CD-recensie

 

© Siebe Riedstra, oktober 2020

Schubert: Symfonie nr. 9 in C, D 944

Krenek: Static and Ecstatic op. 214

Cleveland Orchestra o.l.v. Franz Welser-Möst
TCO0002 • 78' • (sacd)
Live-opname: 12 & 13 maart 2020 (Schubert); 5-8 maart 2020 (Krenek), Severance Hall, Cleveland, Ohio

   

Op 9 oktober 2020 publiceerde de New York Times een groot artikel met als titel: The Cleveland Orchestra, America's Finest, Restarts Recording. De kwalificatie America's Finest mag dus serieus genomen worden. Hoe komt het dat een stad in The Midwest van Amerika beschikt over het beste orkest van Amerika? Het Cleveland Orchestra werd in 1918 opgericht en behoorde de eerste decennia van zijn bestaan tot de middenmoot van de opkomende orkesten die Amerika bevolkten. In de dertiger jaren trokken vier Hongaarse dirigenten de oceaan over, op de vlucht voor de oorlogsdreiging in Europa en op zoek naar een uitdaging. Na de nodige omzwervingen landden ze op een vaste positie: Fritz Reiner in Chicago, Eugene Ormandy in Philadelphia, Antal Dorati in Minneapolis en George Szell in Cleveland.

George Szell, geboren te Boedapest in 1897 in een joodse familie, groeide op in Wenen. Hij maakte op zijn elfde zijn debuut als pianist en componist en werd door de pers meteen tot ‘de nieuwe Mozart' gebombardeerd. Op zijn zeventiende dirigeerde hij de Berliner Philharmoniker in een concert met eigen werken. Net als zoveel andere musici van joodse komaf emigreerde hij in 1939 naar de Verenigde Staten, waar hij aanvankelijk successen boekte aan de Metropolitan Opera en in januari 1946 werd benoemd tot chef-dirigent van het Cleveland Orchestra. Szell was een man met een ijzeren wil, die vastbesloten was om het Cleveland Orchestra toe te voegen aan het rijtje van (op dat moment) drie beste Amerikaanse orkesten: New York, Boston en Philadelphia. Het is hem gelukt, en de rest is geschiedenis, vastgelegd op de vele opnamen (120 cd's) die hij met zijn orkest naliet. Szell was behalve een groot dirigent ook een geduchte bullebak, die afwisselend gevreesd en vereerd werd; in zijn eerste jaar als chef in Cleveland ontsloeg hij 12 van de 94 musici. Zijn gastdirecties bij het Concertgebouworkest (hij was er tot 1959 vaste gastdirigent) werden door de musici omschreven als Szellstraf.

Szell bleef tot zijn overlijden in 1970 actief in Cleveland. Pierre Boulez was twee jaar lang tussenpaus en werd in 1972 opgevolgd door Lorin Maazel, die op zijn beurt in 1984 plaats maakte voor Christoph von Dohnanyi. In 2002 werd de Oostenrijker Franz Welser-Möst aangesteld, en wanneer hij zijn contract, vastgelegd tot 2027, uitdient zal hij de langst zittende chef zijn die het orkest heeft gekend. Maar waar de voorgaande chefs een flink aantal opnamen met hun ensemble hebben nagelaten bleef de discografische activiteit van Welser-Möst beperkt, afgezien van een aantal dvd-opnamen. Een goede reden om na bijna twintig jaar te besluiten om

in navolging van vrijwel alle zichzelf respecterende symfonieorkesten ter wereld een eigen label te starten met live-opnamen in eigen beheer. De eerste uitgave werd een compilatie waarin een breed overzicht van de samenwerking tussen Welser-Möst en het orkest werd getoond - hier besproken door Aart van der Wal. Wat daaraan vooral opvalt is de signatuur van de eigentijdse bijdragen, twee relatief onbekende Oostenrijkse componisten: Johannes Maria Staud en Bernd Richard Deutsch – iets dat men in de rest van de Verenigde Staten niet gauw zou zien gebeuren.

