CD-recensie

 

© Aart van der Wal, augustus 2020

The Cleveland Orchestra - A New Century

CD 1:
Beethoven: Strijkkwartet nr. 15 in a, op. 132 (bewerking voor strijkorkest)
Live-opname: 12 juli 2019, Severance Hall, Cleveland

Varèse: Amériques
Live-opname: 25-26-27 mei 2017, Severance Hall, Cleveland

CD 2:
Staud: Stromab
Live-opname: 11-12-13 januari 2018, Severance Hall, Cleveland

(R.) Strauss: Aus Italien op. 16
Live-opname: 23-24-25 mei 2019, Severance Hall, Cleveland

CD 3:
Deutsch: Okeanos (orgelconcert)*
Live-opname: 14-15-16-17 maart 2019, Severance Hall, Cleveland

Prokofjev: Symfonie nr. 3 in c, op. 44
Live-opname: 27 & 30 september 2018, Severance Hall, Cleveland

Paul Jacobs (orgel)*, Cleveland Orchestra o.l.v. Franz Welser-Möst

TCO0001 t/m 3 (3 sacd's)

www.clevelandorchestra.com

 

Misschien stelt u die vraag zelf ook weleens: zullen de traditionele symfonieorkesten in deze eeuw overleven? En zo ja, welke wel en welke niet? Zonder ze allemaal over een kam te scheren: wereldwijd wordt steen en been geklaagd over de onvoldoende aanwas van jong publiek, de steeds krapper wordende financiën en tot overmaat van ramp ook nog het alsmaar toenemende aantal verschillende vrijetijdsactiviteiten en verplichtingen dat ook de weg naar de concertzaal deels lijkt te blokkeren. Het is de muziek die er dan vaak bij inschiet. Hoewel dat laatste meer lijkt te gelden voor de klassieke dan voor de popmuziek.

Overheden die het als beleid hebben gekozen om kunstinstellingen met (extra) subsidie te belonen op basis van het aantal geregistreerde bezoekers van concerten en voorstellingen dragen er bovendien het hunne aan bij om de zo noodzakelijke vernieuwing al in de kiem te smoren. Waardoor die instellingen zichzelf hebben opgescheept met een merendeels puur museale functie. Belangrijkste doelstelling: het instandhouden van de traditie.

Waarmee de kat zich op termijn weer in de eigen staart bijt want zonder vernieuwing zakt de gehele sector uiteindelijk in. Alleen degenen die niets ophebben met het korte-termijn-denken maken zich er druk over. Wie vasthoudt aan het al jaren in zwang zijnde pappen-en-nathouden schepen later anderen met de daaruit voortgekomen ellende op. Wie het probleem nu onderschat verlegt de gevolgen ervan naar een toekomst; waarvan hij of zij dan waarschijnlijk geen deel meer uitmaakt. In die zin verschilt het muziekbedrijf en het culturele landschap van gisteren dat het wil conserveren niet of nauwelijks van de hooggestemde klimaatdoelen die op geen stukken na worden gehaald of de zorgsector die maar geen afscheid wil nemen van het ongezonde verdienmodel. Na ons de zondvloed, zo lijkt het.

Natuurlijk proberen veel orkesten hun actieradius te vergroten, de meeste op vrijwel dezelfde manier: internationaal profileren met behulp van slimme marketing, opnamen en tournees, naast het zo veel mogelijk aantrekken van topsolisten. Aan het repertoire is niets wezenlijks veranderd: veelal oude wijn in nieuwe zakken zogezegd. Terwijl de voortschrijdende globalisering en de op dezelfde schaal vrije uitwisseling van dirigenten en orkestmusici er ook nog eens stevig toe heeft bijgedragen dat behoorlijk aan het klankmatige onderscheid tussen de orkesten is ingeboet. Wie over een fijn gehoor beschikt en voldoende luisterervaring heeft hoort mogelijk nog wel het verschil tussen Berliner en Wiener, maar laten we ons op dit punt vooral niet voor de gek houden: in de luisterpraktijk kan dat onderscheid wel degelijk behoorlijk tegenvallen. Zelfs de gepokten en gemazelden op dit vlak heb ik tijdens een ‘blindtest' erop betrapt het verschil niet goed waar te kunnen nemen; of ze wedden uitgerekend op het verkeerde paard. Het lukte hen (een illuster vijftal waarvan ik de namen liever voor mijzelf houd) zelfs niet het verschil te duiden tussen de Bamberger Symphoniker en het London Philharmonic Orchestra. In radioprogramma's als ‘Diskotabel' zien we dat beeld ongeneerd terug en loopt het in een vergelijkbaar raadspelletje vaak faliekant verkeerd af. Alleen wie echt op de hoogte was van de nieuwste releases maakte uiteraard meer kans (een kwestie van optellen en aftrekken).

