel ook steeds meer in zwang komt, maar of we daarop bij klassieke muziek zitten te wachten? Het is in schouwburgen soms al storend, nog afgezien van het feit dat fysieke realisering en intensiteit van de vertolking toch nauw met elkaar samenhangen.

Een volle cd (ruim zeventig minuten) sopraanliederen kan op den duur vermoeiend werken, meer dan bij een vergelijkbaar programma in de zaal, waar het visuele element meespeelt en er bovendien een reeks aan intermezzo's is in de vorm van applaus, opkomsten, afgangen en een grote pauze. Dat effect valt heilig mee door de intensiteit van Damrau's vertolkingen, maar ook door de combinatie met een kleurrijk en geacheveerd orkestraal golvenspel waarvan ik geen genoeg kan krijgen. De typografie van de tracklijst biedt echter in de vorm van twee dunne witregels een suggestie voor 'gedoseerd genieten'.

De eerste zeven liederen met onder meer 'Waldselichkeit', 'Winterweihe', 'Morgen!' en 'Cäcilie' behelzen vooral lyrische bespiegelingen over de relatie tot 'de ander', dan begint met 'Amor' een groep van negen liederen die wat algemener van aard zijn. Dat laatste kan ook gezegd worden van de zes titels waarmee dit recital wordt besloten, maar die hebben gemeen dat zij in sfeer toch wat extraverter en zelfs theatraler zijn, culminerend in het groots opgezette 'Lied der Frauen' uit 1918, het laatste van de zes liederen op een tekst van Clemens Brentano die Strauss in dat jaar toonzette en een reactie van de componist op de verloren oorlog.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links