De hier te bespreken tweede aflevering staat geheel in het teken van de recente pandemische ontwikkelingen, waaraan in het boek bij de cd door zowel CEO André Gremiliet als Franz Welser-Möst uitgebreid aandacht wordt geschonken. Gremiliet gaat in een artikel met de titel Crisis and Creativity uitgebreid in op de uitdagingen waarvoor het orkest zich gesteld ziet, maar weet in een tekst van drie A-viertjes niet veel verder te komen dan dat de crisis een uitdaging vormt die veranderingen noodzakelijk maakt – met concrete voorstellen komt hij (nog) niet. Wat niet wegneemt dat Gremiliet als CEO terug kan kijken op een succesvol 2019, waarin het endowment van het orkest voor het eerst boven de tweehonderd miljoen uitkwam. Zoals wellicht bekend worden Amerikaanse orkesten niet door de overheid gesubsidieerd, maar moeten ze hun eigen broek ophouden. Dat doen ze door inkomsten uit concerten en gulle giften uit de ‘community'. Alle orkesten hebben zo in de loop van vele decennia een basiskapitaal opgebouwd waarop de financiële structuur is gebaseerd, het zogeheten endowment. De miljoenen worden belegd, en van de opbrengst kan men de begroting sluitend houden. Het spreekt vanzelf dat de bankencrisis enorme kraters in die endowments heeft geslagen, waar men de afgelopen jaren net weer een beetje bovenop begon te krabbelen. Het heeft er alle schijn van dat de huidige crisis catastrofale gevolgen zal hebben inzake het voortbestaan van veel klassieke Amerikaanse orkesten. De musici zien hun contracten gewijzigd naar de status furlough (geen ontslag, maar ook geen of veel minder salaris), en de endowments krimpen zienderogen.

In Cleveland waren de voorbereidingen in volle gang voor een festival waarin de symfonieën van Prokofjev en Schubert paartjes vormden. Op de eerste cd-uitgave kwam de Derde symfonie van Prokofjev, opgenomen in 2018, aan bod. In maart 2019 stond de Negende van Schubert op het programma. Welser-Möst doet in het boekje uitgebreid verslag van de wederwaardigheden die de Covid crisis veroorzaakte, waaronder het afzeggen van een wereldwijde tournee. Eveneens in maart werd de Tweede symfonie van Mendelssohn (Lobgesang), gekoppeld aan een laat (serieel) werk voor kamerorkest van Ernst Krenek: Static and Ecstatic . Alweer een Oostenrijkse componist, die evenwel het grootste deel van zijn carrière doorbracht in de Verenigde Staten, waarnaar hij in 1938 uitweek.

De cd is net als zijn voorganger uitgegeven in een buitenmodel formaat, anderhalf maal zo groot als een standaard cd. Lastig opbergen, maar wel beter leesbaar en prettig voor de vele kleurenfoto's die ook een goed beeld geven van de concertzaal van het orkest, Severance Hall, gebouwd in 1931. Zoals te verwachten wordt er uitstekend gespeeld. In bovenvermeld artikel neemt de recensent de kans waar om vier verschillende opnamen van de Negende Schubert als soundbite naast elkaar te leggen: Szell 1957, Szell 1970 (twee maanden voor zijn dood opgenomen), Dohnanyi 1985 en Welser-Möst 2020. Hij ziet vooral onderscheid in sfeer (a hint of bite; elegiac; clean and tidy), maar verzuimd op te merken dat het vette vibrato van 1957 gaandeweg behoorlijk afslankt. Wat hij ook niet vermeldt is een ander belangrijk verschil: het tempo van de langzame inleiding. Dat is bij Schubert een alla breve (twee slagen per maat) dat traditioneel in vieren gedirigeerd werd, waardoor de temporelatie met het erop volgende allegro in het water valt. Om daar te komen moet men een versnelling maken die niet door Schubert is voorzien. De meeste moderne dirigenten hebben begrepen dat zoiets niet meer kan, en ook Welser-Möst heeft zich aangepast. Voor het overige biedt deze uitgave zowel wat Schubert als Krenek betreft geen nieuwe inzichten. Wat wel overduidelijk wordt is de status van het orkest als een van de beste, maar gezien de repertoirekeuzes niet een van de avontuurlijkste van Amerika.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links