Dit laatste, die globalisering, schoot me te binnen toen ik in het lijvige boekwerk (waarover straks meer) las: ‘This orchestra is unmistakably Cleveland'. Misschien had ik dat veertig jaar geleden wel kunnen onderschrijven (ik voelde me toen goed thuis bij wat George Szell met dit orkest tot stand wist te brengen). Zoals ik in die tijd op slag niet alleen het Columbia Symphony Orchestra herkende, maar ook de dirigeerkunst van Bruno Walter en Otto Klemperer, Erich Kleiber en Wilhelm Furtwängler. Terug in de tijd is dat nog steeds zo, zij het dat het unieke karakter van dergelijke coryfeeën al lang en breed is vervlogen.

Maar nu? Misschien hebben de kenners van de zangstem (alleen al wat de dames betreft: Callas, Ferrier, Schwarzkopf, Köth, Jurinac, Janowitz, Merriman, Ludwig: direct herkenbaar, naast uiteraard vele anderen in alle denkbare stembereiken) het wat dit betreft gemakkelijker. Het herkennen van instrumentalisten is al heel wat lastiger, al herkennen we natuurlijk wel Oistrach, Milstein, Heifetz, Rostropovitsj, Gendron, Fourniet, Solomon, Karl en Svjatoslav Richter. En misschien ook nog wel Helmut Walcha. Wij dan, dat wil zeggen de ouderen onder ons.

Terug naar de orkesten waarvan een groot aantal met zowel plaatselijke, regionale als landelijke en internationale belangen. Tot de jaren negentig was er voor hen de ‘recording industry' die sterk bijdroeg aan hun bekendheid tot ver buiten de eigen landsgrenzen, maar ook in die bedrijfstak is de spoeling aanzienlijk dunner geworden. Maar er zijn nu toch muziekdiensten, zult u zeggen? Ja, maar het aanbod komt eveneens uit de studio of rechtstreeks van het concertpodium. Er zijn wel opnamen aan voorafgegaan. De verbindende schakel: opnieuw dus de ‘recording industry', met als voornaamste financiële risico dat de investeringen zich niet tijdig of helemaal niet laten terugbetalen als gevolg van te weinig belangstelling.

Als het publiek vanuit budgettair oogpunt de drijvende kracht moet zijn (een nogal logische gevolgtrekking overigens) betekent dit - we zien het alom om ons heen - primair een aanslag op de vernieuwing. Dat is nu eenmaal de dagelijkse praktijk. Alleen de daarin gespecialiseerde ensembles trekken een goed gevulde zaal met een avond Ligeti of Kurtág. Als een orkest het aandurft om vóór de pauze Schrekers ‘Vorspiel zu einem Drama' en Ligeti's Vioolconcert te programmeren, met na de pauze Kreneks Tweede Concerto Grosso en Varèses 'Amériques', kan het wat de zaalbezetting betreft al op voorhand schudden. Zelfs als er een bekende dirigent (wat dacht u van François-Xavier Roth?) op de bok staat. Programmeren vraagt dus om een specifieke, vooral intelligente en door kennis en ervaring aangescherpte aanpak; en dan nog zal het tijd en moeite kosten om tot een financieel acceptabele exploitatie te komen.

Het muziekbedrijf maakt zowel auditief als visueel in de volle breedte gebruik van de vele voordelen van het internet als distributiekanaal. Daarmee wel of niet samenhangend is er bovendien de uitgifte van eigen cd's op basis van live-opnamen. En voor het publiek dat niet fysiek naar de zaal kan of wil komen is er de ‘digitale concertzaal' zoals die van bijvoorbeeld de Berliner Philharmoniker, waar tegen een alleszins redelijk bedrag live-concerten kunnen worden 'bijgewoond' maar ook video-opnamen uit heden en verleden van zeer hoge kwaliteit beschikbaar zijn, een fenomeen dat we ook in andere genres, zoals bijvoorbeeld de opera, meer en meer gaan zien. Een ontwikkeling die als gevolg van de coronacrisis zelfs in een stevige stroomversnelling is geraakt. Het internet is een belangrijk platform geworden voor de meest uiteenlopende musici en muziekinstellingen (waaronder ook muzieklabels), al is de kwaliteit van het gebodene soms nogal wisselend (al is er een troost: een deel daarvan wordt zelfs gratis aangeboden).

Ook het in 1918 opgerichte Cleveland Orchestra (genoemd naar de Amerikaanse stad Cleveland, met Severance Hall als de thuisbasis van het orkest) heeft in navolging van andere orkesten onlangs een eigen muzieklabel geïntroduceerd en is volop actief op het internet. Om dat eerste te vieren heeft het orkest zes opnamen op drie cd's uitgebracht met werken die voor de grote speltechnische kwaliteiten van het orkest zeker representatief mogen worden genoemd. Het zijn regelrechte 'showcases' die onder leiding van chef-dirigent Franz Welser-Möst de vonken ervanaf doen spatten. De set bevat daarnaast een persoonlijke code die toegang geeft tot de audiobestanden in hoge resolutie.

Dat de drie cd's (in super audio formaat) desondanks niet door de brievenbus konden heeft alles te maken met het lijvige boekwerk dat bij de cd's is bijgepakt. Daarin niet alleen een uitgebreide toelichting op de uitgevoerde werken, maar ook een boeiend artikel van de hand van Welser-Möst waarom muziek ertoe doet (het zal niet voor iedereen een eye-opener zijn, ben ik bang). Daarnaast komen de orkestleden in beeld, wordt de akoestische tempel Severance Hall bezongen en mogen we een dag meelopen in het dagelijks bestaan van het orkest, is er een vraag- en antwoorddeel met als hoofdthema repetities en teamwork, krijgen we inzicht in het historisch wel en wee van het orkest, maar ook lezen we hoe het er vandaag de dag bijstaat en hoe de toekomst er mogelijk uitziet (al was dat voordat het coronavirus toesloeg). Ook de stad Cleveland komt ruimschoots aan bod en mag Welser-Möst zich ten slotte buigen over heden en zoals hij de toekomst ziet. De artikelen worden verluchtigd met een groot aantal vaak zeer treffende illustraties, waarvan de meeste in kleur. Het resultaat: een prachtig boekwerk en tegelijkertijd een goed gedoseerd overzicht van verleden, heden en toekomst. Wel twee zij het kleine kanttekeningen: er is veel wel en weinig wee opgetekend, terwijl een aanvullende dvd-opname zeker welkom was geweest. Wat niet wegneemt dat het glas wel degelijk meer dan halfvol is en niet in de laatste plaats dankzij het op deze drie cd's vastgelegde repertoire dat bepaald niet alledaags kan worden genoemd. Wel vreemd dat nergens wordt vermeld wie verantwoordelijk is geweest voor de bewerking van Beethovens op. 132 voor strijorkest, dat hier overigens meesterlijk tot klinken komt en tevens laat horen hoe uiterst gedisciplineerd het strijkerskorps musiceert. Niet dat het nieuw is: op BIS verscheen begin 2014 een set (3 cd's) met Beethovens late kwartetten, waaronder op. 132, in een (goed geslaagde) bewerking voor strijkorkest door de Camerata Nordica met Terje Tonnesen in de rol van arrangeur en dirigent. Het lijkt overigens simpeler dan het is: de transitie van strijkkwartet naar strijkorkest. Het is niet alleen een kwestie van 'noten overzetten' maar ook van het behoud van de oorspronkelijke textuur in een aanmerkelijk grotere bezetting (mét contrabas). Waar het er dus om gaat zoveel mogelijk te behouden en zo weinig mogelijk verloren te laten gaan. Het meest indrukwekkende 'showpiece' van deze set? Varèses 'Amériques'. Het is en blijft een absoluut wonder van inventiviteit en geldt wat mij betreft tevens als hogeschool voor kleurrijke instrumentatie en orkestratie.


index

Home  -  Actueel  -  Audio  -  Muziek  -  Video  -  Boeken  -  Links